Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4391

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
321936 HARK 12-176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 321936 HARK 12-176

beslissing van 17 april 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [verzoeker],

verzoeker.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 15 maart 2012 heeft [verzoeker] bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van mr. [rechter], rechter in de Sector Bestuursrecht van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak van [verzoeker] tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), die aldaar is geregistreerd onder zaaknummer [nummer].

1.2. Mr. [rechter] heeft niet in de wraking berust. Mr. [rechter] heeft op 30 maart 2012 haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van de rechtbank doen toekomen.

1.3. De griffier van deze wrakingskamer van de rechtbank heeft [verzoeker] en mr. [rechter] opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 3 april 2012. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Het wrakingsverzoek is op 3 april 2012 in het openbaar behandeld. Daarbij waren [verzoeker] en mr. [rechter] aanwezig. Namens de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is niemand verschenen.

2. De feiten

In de hoofdprocedure heeft het Uwv besloten dat [verzoeker] in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering en loongerelateerde WGA-uitkering op psychische gronden. Ook is beslist dat de voormalige werkgever van [verzoeker] voldoende re-integratieactiviteiten heeft verricht. [verzoeker] heeft tegen het besluit van het Uwv beroep ingesteld. Daarbij heeft [verzoeker] een aantal stukken ingediend die betrekking hebben op zijn psychische klachten, waarbij hij het voorbehoud heeft gemaakt dat deze uitsluitend aan de artsen van het Uwv mogen worden doorgezonden. Bij tussenbeslissing van 1 maart 2012 is dit verzoek met betrekking tot dit voorbehoud door mr. [rechter] afgewezen.

3. Het verzoek

3.1. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft deze gronden nader uitgewerkt in de door hem op 15 maart 2012 en 30 maart 2012 overgelegde stukken:

1- de door verzoeker ontvangen brief van de rechtbank Utrecht d.d. 1 maart 2012 over de vooraankondiging van de zitting in de middag d.d. 29 mei 2012, terwijl verzoeker:

A: niet is geïnformeerd over wie de rechter is die de zaak op zitting behandelt,

B: mr. [rechter] (nog) geen beslissing heeft genomen over het verzoek van verzoeker d.d. 2 december 2011 voor toepassing van artikel 8:62 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) lid 2, betreffende een zitting met gesloten deuren,

C: mr. [rechter] (nog) geen beslissing heeft genomen over het verzoek van verzoeker d.d. 2 december 2011, betreffende een deskundigenbericht door een onafhankelijke arts;

2- de tussenbeslissing van de rechtbank Utrecht d.d. 1 maart 2012 over toepassing van de artikelen 8:29 en 8:32 Awb, welke tussenbeslissing -aldus verzoeker- ondeugdelijk is gemotiveerd en verzoeker daarom verhindert om zijn procesrecht uit te voeren;

3- de tussenbeslissing van de rechtbank Utrecht d.d. 1 maart 2012 in de procedure met nummer SBR 11/3994 WGA naar aanleiding van het verzoek van verzoeker om uitstel om schriftelijk mee te kunnen delen welke gevolgen verzoeker aan die tussenbeslissing verbindt, totdat de rechtbank een besluit heeft genomen over de wraking;

4- de brief van vooronderzoeksrechter mr. [rechter] d.d. 6 december 2011 in de hoofdprocedure betreffende de aanvraag voor het verstrekken van stukken door het Uwv;

5- de brief van de rechtbank Utrecht aan verzoeker d.d. 16 februari 2012 over het verzoek van verzoeker voor toepassing van de artikelen 8:29 en 8:32 Awb en de brief van het bestuur van de rechtbank Utrecht aan verzoeker d.d. 12 maart 2012;

6- de brief van vooronderzoeksrechter mr. [rechter] d.d. 1 maart 2012 over de vooraankondiging van de zitting in de middag d.d. 29 mei 2012.

In zijn nadere onderbouwing van het wrakingsverzoek heeft [verzoeker] tevens verzocht om materiële en immateriële schadevergoeding op grond van de artikelen 8:37, 6:98, 6:106 en 6:163 Awb. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij de rechter niet wraakt op basis van een genomen beslissing, maar op basis van het handelen dan wel nalaten dat aan die genomen beslissingen ten grondslag ligt.

3.2. De reactie van de betrokken rechter is als volgt:

Mr. [rechter] heeft aangevoerd dat de tussenbeslissing van 1 maart 2012 wel degelijk een motivering bevat en dat als [verzoeker] het niet eens is met deze tussenbeslissing, hij in hoger beroep kan tegelijk met de einduitspraak in deze zaak.

Op het verzoek van verzoeker om uitstel van de zaak met procedurenummer 11/3994 WGA is nog geen reactie verstuurd.

Mr. van Es-De Vries heeft er ten slotte nog op gewezen dat niet zij als vooronderzoek- en piketrechter, maar de rechter die de zaak inhoudelijk zal behandelen, zal beslissen op het verzoek van verzoeker over een behandeling op zitting achter gesloten deuren en zijn verzoek om een deskundigenbericht door een onafhankelijke arts.

4. De beoordeling

4.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Algemene Wet Bestuursrecht en artikel 6 Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 8:16 Awb).

4.2. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. [rechter] jegens [verzoeker]. Derhalve zal naar objectieve maatstaven worden beoordeeld of is gebleken van feiten en omstandigheden die [verzoeker] grond hebben gegeven voor de vrees dat het mr. [rechter] aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

4.3. De rechtbank overweegt naar aanleiding van de door [verzoeker] aangevoerde punten als volgt:

Ad 1A: Het is feitelijk juist dat [verzoeker] in de aan hem verstuurde brief d.d. 1 maart 2012 met daarin de vooraankondiging van de zitting op 29 mei 2012 niet direct is medegedeeld welke rechter de zaak op die zitting zal behandelen. Deze informatie wordt door de rechtbank in alle bestuursrechtelijke zaken gewoonlijk pas in een later stadium voor de zitting verstrekt door de griffier, namelijk bij de uitnodiging of oproeping voor de zitting. De betreffende vooraankondigingsbrief is een standaardbrief die door de griffie wordt verzonden. Mr. [rechter] heeft geen bemoeienis gehad met het verzenden van deze brief. Van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [rechter] is dus op dit punt geen sprake.

Ad 1B: Het is juist dat mr. [rechter] in haar rol als vooronderzoeksrechter geen beslissing heeft genomen op het verzoek van [verzoeker] d.d. 2 december 2011 om de zitting met gesloten deuren te houden op grond van artikel 8:62 lid 2 Awb. Deze beslissing zal worden genomen door de zittingsrechter, niet zijnde mr. [rechter]. Uit het feit dat nog geen beslissing is genomen op zijn verzoek, kan derhalve niet worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [rechter].

Ad 1C: Het is eveneens feitelijk juist dat [verzoeker] nog geen beslissing heeft gehad op zijn verzoek om een deskundigenbericht door een onafhankelijke arts. Uit de ter zitting gegeven toelichting volgt dat deze beslissing doorgaans wordt genomen door de zittingsrechter en niet door de vooronderzoeksrechter. De vraag of inschakeling van een (medisch) deskundige vereist is, welk specialisme moet worden geraadpleegd en welke vragen aan de specialist zullen worden gesteld, vormt doorgaans onderwerp van debat op de zitting. Uit het feit dat mr. [rechter] in het vooronderzoek nog geen beslissing heeft genomen op dit verzoek kan derhalve niet worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [rechter].

Ad 2: [verzoeker] verwijt mr. [rechter] dat de genomen tussenbeslissing van

1 maart 2012 te algemeen is gemotiveerd. De tussenbeslissing van 1 maart 2012 betreft een procesbeslissing. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld is om te ageren tegen onjuist geachte procesbeslissingen. Daartegen staat appel open, tegelijk met de (eind)uitspraak van de rechtbank. Daar komt bij dat de tussenbeslissing wel enigszins gemotiveerd is. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding om op dit punt te twijfelen aan de onpartijdigheid van mr. [rechter] dan wel aan het ontbreken van vooringenomenheid aan haar zijde.

Ad 3: Beslissingen op een verzoek tot uitstel van de zitting zijn voorbehouden aan de rechter die de zaak in de bodemprocedure zal behandelen. Verzoeken als deze staan niet ter beoordeling van de wrakingskamer. Ook hierin is derhalve geen reden gelegen het verzoek toe te wijzen.

Ad 4: Met betrekking tot de brief van 6 december 2011 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 8:16 Awb dient het wrakingsverzoek te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Niet kan worden gezegd dat [verzoeker] het wrakingsverzoek op dit punt heeft ingediend, zodra hem de feiten en omstandigheden bekend waren geworden. Gelet op het tijdsverloop zal de rechtbank [verzoeker] voor dit deel van het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaren. Wat betreft de stelling van [verzoeker] dat de rechtbank het Uwv heeft gevraagd om stukken met betrekking tot zijn zaak te verstrekken en dat deze stukken vervolgens zonder zijn toestemming zijn verstrekt aan de rechtbank door het Uwv, merkt de rechtbank - ter voorlichting van [verzoeker] - nog het volgende op.

De brief van 6 december 2011, waarin de rechtbank het Uwv om alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft verzocht, is een standaardbrief die in alle zaken wordt uitgestuurd aan het verwerende bestuursorgaan. Niet is gebleken dat mr. [rechter] in deze zaak bemoeienis heeft gehad met het verzenden van deze brief aan het Uwv. Ook op dit punt is er dus geen sprake van handelen of nalaten door mr. [rechter] die een wraking zouden rechtvaardigen.

Ad 5: De rechtbank stelt vast dat de brief van 16 februari 2012 van de rechtbank aan [verzoeker] ondertekend is door de griffier en niet door mr. [rechter]. Als al kan worden aangenomen dat mr. [rechter] bemoeienis heeft gehad met de inhoud van deze brief dan nog kan de inhoud de wraking niet rechtvaardigen. De brief bevat deels informatie over de partijstelling en deels betreft de brief voorlichting over de positie van het Uwv en de medewerkers van het Uwv. De zin in de brief die betrekking heeft op het al dan niet van toepassing zijn van artikel 8:29 en 8:32 Awb is geen procesbeslissing op het verzoek van [verzoeker] gericht op die artikelen. Het gaat slechts om voorlichting over de vraag of de medische stukken die van het Uwv komen ook kunnen vallen onder artikel 8:29 en 8:32 Awb.

Voor zover de wraking op dit punt erop ziet dat mr. [rechter] in de brief geen beslissing heeft genomen over toepassing van de artikelen 8:29 en 8:32 Awb kan dit dus niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [rechter].

Voor zover de wraking gericht is op de inhoud van de brief is dit geen aanleiding om de wraking toe te wijzen, nu uit die inhoud niet blijkt dat sprake is van partijdigheid dan wel vooringenomenheid aan de zijde van mr. [rechter].

Ad 6: [verzoeker] heeft aangegeven in de veronderstelling te verkeren dat zijn verzoek tot wraking de procedure in de bodemprocedure schorst. Die veronderstelling is onjuist. Het wrakingsverzoek schort de procedure in de bodemprocedure niet op. De brief met de vooraankondiging van de zitting op 29 mei 2012 is bedoeld om [verzoeker] te vragen rekening te houden met die mogelijke zittingsdatum. Zoals hiervoor aangegeven heeft mr. [rechter] niets van doen gehad met de informatie in die brief. Van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van mr. [rechter] is dus op dit punt geen sprake.

4.4. Beslissingen op verzoeken tot materiële en immateriële schadevergoeding behoren niet tot de bevoegdheid van de wrakingskamer, maar van de rechtbank oordelend in de bodemprocedure. De verzoeken blijven daarom in dit kader verder buiten bespreking.

4.5. Nu [verzoeker] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat mr. [rechter] blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is, zal de rechtbank het wrakingsverzoek afwijzen.

5. Beoordeling van de overige verzoeken

5.1. [verzoeker] heeft nog een aantal andere verzoeken aan de wrakingskamer gedaan, te weten:

1- het tussenbesluit van vooronderzoeksrechter mr. [rechter] d.d. 1 maart 2012 over toepassing van artikel 8:29 en 8:32 Awb niet-ontvankelijk of onrechtmatig te verklaren dan wel te vernietigen;

2- een deskundigenbericht over materiële en immateriële schade en letsel;

3- mr. [rechter] te veroordelen tot vergoeding van al verzoekers nader te bepalen directe en indirecte kosten, onkosten en vervolgschade betreffende de wrakings- of verschoningsprocedure.

5.2. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze verzoeken als volgt.

Ad 1: Een oordeel over de (on)rechtmatigheid van een genomen procesbeslissing, zoals door [verzoeker] gevraagd, is niet aan de wrakingskamer. Daartegen kan in hoger beroep worden opgekomen tegelijk met de (eind)uitspraak in de bodemprocedure.

Ad 2: Een verzoek om een deskundigenbericht is ter beslissing aan de rechtbank in de bodemprocedure. Een beslissing op dit verzoek staat niet ter beoordeling van de wrakingskamer.

Ad 3: De rechtbank ziet in de behandeling van dit wrakingsverzoek geen aanleiding voor een kostenveroordeling, nog daargelaten dat de gevraagde veroordeling van mr. [rechter] niet tot de wettelijke mogelijkheden behoort. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. Van Es-de Vries, voor zover dit verzoek is gebaseerd op de brief van 6 december 2011 (punt 4);

5.2. wijst het wrakingsverzoek voor het overige af;

5.3. bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van de zijde van verzoeker in de zaak

[nummer] niet in behandeling zal worden genomen;

5.4. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

[verzoeker], mr. [rechter] en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, alsmede aan de voorzitter van de Sector Bestuursrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.S. Elkhuizen-Koopmans, mr. B.J. van Ettekoven en mr. P. Bender en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.

Mr. Van Ettekoven is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.