Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4342

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
16-710896-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordelig voor diefstal met geweld in vereniging gepleegd, een poging woninginbraak en wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710896-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats], Colombia

wonende te [woonplaats], [adres]

thans uit andere hoofde gedetineerd in Centro de Detençao Provisoria Papuda,

Radoria 465, km 04, Fazenda Papuda te 71619-970 Brasilia – DF Brazilië

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 maart 2012. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft haar standpunt kenbaar gemaakt

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander tafelzilver en een hobbymes heeft gestolen en daarbij geweld heeft uitgeoefend jegens de eigenaar op het moment dat hij betrapt werd;

Feit 2: samen met een ander heeft geprobeerd in te breken in een woning;

Feit 3: samen met een ander een gas(druk)pistool en munitie voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Verdachte heeft de feiten ook in grote lijnen bekend. Voor wat betreft feit 1 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte enig goed heeft weggenomen. Voorts gaat zij ervan uit dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd.

4.2. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Feiten en omstandigheden

De heer [aangever 1] heeft aangifte gedaan van diefstal met geweld. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning op 13 oktober 2009 omstreeks 18:10 uur goed afgesloten heeft verlaten en dat hij op 14 oktober 2009 omstreeks 00:00 uur terug is gekomen. Hij zag toen dat het hoekkastje in de eetkamer openstond. Vervolgens zag hij dat twee vreemde mannen de trap af kwamen rennen. Nadat hij de voorste man bij zijn jas had vastgepakt, sloeg deze hem met de vuist tegen zijn neus. Hij raakte hierdoor uit balans en viel op de grond. Ten gevolge van de vuistslag in zijn gezicht was zijn neus gaan bloeden. Vervolgens zag hij de mannen door de achterdeur naar buiten rennen. Kennelijk hadden ze deze deur opengezet als vluchtweg. Hij zag even later dat op de eettafel goederen waren verzameld om mee te nemen, te weten schilderijen en klokken.

In een aanvullende verklaring heeft aangever laten weten dat hij blijft bij zijn eerste verhaal dat hij twee daders heeft gezien. Voorts heeft hij in deze verklaring aangegeven dat een doosje met zilveren manchetknopen, een zilveren dessertlepel en een ponjaard zijn weggenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij ergens in november 2009 heeft ingebroken in een woning te Amersfoort. In de woonkamer heeft hij schilderijen en een koekoeksklok van de muur gepakt en op de tafel klaar gelegd om direct mee te kunnen nemen. Hij had met een sleutel de achterdeur al van het slot gehaald om te kunnen vluchten. Nadat hij op de eerste verdieping had rondgekeken en terug naar beneden ging, stond onderaan de trap plotseling een man. De man pakte hem vast, waarna hij de man een vuistslag gaf in zijn gezicht. De man viel hierdoor achterover. Vervolgens is hij zonder buit naar de auto gegaan, aldus verdachte.

Bewijsoverweging

Gelet op de overeenkomsten tussen de aangifte en de verklaring van verdachte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte degene is geweest die in de periode van 13 tot en met 14 oktober 2009 in de woning van aangever is geweest, die aldaar het in de tenlastelegging omschreven geweld jegens aangever heeft uitgeoefend en die uit de woning van aangever goederen heeft meegenomen. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat voor hem niet meer duidelijk is wanneer het voorval precies heeft plaatsgevonden. Aan het feit dat hij een andere maand noemt dan aangever, gaat de rechtbank dan ook voorbij. Ook gaat de rechtbank eraan voorbij dat verdachte niet over een tweede persoon spreekt en dat hij ontkent enige buit te hebben meegenomen. De rechtbank volgt aangever op deze punten.

Op grond van de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden, die in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2

Feiten en omstandigheden

Op 6 februari 2010 omstreeks 23.50 uur kwam bij de politie een melding binnen van glasgerinkel bij de [adres] te Den Dolder. Er was ingebroken in de woning van [aangever 2] aan de [adres] te Den Dolder. Aan de voorzijde van de woning was een ruit vernield. Het kozijn en de vergrendelingen waren vernield. Er ontbraken geen goederen.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat zij op 6 februari 2010 rond 23.45 uur op de [adres] te Den Dolder liepen, toen ze daar glasgerinkel hoorden en daarop twee mannen uit een tuin zagen komen lopen, uit de richting van het glasgerinkel.

De politie heeft onderzoek gedaan in de nabije omgeving van de woning en trof medeverdachte [medeverdachte 1] aan in de tuin van de woning van nummer [adres]. Tijdens de fouillering van medeverdachte [medeverdachte 1] trof de politie een bekeuring aan van de NS op het traject Amsterdam-Bilthoven op 6 februari 2010. Er is door de politie onderzocht of op dat tijdstip op dat traject ook iemand anders zonder geldig plaatsbewijs heeft gereisd. Dit bleek [verdachte], verdachte, te zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 6 februari 2010 samen met [medeverdachte 1] een inbraak heeft gepleegd. Hij was samen met [medeverdachte 1] in de trein gestapt van Amsterdam naar Utrecht Centraal Station. Ze hadden in de trein een bon gekregen. In Bilthoven waren ze de trein uitgestapt en waren ze op zoek gegaan naar een geschikte woning om in te breken. In Den Dolder vonden ze die woning. Verdachte had zijn breekijzer aan de zijkant tussen het raam en het kozijn gezet. Hij had een ander breekijzer aan de onderzijde in de sluitnaad gezet. Het raam sprong kapot. Op dat moment kwamen twee jongens aanlopen. Hij was samen met medeverdachte [medeverdachte 1] snel de tuin uitgelopen en zij hadden zich verstopt in de tuin van een woning.

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden, die in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geprobeerd in te breken in de woning aan de [adres] te [woonplaats].

Ten aanzien van feit 3

Feiten en omstandigheden

In verband met het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft de politie onderzoek gedaan in de nabije omgeving van de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Een getuige had verbalisanten erop gewezen dat hij de twee verdachten had zien lopen bij perceel [adres] te [woonplaats]. Bij dit perceel werd een plastic zak gevonden met twee breekijzers, een beitel, een sok en een klein model vuurwapen.

Onderzoek naar het vuurwapen heeft uitgewezen dat het gaat om een gaspistool van het merk BLOW, model mini 2003, kaliber 8mmKnal. In de houder bevonden zich 5 knalpatronen van het kaliber 8mm, merk MFS. Het gaspistool is een vuurwapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, de aangetroffen patronen betreffen munitie als bedoeld in artikel 2. lid 2, Categorie III van de Wet wapens en munitie.

Verdachte heeft verklaard dat het gaspistool dat in de tas zat zijn eigendom is. Hij had de tas met onder andere het wapen in een tuin achtergelaten, nadat hij samen met zijn medeverdachte had geprobeerd in te breken in een woning te Den Dolder. Het gaspistool was bedoeld om mensen mee af te schrikken en te kunnen vluchten. Hij zou het wel gebruiken maar niet om op iemand te schieten.

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor genoemde redengevende feiten en omstandigheden, die in de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de tenlastelegging omschreven vuurwapen en de bij behorende munitie voorhanden heeft gehad. Niet bewezen acht de rechtbank dat verdachte deze tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 13 oktober 2009 tot en met 14 oktober 2009 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met kracht op de neus van die [aangever 1] heeft gestompt, waardoor die [aangever 1] ten val kwam;

2.

op 06 februari 2010 te Den Dolder, gemeente Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen geld en/of goederen, althans datgene wat van zijn/hun gading zou kunnen zijn, toebehorende aan [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, en zich daarbij de toegang tot genoemde woning te verschaffen door middel van braak en/of inklimming, tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader een ruit van die woning vernield en het kozijn en de vergrendelingen vernield, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.

op 06 februari 2010 te Den Dolder, gemeente Zeist, een wapen van categorie III, te weten een gaspistool merk BLOW, model Mini 2003, kaliber 8mmKnal, en munitie van categorie III, te weten 5 knalpatronen, kaliber 8mmKnal, merk MFS, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 2: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming;

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in een woning. De rechtbank is van oordeel dat het van een grove brutaliteit getuigt dat verdachte en zijn mededader niet alleen een woning zijn binnengedrongen om daaruit goederen weg te nemen, maar ook om daarbij ook nog eens een stomp tegen de neus van de bewoner, het slachtoffer, uit te delen op het moment dat zij werden betrapt. Het moet een angstig moment zijn geweest voor het slachtoffer. Deze ervaring zal hij bij zich moeten blijven dragen en het heeft, zoals hij ook heeft verwoord in zijn schriftelijke slachtofferverklaring,zijn algemene gevoel van veiligheid ernstig aangetast. De rechtbank tilt hier zwaar aan, te meer daar een en ander zich in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld. Verdachte en zijn mededader hebben hierdoor een enorme inbreuk gemaakt op de privacy van het slachtoffer.

Het slachtoffer heeft aangegeven het bijzonder onaangenaam te vinden dat vreemden in zijn woning zijn geweest en zijn persoonlijke bezittingen hebben doorzocht.

Daarnaast heeft verdachte samen met zijn mededader een poging woninginbraak gepleegd. Deze poging was al in een vergevorderd stadium op het moment dat zij werden gestoord door personen die hun hond aan het uitlaten waren. Verdachte en zijn mededader hadden het raam van de woning al vernield en waren al bijna in de woning. Ook in dit geval stond verdachte dus op het punt een grove inbreuk te gaan maken op de privacy van de bewoners, uitsluitend vanwege zijn eigen winstbejag. Dat verdachte hierbij een wapen bij zich droeg, maakt dit feit nog ernstiger. Hij heeft verklaard dat hij dit wapen bij zich droeg om mensen af te schrikken. Deze intentie alleen al laat zien dat verdachte geen empathie heeft gehad voor zijn mogelijke slachtoffers, bij wie hij met het wapen doodsangsten had kunnen veroorzaken.

Dat het hier niet gaat om een alleen opererende verdachte, dat er geweld is gebruikt, dat de poging in een ver gevorderd stadium was en dat verdachte een wapen bij zich droeg, zal de rechtbank in het nadeel van verdachte laten meewegen.

In het voordeel van verdachte zal de rechtbank meewegen dat verdachte uiteindelijk grote openheid van zaken heeft gegeven over zijn rol bij de door hem gepleegde feiten.

Voorts zal de rechtbank de justitiële documentatie van verdachte d.d. 22 februari 2012 in zijn voordeel laten meewegen. Deze documentatie laat zien dat verdachte voorafgaand aan de onderhavige feiten, die ruim twee jaar geleden hebben plaatsgevonden, niet eerder was veroordeeld voor een strafbaar feit. Na afloop van de onderhavige feiten heeft hij wel meer vermogensdelicten gepleegd. Nu hij hiervoor reeds is veroordeeld, zal de rechtbank artikel 63 Wetboek van strafrecht toepassen.

Afgezien van het feit dat verdachte thans gedetineerd is in Brazilië wegens drugsgerelateerde delicten, is voor het overige niets bekend omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte. In een dergelijke situatie en mede gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige juiste strafmodaliteit.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is, zodat de rechtbank de officier van justitie zal volgen in haar vordering.

7. De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1], wonende te [woonplaats], vordert een schadevergoeding van € 925,-- voor feit 1, waarvan € 675,-- ter zake van materiële schade en € 250,-- ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 2: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming;

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] tot een bedrag van

€ 925,--, waarvan € 675,-- ter zake van materiële schade en € 250,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 925,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 18 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2012.