Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4311

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
16-441218-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte onder mer veroordeeld voor afdreiging. Alhoewel een 'formele' klacht voor dit feit ontbreekt, heeft de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk verklaard in haar vervolging. Met de officier van justitie is zij immers van oordeel dat uit de aangifte, de getuigenverklaring van één van de slachtoffers en het gegeven dat de slachtoffers zich als benadeelde partijen hebben gevoegd, in onderlinge samenhang bezien, onmiskenbaar blijkt dat zij de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden, waarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate is voldaan aan (de feitelijke betekenis van) het klachtvereiste als omschreven in artikel 318, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/441218-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. P. van der Geest, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 07 november 2010 [aangever 1] heeft belaagd;

Feit 2 primair: in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 07 november 2010 [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of [aangever 3] heeft geprobeerd af te persen;

Feit 2 subsidiair: in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 07 november 2010 [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of [aangever 3] heeft geprobeerd af te dreigen;

Feit 2 meer subsidiair: in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 07 november 2010 heeft geprobeerd [aangever 2] en/of [aangever 1] en/of [aangever 3] te dwingen een geldbedrag te betalen;

Feit 3: op 27 september 2010 van [aangever 1] een telefoon heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat zij ten aanzien van feit 2 subsidiair ontvankelijk dient te worden verklaard. Dit ondanks het gegeven dat ten aanzien van [aangever 2] en [aangever 3] feitelijk niet voldaan is aan het klachtvereiste.

De officier van justitie heeft hiervoor aangevoerd dat het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit een klachtdelict betreft en dat het Openbaar Ministerie niet tot vervolging overgaat anders dan na een klacht. In de zaken van [aangever 2] en [aangever 3] blijkt ‘slechts’ van aangiften. De officier van justitie stelt dat uit deze aangiften blijkt dat aangevers met het doen van aangifte de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden. Zo blijkt dat [aangever 2] tijdens het doen van aangifte te kennen heeft gegeven schade op de verdachte te willen verhalen, dat hij bericht wenst te ontvangen van afdoening en zich ter zitting wenst te voegen. De aangever [aangever 2] heeft zich ook daadwerkelijk als benadeelde partij gevoegd en is ter zitting verschenen. [aangever 3] heeft in navolging van de klacht van [aangever 1] en de aangifte van [aangever 2] aangifte gedaan en heeft zich als benadeelde partij in het proces gevoegd en is ter zitting verschenen.

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken nu er niet voldaan is aan het klachtvereiste.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard indien niet is voldaan aan het klachtvereiste en legt het standpunt van de verdediging in die zin ook uit. De rechtbank constateert dat een ‘formele’ klacht van [aangever 2] en [aangever 3] ontbreekt. [aangever 2] heeft aangifte tegen [verdachte] gedaan en heeft daarin te kennen gegeven dat hij zich als benadeelde partij wenst te voegen. Voorts heeft hij een vordering benadeelde partij ingediend en hij heeft een schriftelijke slachtofferverklaring overgelegd met het verzoek die ter terechtzitting voor te lezen. [aangever 3] is op 20 januari 2012 als getuige gehoord. Zij heeft destijds te kennen gegeven dat zij eerder al diverse malen naar de politie waren gegaan om aangifte tegen [verdachte] te doen. Verder heeft ook [aangever 3] een vordering benadeelde partij ingediend en heeft zij een schriftelijke slachtofferverklaring overgelegd met het verzoek die ter terechtzitting voor te lezen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de aangifte van [aangever 2], de getuigenverklaring van [aangever 3] en het gegeven dat zij zich als benadeelde partijen hebben gevoegd, in onderlinge samenhang bezien, onmiskenbaar blijkt dat zij de bedoeling hadden dat verdachte vervolgd zou worden, waarmee naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate is voldaan aan (de feitelijke betekenis van) het klachtvereiste als omschreven in artikel 318, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.

Hieruit volgt dat de officier van justitie voor wat betreft alle ten laste gelegde feiten ontvankelijk in haar vervolging is.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 heeft begaan. Wat betreft feit 1 baseert zij zich daarbij op de aangifte van [aangever 1], de verklaring van [aangever 3], de e-mails zoals door [aangever 1] bij haar aangifte zijn overgelegd alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting. De officier van justitie vordert vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 primair. Hiervoor voert zij aan dat het in deze kwestie niet ging om het afpersen. De officier van justitie acht het subsidiaire onder feit 2 wel wettig en overtuigend te bewijzen. Door te dreigen met het openbaar maken van een geheim, te weten een naaktfoto van [aangever 1], heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan afdreiging. De officier van justitie baseert dit op basis van de verklaring [aangever 1] en haar ouders. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte aangaande het tenlastegelegde onder feit 2 onbetrouwbaar, nu reeds uit de e-mails blijkt dat verdachte de waarheid niet spreekt. De verklaringen van [aangever 1] en haar ouders acht de officier van justitie wel betrouwbaar. Zij acht het onaannemelijk dat het verhaal door hen verzonnen is, omdat zij zichzelf juist door dit verhaal te schande maken bij de familie. Indien er geen veroordeling, vanwege het niet voldoen aan het klachtvereiste, kan volgen is er volgens de officier van justitie voor de dwang, zoals onder feit 2 meer subsidiair ten laste gelegd voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voor het tenlastegelegde onder feit 3 is volgens de officier van justitie voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij verwijst naar de verklaring van aangeefster, die wordt ondersteund door haar twee klasgenoten. Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting bekend op dat moment aldaar aanwezig te zijn geweest, in het bijzijn van een meisje en reed hij in een rode auto. De officier van justitie acht het ongeloofwaardig dat [aangever 1] met hem op de bewuste plek zou hebben afgesproken, zoals door verdachte ter terechtzitting is verklaard. Dit op grond van de inhoud van de met S, R en Q gecodeerde e-mails.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen en wijst op de voor belaging vereiste wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk. Om die te kunnen vaststellen moet er sprake zijn van een zekere indringendheid, duur en frequentie en gezien de gedragingen van verdachte is daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte is slechts langs het huis gereden om met de ouders te praten. Gezien de data van de e-mails blijkt van een kortere periode dan ten laste gelegd en nu er 23 dagen contact per e-mail is geweest kan niet worden gesproken van een hoge frequentie. Daarnaast betreffen de e-mails, die door verdachte zijn gezonden, een reactie op eerdere berichten van aangeefster. Niet is uit te sluiten dat aangeefster ook op andere wijze zelf contact zocht met verdachte. De inhoud van de e-mails is weliswaar niet fraai, maar houdt geen belaging in en vrijspraak voor feit 1 dient dan ook te volgen, aldus de verdediging.

De verdediging is verder van mening dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. Verdachte ontkent dat hij beeldmateriaal van aangeefster online heeft gezet. De verklaringen van aangevers komen allemaal uit één bron en bij hun betrouwbaarheid dienen vraagtekens te worden geplaatst. Verder worden de verklaringen van aangevers niet onderbouwd met stukken. Er bevindt zich in het dossier geen bewijs van sms-verkeer en/of van een Facebookpagina.

Ten slotte dient verdachte volgens de verdediging ook van het onder feit 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Verdachte is weliswaar op de bewuste dag ter plekke geweest, maar hij ontkent de telefoon te hebben gestolen. De getuigen zijn vriendinnen van aangeefster. Er is te weinig wettig, maar vooral te weinig overtuigend bewijs om tot een veroordeling te kunnen komen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1, feit 2 subsidiair en feit 3 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Met betrekking tot feit 1 (belaging)

Het slachtoffer [aangever 1] heeft op 15 november 2010 aangifte gedaan van onder meer belaging. Zij verklaarde dat zij op 17 mei 2010 een relatie kreeg met [verdachte] en dat die relatie heeft geduurd tot 16 augustus 2010. Nadat zij de relatie had verbroken is [verdachte] haar blijven lastig vallen door haar onder meer diverse e-mails te sturen, terwijl zij hem meerdere keren heeft gevraagd om te stoppen met haar lastig te vallen. Zij heeft alle e-mails (45 pagina’s) uitgeprint en meegenomen naar het verhoor en overgelegd. Zij verklaarde verder dat zij een DVD heeft waarop te zien is dat [verdachte] voor haar huis loopt. Hij rijdt dan over de [adres] te Utrecht en een paar keer voorbij haar woning. Door haar zo te stalken dwong [verdachte] haar om hem geld te geven anders zou hij maar blijven doorgaan met stalken. Door het stalken kan zij niet meer rustig slapen of over straat lopen nu zij bang is dat [verdachte] haar of haar familie iets zal aandoen.

Dat aangeefster door haar ex-vriend werd lastiggevallen met e-mails wordt bevestigd door getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. [getuige 1] verklaarde dat aangeefster haar aan het begin van het schooljaar had verteld dat zij werd lastig gevallen door een jongen genaamd [naam] afkomstig uit Den Haag. Zij wist dat aangeefster haar had verteld dat die jongen haar bedreigde met e-mailtjes. [getuige 2] verklaarde dat zij een man, van wie aangeefster had gezegd dat hij haar ex-vriendje [naam] was, had horen zeggen tegen aangeefster “Bel wie je wilt bellen, je bent nog lang niet van mij af. Ik heb al die mailtjes nog”.

In het dossier bevindt zich een verzameling uitdraaien van e-mails, verzonden in de periode 5 september 2010 tot en met 7 november 2010 en verzonden vanaf het adres [naam] naar [naam]. De e-mails bevatten onder meer de navolgende teksten:

- "Achterlijke, ik heb zo veel van je gehouden. Moge Allah je verdoemen, iemand

zoals ik kun je niet meer vinden, je bent echt een mongool."

- "Ze mogen de kut van degene die medelijden met jou heeft, denk je dat ik nog grapjes maak. Het is nu te laat, bid maar tot Allah, misschien helpt dat nog. Was het nog lekker vanmiddag, gek alsof ik helemaal niet weet waar je mee bezig bent met je zogenaamde dat je zaterdag aan het werken was, je was gewoon thuis, je had je rode trui aan met blauwe broek, hoer, ik neuk je gezicht. Je hebt nog niet meegemaakt wat pijn lijden is."

- "Wie een pooier is gaan we zien, ok? Denk je er nooit aan dat als je gelukkig gaat worden, dat ik het voor je ga verpesten. Net als zaterdag sukkel ga je naar hem toe. Je moet met me trouwen kanker sukkel."

- "dat heb je zelf veroorzaakt. Ik wacht nog steeds op je oom, laat hem maar komen, wat jij gedaan hebt, krijg je van mij terug, meer niet, minder niet."

- "Ik ga jou nog spreken, je wilt persé dat ik je hele kanker leven verpest. Ze mogen

de kont neuken van degene die bang is voor jou, die bang is voor je oom (van moederskant). Het is genoeg voor mij als jij maar pijn lijdt. Wacht maar beetje bij beetje hopelijk reageer je voor jezelf. Je zult reageren als je nog naar school wilt gaan, als je wilt, mag je ook niet reageren, weet ik al genoeg."

- "Ik zou in geen honderd jaar gedacht hebben dat ik zo zou worden, dat ik zoveel om je zou geven. Maar ik zweer het je. Ik ben echt blij dat ik jou kanker vieze kanker gezicht van je heb gezien. Wat je in het echt bent is een kanker tering kanker hoer, dat je gewoon bent. Ik neuk je kont. Ik hoop dat je van liefde verstoken blijft, vieze hoer."

- "Je moet niet denken dat ik na al deze bullshit van jou dat ik nog steeds sta te springen om met jou een relatie te hebben. Maar je moet niet vergeten dat er niet op mijn voorhoofd staat sukkel of zo. Je wilt persé dat ik weer kom en dat ik foto laat zien dat je bij Bergen op Zoom was en dat ik persé weer die gesprekken van msn laat zien, dat ik het uit gemaakt had toen we op vakantie waren. Wat wil je, kies maar. Als je wilt, kan ik komen om alles te laten zien. Als je wilt gewoon normaal als twee fatsoenlijke mensen praten. Kies

maar."

- "Ik zie pas vandaag dat je die 500,- Euro hebt teruggestort. Ik heb alleen maar om jouw liefde gevraagd en dat geld ga ik teruggeven. Ik wil dat geld niet. En ik wil nog steeds met je praten. Als dit slecht gaat aflopen, dan zij het zo. Zo niet dan wil ik met je praten, ook al is het één keer."

- "waarom heb je mij dit aangedaan. Ik denk de hele dag aan niets anders dan jou.

waarom, wat heb ik jou aangedaan, dat jij mij dit aandoet. Je hebt een spelletje met mij gespeeld. Vond je het zo leuk om spelletjes met mannen te spelen? Dat jij het meegemaakt hebt, hoefde ik het ook niet mee te maken. Echt, ik meen het. Ik begrijp veel dingen van je niet. Ik kan het niet bevatten, of ben ik dom of zoiets? Ik wilde één keer met je praten, op een normale manier. Ook dat lukte niet en zal ook niet lukken. Als ik voortaan een mail stuur, moet je het wissen zonder het te lezen. Een mail van een sukkel als ik kan niet gelezen

worden."

- 'Wil je nog steeds niet met mij praten?"

- "Net zoals jij geen maling aan mij hebt, heb ik ook geen maling meer aan jou. Als je wilt, mag je naar de politie stappen, dat je wordt bedreigd, of niet, doe wat je niet laten kunt, jij bent degene die spijt zal hebben, hier ben ik 100% zeker van."

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever 1], na het verbreken van hun relatie, meerdere e-mails vanaf zijn adres [naam] gezonden heeft. Verder verklaarde hij dat hij de verzameling e-mails, zoals toegevoegd aan het dossier, herkent, dat die van zijn hand zijn en dat hij zich kan voorstellen dat de inhoud daarvan de ontvanger angst kan aanjagen. Tenslotte verklaarde hij dat hij ook wel [naam] wordt genoemd.

Verdachte heeft tijdens het verhoor op 4 mei 2011 verklaard dat hij woont aan de [adres] te [woonplaats] en daar ook ten tijde van de relatie met [aangever 1] woonde.

Overige bewijsoverwegingen

Uit vorenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er sprake is van een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster [aangever 1]. Verdachte heeft bekend dat hij de gewraakte e-mails aan aangeefster heeft verzonden, dit nadat de relatie met haar verbroken was. Alhoewel verdachte ontkent dat hij met het verzenden van de e-mails wilde bereiken dat [aangever 1] iets zou doen, niet zou doen of zou dulden, dan wel haar vrees aan te jagen is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor belaging. Gezien de inhoud van de e-mails moet verdachte hebben geweten dat [aangever 1] geen contact meer met hem wenste. Dat blijkt onder meer uit de e-mail met code Q1 van 5 september 2010, waarin hij schreef: “Zeg mij iets alsjeblieft ….. je kan tenminste ergens op reageren”. Ook uit de strekking van de overige e-mails blijkt dat verdachte naarstig is blijven proberen contact te krijgen met [aangever 1], maar dat zij daarop niet ingaat. Ondanks het gegeven dat [aangever 1] geen contact meer met hem wilde is hij door het met grote regelmaat zenden van e-mails [aangever 1] blijven benaderen. De inhoud van de e-mails is bedreigend en beledigend van toon, hetgeen op aangeefster een grote impact heeft gehad. Buiten de aangifte van [aangever 1] en de inhoud van de e-mails wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door de verklaring van haar vriendinnen die als getuigen zijn gehoord.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar oordeel dat er geen sprake is van de voor belaging vereiste stelselmatigheid. In een periode van 5 september 2010 tot 7 november 2010 heeft verdachte immers, in ieder geval, 43 e-mails naar aangeefster gezonden, terwijl hij wist dat zij geen contact meer wenste. De rechtbank stelt verder vast dat het grote aantal e-mailberichten een grote impact heeft gehad op het persoonlijk leven van [aangever 1]. Buiten het verzenden van deze e-mails heeft verdachte ook nog op andere wijze geprobeerd contact te zoeken met [aangever 1]. Zo heeft hij in die periode van het verzenden van de e-mails ook voorbij de woning van aangeefster gelopen en gereden. Aangeefster heeft hierover verklaard en de inhoud van de e-mails (met name e-mail met code C) ondersteunt de verklaring van aangeefster op dit vlak.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de periode waarin de e-mails verzonden zijn korter is dan de ten laste gelegde periode. Uit de verzameling e-mails blijkt dat het de periode van 5 september 2010 tot en met 7 november 2010 betreft.

Gelet op de frequentie, de aard en de duur van de toenaderingspogingen van verdachte en de hardnekkigheid waarmee verdachte [aangever 1] - al dan niet op dreigende toon - dwong tot dat contact, is er sprake van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1]. Door zo te handelen heeft verdachte haar belaagd.

Met betrekking tot feit 2: poging tot afpersing dan wel poging tot afdreiging dan wel poging tot dwang

Vrijspraak van het onder feit 2 primair tenlastegelegde

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de poging tot afpersing niet bewezen zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt immers onvoldoende dat verdachte heeft gepoogd door geweld of door dreiging met geweld aangevers te dwingen tot afgifte van een geldbedrag.

Partiële vrijspraak feit 2 subsidiair

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte [aangever 1] heeft vastgepakt / beetgepakt en haar in de auto heeft geduwd, toen hij haar heeft meegenomen naar zijn huis alwaar hij haar (naakt-) beelden heeft getoond van hem, haar en/of een onbekend gebleven naakte vrouw.

De enkele verklaring van aangeefster op dit punt, die niet wordt ondersteund door enig ander bewijs, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen komen tot een wettig bewijs dat verdachte bovengenoemde feitelijke handelingen heeft verricht en zij zal verdachte van dit deel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.

Met betrekking tot feit 2 subsidiair voorts

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 subidiair tenlastegelegde en wel op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Het slachtoffer [aangever 1] heeft 29 december 2010 klacht gedaan terzake afdreiging. Zij verklaarde dat [verdachte] tegen haar had verteld dat hij beeldmateriaal van hun beiden in de slaapkamer had. Tijdens het doen van haar aangifte verklaarde zij dat [verdachte] haar had gezegd dat hij naaktfoto’s van haar heeft en dat hij dreigde die foto’s op het internet te plaatsen en dat hij die foto’s aan haar familie zou tonen. Zij verklaarde verder dat zij in de maand september van haar moeder (de rechtbank begrijpt dat hiermee [aangever 3] wordt bedoeld) heeft gehoord dat [verdachte] tegen haar had gezegd dat hij over beeldmateriaal beschikte waarop [aangever 1] geheel naakt te zien was en dat hij gezegd zou hebben dat hij binnen een uur € 100.000,- van hen eiste. Als dat bedrag niet betaald zou worden zouden de beelden op het internet gezet worden. Verder heeft zij van haar moeder gehoord dat [verdachte] tegen [aangever 3] heeft gezegd “dat wij een huis hadden met een waarde van tweehonderdvijftigduizend euro. Dat wij een aanvullende hypotheek moesten nemen van honderdduizend euro en het geld aan hem moesten geven”. [aangever 1] verklaarde verder dat zij diezelfde avond waarop het telefoongesprek met haar moeder was gevoerd op Facebook een naaktfoto van zichzelf zag staan. Op 3 september 2010 heeft [verdachte] haar telefonisch benaderd en gezegd “Je weet dat ik beeldmateriaal heb waar jij naakt op staat en ik ga je voor schut zetten bij de familie als je niet betaalt”.

[aangever 2] heeft op 6 september 2010 namens zichzelf en zijn dochter, [aangever 1], aangifte van chantage / afpersing gedaan. Hij verklaarde dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat wordt bedoeld de verdachte [verdachte]) op 30 augustus 2010 bij hem thuis kwam en hem vroeg of hij met [aangever 1] mocht trouwen. Hij hoorde [verdachte] zeggen dat hij naaktfoto’s van [aangever 1] had en dat hij ook seks met [aangever 1] had gehad, waarbij er tevens naaktfoto’s van haar zouden zijn gemaakt. Verder verklaarde [aangever 2] dat zijn vrouw op 5 september 2010 op de site van haar dochter [aangever 1] zag dat er drie naaktfoto’s van [aangever 1] waren geplaatst. Zijn vrouw heeft die avond gebeld met [verdachte] en op 6 september 2010 heeft zijn vrouw van [verdachte] een sms ontvangen met de tekst: “Ik wil niet bij jullie langskomen. Ik heb geen kind. Je hebt eerst gezegd dat ik wel mag trouwen met je dochter en nu weer niet. Nu is voor mij geld het belangrijkste, verder niets anders. Doe maar wat je kan. Het kan me niet schelen wat er ook gebeurt.” De vader heeft verder verklaard dat [verdachte] diezelfde nacht zijn vrouw heeft gebeld en heeft gezegd heeft dat hij geld wilde ontvangen voor het verwijderen van de foto’s. Zijn vrouw heeft hem verteld dat [verdachte] eerder al om een bedrag van € 100.000,- had gevraagd.

[aangever 3] is op 20 januari 2012 als getuige gehoord. Zij verklaarde dat [verdachte] tegen haar gezegd heeft “Als je me niet wilt geloven dat ik met jouw dochter samen ben, dan heb ik bewijs. Dat bewijs ik met foto’s en films waarop te zien is dat wij samen naar bed geweest zijn”. Verder verklaarde zij dat ze in de maand augustus van 2010 meer dan tien keer gebeld is door [verdachte] en dat hij in een van die gesprekken gezegd heeft dat als zij hem niet wilde geloven zij maar achter de computer moest gaan zitten en in Facebook moest gaan kijken. Toen zag zij dat er foto’s van haar dochter op Facebook stonden, waarop te zien was dat haar dochter [aangever 1] bijna geheel naakt was. In augustus of begin september 2010 ontving zij van [verdachte] via MSN dezelfde naaktfoto’s van haar dochter [aangever 1], met daarbij een tekst inhoudende dat hij daarmee bewees dat hij die foto’s wel had. Later is zij gebeld door [verdachte] en hij zei dat hij alles voor geld deed en hij wilde nu € 100.000,- ontvangen. Zij verklaarde verder dat hij meer dan tien keer, via telefoon en sms, om € 100.000,- heeft gevraagd. Iedere keer als [verdachte] om geld vroeg dreigde hij dat hij nog meer naaktfoto’s van [aangever 1] had. Als zij hem dat geld niet zouden geven dan zou hij die foto’s op Facebook zetten en ook op andere Nederlandse en Turkse kanalen. Verder verklaarde zij dat [verdachte] tegen haar zei dat hij alles van hen wist en dat hij naar de bank kon gaan en op naam van haar dochter [aangever 1] geld kon opnemen. Verder zei hij dat wij een huis hebben met een waarde van € 250.000,- en dat ik ook een lening van € 100.000,- kon nemen en dat geld aan hem moest geven. Toen zij hem zei dat hij geen cent kreeg heeft [verdachte] tegen haar gezegd dat zij wel zouden merken wat hij zou gaan doen.

Verdachte heeft tijdens het verhoor op 4 mei 2011 verklaard dat hij woont aan de [adres] te [woonplaats] en daar ook ten tijde van de relatie met [aangever 1] woonde. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat de sms waarover [aangever 2] spreekt in zijn aangifte, waarin verdachte te kennen geeft dat geld nu voor hem het belangrijkste is, door hem, verdachte, is verstuurd.

Overige bewijsoverwegingen

Uit vorenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 318, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft, nadat zijn relatie met [aangever 1] was beëindigd, geprobeerd toestemming van haar vader te krijgen om met haar te trouwen. Toen dat niet lukte heeft verdachte gemeend zijn ex-vriendin en haar familie te kunnen afdreigen. Hij heeft hun verteld dat hij naaktafbeeldingen van [aangever 1] had die hij slechts in ruil voor een geldbedrag zou willen afgeven. In verband hiermee heeft hij meerdere malen contact gezocht met [aangever 3] en heeft haar een bedrag genoemd dat hij in ruil voor de afbeeldingen wenst te krijgen en indien niet wordt betaald zou hij de afbeeldingen op internet plaatsen, hetgeen hij in ieder geval ook een keer heeft gedaan. Deze naaktafbeeldingen, die naar hun aard al niet openbaar moeten worden gemaakt, moeten worden verstaan onder een geheim. Dit nu, voor zover [aangever 1] en haar ouders al op de hoogte waren van het bestaan van deze afbeeldingen, zij die ook verborgen wilden houden en niet geopenbaard wilden zien.

Weliswaar heeft verdachte ter terechtzitting ontkend zijn ex-vriendin en haar ouders te hebben afgedreigd en voorts verklaard geen naaktafbeeldingen van [aangever 1] te hebben, maar de rechtbank acht die verklaring, gezien de inhoud van de verklaringen van [aangever 1] en haar ouders in onderlinge samenhang bezien, alsmede gezien de inhoud en strekking van de e-mails en het sms-bericht niet geloofwaardig. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verklaringen van [aangever 1] en haar ouders op meerdere punten steun vinden in de door verdachte verzonden e-mails en in het sms-bericht, dit in tegenstelling tot de verklaringen van verdachte. Zo heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij door de familie van [aangever 1] onder druk is gezet om met [aangever 1] te trouwen, terwijl uit zijn e-mails blijkt dat hij degene is die aandringt op een huwelijk met haar.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door te handelen zoals hierboven vastgesteld zich schuldig heeft gemaakt aan afdreiging van [aangever 2], [aangever 1] en [aangever 3].

Met betrekking tot feit 3 (diefstal met geweld)

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde en wel op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Het slachtoffer [aangever 1] heeft op 27 september 2010 aangifte gedaan van diefstal met geweld. Zij verklaarde dat zij op 27 september 2010 samen met twee klasgenoten op straat liep en zij [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat hier wordt bedoeld [verdachte]) zag. Toen zij hem zag liep zij van hem weg en pakte haar telefoon om de politie te bellen. Gelijk hierop voelde zij dat ze in haar rug werd geduwd en toen zij zich omdraaide zag zij [verdachte] staan. Toen zij probeerde verder te lopen, pakte hij haar met kracht bij haar beide armen vast en hij pakte vervolgens haar telefoon uit haar hand. Toen zag zij dat hij zijn linkervuist naar achteren bewoog en met kracht tegen haar kin sloeg. Door de klap voelde zij pijn aan haar tanden.

De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De getuige [getuige 1] verklaarde dat zij op 27 september 2010 samen met [aangever 1] en [getuige 2] op straat liep en zij zag dat een jongen achter [aangever 1] aanliep en haar vastpakte en heen en weer sleurde. Zij verklaarde verder dat zij zag dat de jongen de telefoon uit handen van [aangever 1] pakte en haar een klap in haar gezicht gaf. Zij zag dat [aangever 1] geraakt was op haar kaak en dat zij, kennelijk van de pijn, met haar handen naar haar gezicht greep. Vervolgens zag zij de jongen wegrennen.

De getuige [getuige 3] verklaarde dat zij op 27 september 2010 samen met [aangever 1] en [getuige 2] op straat liep en zag dat [naam] (de rechtbank begrijpt dat hiermee [verdachte] wordt bedoeld) de telefoon van [aangever 1] afpakte en dat zij [aangever 1] hoorde zeggen dat ze de telefoon terug wilde. Vervolgens zag zij dat [aangever 1] op de rechterkant van haar gezicht sloeg. Zij zag het hoofd van [aangever 1] naar links achter bewegen en zag dat [aangever 1] met haar hand richting haar gezicht ging.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op enig moment een afspraak had met [aangever 1] in Utrecht en dat ze elkaar op straat hebben getroffen. Volgens verdachte is het mogelijk dat dit op 27 september 2010 was.

Nadere bewijsoverwegingen

Uit vorenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte [aangever 1] op 27 september 2010 in Utrecht op straat heeft getroffen en hij bij dat treffen haar telefoon heeft afgepakt en haar daarbij een klap in het gezicht heeft gegeven. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het elkaar treffen op 27 september 2010 op verzoek van [aangever 1] was en dat verdachte geen geweld tegen haar heeft gebruikt acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dit nu zowel [aangever 1] als haar twee klasgenoten hebben verklaard dat [aangever 1] probeerde weg te komen van verdachte, dat hij haar heeft vastgepakt, een klap heeft gegeven en haar telefoon heeft weggenomen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 5 september 2010 tot en met 07 november 2010 te Utrecht en/of te 's Gravenhage, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1], met het oogmerk die [aangever 1] te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen, door

- eenmaal vóór de woning waar die [aangever 1] woonde te lopen en/of

- meermalen vóórbij/(vóór)langs die woning waar die [aangever 1] woonde in een auto te rijden en/of

- die [aangever 1] onder andere de volgende digitale berichten (deels in de Turkse en deels in de Nederlandse taal) te versturen:

"Achterlijke, ik heb zo veel van je gehouden. Moge Allah je verdoemen, iemand

zoals ik kun je niet meer vinden, je bent echt een mongool." en/of "Ze mogen

de kut van degene die medelijden met jou heeft, denk je dat ik nog grapjes

maak. Het is nu te laat, bid maar tot Allah, misschien helpt dat nog.

Was het nog lekker vanmiddag, gek alsof ik helemaal niet weet waar je mee

bezig bent met je zogenaamde dat je zaterdag aan het werken was, je was

gewoon thuis, je had je rode trui aan met blauwe broek, hoer, ik neuk je

gezicht. Je hebt nog niet meegemaakt wat pijn lijden is." en/of

"Wie een pooier is gaan we zien, ok? Denk je er nooit aan dat als je gelukkig

gaat worden, dat ik het voor je ga verpesten. Net als zaterdag sukkel ga je

naar hem toe. Je moet met me trouwen kanker sukkel." en/of "dat heb je zelf

veroorzaakt. Ik wacht nog steeds op je oom, laat hem maar komen, wat jij

gedaan hebt, krijg je van mij terug, meer niet, minder niet." en/of "Ik ga

jou nog spreken, je wilt persé dat ik je hele kanker leven verpest. Ze mogen

de kont neuken van degene die bang is voor jou, die bang is voor je oom (van

moederskant). Het is genoeg voor mij als jij maar pijn lijdt. Wacht maar

beetje bij beetje hopelijk reageer je voor jezelf. Je zult reageren als je nog

naar school wilt gaan, als je wilt, mag je ook niet reageren, weet ik al

genoeg." en/of "Ik zou in geen honderd jaar gedacht hebben dat ik zo zou

worden, dat ik zoveel om je zou geven. Maar ik zweer het je. Ik ben echt blij

dat ik jou kanker vieze kanker gezicht van je heb gezien. Wat je in het echt

bent is een kanker tering kanker hoer, dat je gewoon bent. Ik neuk je kont. Ik

hoop dat je van liefde verstoken blijft, vieze hoer." en/of "Je moet niet

denken dat ik na al deze bullshit van jou dat ik nog steeds sta te springen

ommet jou een relatie te hebben. Maar je moet niet vergeten dat er niet op

mijn voorhoofd staat sukkel of zo. Je wilt persé dat ik weer kom en dat ik

foto laat zien dat je bij Bergen op Zoom was en dat ik persé weer die

gesprekken van msn laat zien, dat ik het uit gemaakt had toen we op vakantie

waren.Wat wil je, kies maar. Als je wilt, kan ik komen om alles te laten

zien. Als je wilt gewoon normaal als twee fatsoenlijke mensen praten. Kies

maar." en/of "Ik zie pas vandaag dat je die 500,- Euro hebt teruggestort. Ik

heb alleen maar om jouw liefde gevraagd en dat geld ga ik teruggeven. Ik wil

dat geld niet.

En ik wil nog steeds met je praten. Als dit slecht gaat aflopen, dan zij het

zo. Zo niet dan wil ik met je praten, ook al is het één keer." en/of "waarom

heb je mij dit aangedaan. Ik denk de hele dag aan niets anders dan jou.

waarom, wat heb ik jou aangedaan, dat jij mij dit aandoet. Je hebt een

spelletje met mij gespeeld. Vond je het zo leuk om spelletjes met mannen te

spelen? Dat jij het meegemaakt hebt, hoefde ik het ook niet mee te maken.

Echt, ik meen het. Ik begrijp veel dingen van je niet. Ik kan het niet

bevatten, of ben ik dom of zoiets?

Ik wilde één keer met je praten, op een normale manier. Ook dat lukte niet en

zal ook niet lukken. Als ik voortaan een mail stuur, moet je het wissen

zonder het te lezen. Een mail van een sukkel als ik kan niet gelezen

worden." en/of 'Wil je nog steeds niet met mij praten?" en/of "Net zoals jij

geen maling aan mij hebt, heb ik ook geen maling meer aan jou. Als je wilt,

mag je naar de politie stappen, dat je wordt bedreigd, of niet, doe wat je

niet laten kunt, jij bent degene die spijt zal hebben, hier ben ik 100%

zeker van.", althans soortgelijke woorden van dreigende aard of strekking;

2. subsidiair

op tijdstippen in de periode van 16 augustus 2010 tot en met 07 november 2010 te Utrecht en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaarmaking van een geheim, [aangever 2] en [aangever 1] en [aangever 3] te

dwingen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan

[aangever 2] en/of die [aangever 1] en/of die [aangever 3] toebehoort of tot het aangaan van een schuld,

- tegen die [aangever 2] heeft gezegd dat hij, verdachte, met [aangever 1] seks had gehad en van die [aangever 1] naaktfoto's heeft gemaakt en/of

- tegen die [aangever 3] telefonisch heeft medegedeeld dat hij verdachte in het bezit was van foto's of beelden waarop haar dochter [aangever 1] naakt te zien was en dat haar dochter [aangever 1] en hij verdachte met elkaar seks hadden en dat hij verdachte 100.000 Euro van die [aangever 3] eiste en bij niet-betaling van die 100.000 Euro hij, verdachte, een/de foto van die [aangever 1] op Facebook en/of op het internet zou publiceren en/of

- telefonisch en in een smsbericht heeft medegedeeld aan die [aangever 3] dat hij, verdachte, een bedrag van 100.000,- Euro wilde ontvangen en/of

- een smsbericht naar het mobiele telefoonnummer welk bij die [aangever 3] in gebruik was heeft gestuurd en welk smsbericht als volgt luidde: "Ik wil niet bij jullie langskomen. Ik ben geen kind. je hebt eerst gezegd dat ik wel mag trouwen met je dochter en nu weer niet. Nu is voor mij het geld het belangrijkste, verder niets anders. Doe maar wat je kan. Het kan me niet schele wat er ook gebeurt." althans soortgelijke woorden van dreigende aard of strekking en/of

- naar het mobiele telefoonnummer in gebruik bij die [aangever 3] heeft gebeld en die [aangever 3] telefonisch het volgende heeft medegedeeld: "Ik wil geld ontvangen voor het verwijderen van de foto's -op welke foto's die [aangever 1] naakt afgebeeld stond- op facebook. U heeft een huis van 200.000 Euro waardoor/en kunt een lening afsluiten om mij te betalen. Ik kan ook op naam van uw dochter geld opnemen." althans soortgelijke woorden van dreigende aard of strekking en/of

- die [aangever 1] telefonisch de volgende woorden heeft toegevoegd: "Je weet dat ik beeldmateriaal heb waar jij naakt op staat en ik ga je voor schut zetten bij de familie als je niet betaald.", althans soortgelijke woorden van dreigende aard of strekking,

terwijl de uitvoering daarvan niet is voltooid;

3.

op 27 september 2010 te Utrecht, op de openbare weg aldaar, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon toebehorende aan [aangever 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestonden uit het

- duwen in/tegen de rug van die [aangever 1] en

- vastpakken van de armen van die [aangever 1] en

- vastpakken/beetpakken van die [aangever 1] en

- stompen of slaan tegen het hoofd van die [aangever 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: belaging

Feit 2: subsidiair: poging tot afdreiging, meermalen gepleegd

Feit 3: diefstal voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de hem tenlastegelegde feiten en heeft derhalve geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Ten eerste de belaging van zijn ex-vriendin [aangever 1]. Voorts het afdreigen van die [aangever 1] en haar ouders. Verdachte heeft zich getoond als een afgewezen minnaar die kennelijk niet heeft kunnen verkroppen dat zijn relatie door zijn vriendin werd uitgemaakt. Omdat hij boos was op zijn ex-vriendin heeft hij door middel van het afdreigen van zijn ex-vriendin en haar ouders geprobeerd geld van hen te krijgen. Daarnaast is hij [aangever 1] stelselmatig blijven lastig vallen terwijl hij wist dat zij geen contact meer met hem wilde hebben. Uiteindelijk heeft hij zijn ex-vriendin ook overdag, op straat in het bijzijn van anderen met geweld van haar telefoon bestolen. Door aldus te handelen heeft verdachte in het leven van [aangever 1] en haar familie onuitwisbare sporen nagelaten. Verdachte heeft de familie in een situatie gebracht die hen niet alleen angstig heeft gemaakt, maar hen ook zeer beschaamd heeft doen voelen voor de buitenwereld en hun directe familie. Door dit handelen van verdachte is voor hen een normaal functioneren (welhaast) onmogelijk geworden. Nog immer, zo is gebleken uit de ter zitting voorgehouden schriftelijke slachtofferverklaringen, kampen [aangever 1] en haar ouders met de gevolgen van verdachtes handelen.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2012 is verdachte eerder veroordeeld wegens geweldsmisdrijven. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden de bewezenverklaarde feiten te plegen.

Voorts neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij, blijkens zijn houding ter terechtzitting, kennelijk nog steeds niet het inzicht heeft verkregen dat zijn handelen onjuist is en evenmin blijk geeft van enig inzicht in de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de feiten, waarvoor verdachte wordt veroordeeld, in beginsel een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank ziet in dit geval echter redenen om van dit beginsel af te wijken.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met enerzijds de intensiteit, de duur en de frequentie waarmee verdachte [aangever 1] heeft bejegend en vervolgens haar en haar ouders heeft afgedreigd, en anderzijds met het gegeven dat de periode waarin de feiten gepleegd zijn al weer geruime tijd is verstreken en het niet aan verdachte is te wijten dat de behandeling van deze zaak zo lang op zich heeft laten wachten. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat verdachte, na het verstrijken van de ten laste gelegde periode, aangevers lastig is blijven vallen en hij zich sindsdien nog schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. Na afloop van de onderhavige feiten is hij terzake enige overtredingen veroordeeld en de rechtbank zal artikel 63 Wetboek van Strafrecht derhalve toepassen.

De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden, zodat de rechtbank de officier van justitie zal volgen in haar vordering.

7. De vordering van de benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] volledig dienen te worden toegewezen tot een bedrag van

€ 2.750,20,- respectievelijk € 1.000,- en € 1.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren nu verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen. Dit nu verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde feiten en de benadeelde partijen ten gevolge daarvan schade hebben geleden. Het verzoek van de raadvrouw de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren zal dan ook worden afgewezen.

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.750,20 voor feit 1, 2 en 3, waarvan € 2.500,- ter zake van immateriële schade en € 250,20 terzake van materiële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [aangever 1] door de bewezen verklaarde feiten 1, 2 subsidiair en 3 rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is wat betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet betwist zodat de vordering geheel zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij [aangever 1] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd.

De benadeelde partijen [aangever 2] respectievelijk [aangever 3] vorderen ieder een schadevergoeding van € 1.000,- voor feit 2, ter zake van immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 3] door het bewezen verklaarde feit 2 subsidiair rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en de rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is wat betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet betwist zodat de vorderingen geheel zullen worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partijen [aangever 2] respectievelijk [aangever 3] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 57, 63, 285b, 312 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 2, primair;

- spreekt verdachte partieel vrij van het tenlastegelegde onder feit 2 subsidiair;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: belaging;

feit 2 subsidiair: poging tot afdreiging, meermalen gepleegd;

Feit 3: diefstal voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

- verklaart verdachte strafbaar.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van

€ 2.750,20, waarvan € 250,20 ter zake van materiële schade en € 2.500,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 2.750,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 37 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van

€ 1.000,-, ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 1.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van

€ 1.000,-, ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], € 1.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. D.A.C. Koster rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2012.