Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4310

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
SBR 11/3841
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ1259, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. 18 omwonende eisers zijn niet-ontvankelijk wegens verzuim om bezwaar te maken. Eén eiseres is wel ontvankelijk. Betreft omgevingsvergunning voor nieuwbouw 18 villa's in Houten-Zuid. Geen strijd met bestemmingsplan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5088

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3841

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2012 in de zaak tussen

[eisers],

allen wonend te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. R.A. van Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder

(gemachtigde: mr. E.C. Ellerman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Dura Vermeer Bouw Houten B.V., te Houten, gemachtigde: mr. D.A. Cleton.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan Dura Vermeer Bouw Houten B.V. (vergunninghoudster) voor het oprichten van achttien villa’s ‘[naam]’ op de percelen [percelen] te [woonplaats].

Bij besluit van 13 oktober 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Van eisers zijn ter zitting verschenen [A], [B], [C] en [D], bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, en tevens door [E], projectleider bij de gemeente Houten.

Vergunninghoudster is ter zitting vertegenwoordigd door de heer H. Gosman, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn achttien omwonenden van de percelen waarvoor de omgevingsvergunning is afgegeven. Zij noemen zich de ‘Bezorgde Burgers Houten’. Deze groep bezit geen rechtspersoonlijkheid. De rechtbank ziet zich - ambtshalve - gesteld voor de vraag of alle eisers ontvankelijk zijn in hun beroep.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens bezwaar te maken. Op grond van artikel 6:13 van de Awb, voor zover relevant, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

Het bezwaarschrift is ingediend door de gemachtigde van eisers, namens de groep ‘Bezorgde Burgers Houten’, die zich laat vertegenwoordigen door [A]. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat het bezwaarschrift is ingediend door alle personen door wie ook het beroep is ingesteld. Vast staat dat [A] in ieder geval in persoon bezwaar heeft gemaakt, zodat zij in beroep ontvangen kan worden. Voor wat betreft de overige eisers is niet komen vast te staan dat zij bezwaar hebben gemaakt. Van de handtekeningenlijst die door eisers ter zitting is overgelegd, is niet aannemelijk geworden dat deze lijst reeds bij het bezwaarschrift is opgesteld en overgelegd. Immers, deze lijst is ongedateerd en in de aanhef ervan is niet vermeld dat degenen op de lijst aan de gemachtigde een expliciete machtiging verlenen om bezwaar te maken tegen het primaire besluit. Verweerder en vergunninghoudster hebben voorts eisers stelling weersproken dat de lijst als onderdeel van het bezwaarschrift was bijgevoegd. Dat de lijst ook in andere procedures wordt gebruikt en geaccepteerd is, maakt dat niet anders nu het voor de toegang tot de rechter bepalend is of tegen ieder afzonderlijk besluit bezwaar is gemaakt. Het moet er daarom voor worden gehouden dat eisers, met uitzondering van [A], hebben verzuimd om bezwaar te maken. Niet gebleken is dat dit verzuim eisers niet zou moeten worden verweten. Uit het voorgaande volgt dat het beroep, voor zover het niet is ingesteld door [A], niet-ontvankelijk is.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Het bouwplan voorziet in het oprichten van achttien villa’s op de percelen [percelen] (de percelen). Aan weerzijden van de percelen zijn de [naam] en de [naam] gelegen. Voor het bouwplan is een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), te noemen de activiteit bouwen. Op de percelen rust ingevolge bestemmingsplan ‘Globaal Bestemmingsplan Houten Vinex (GBHV) de bestemming ‘Woondoeleinden b’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Waterhuishoudkundige doeleinden’. Het bouwplan stemt overeen met het gebruik als woondoeleinden, maar is strijdig met de gebruiksvoorschriften voor de bestemming ‘Waterhuishoudkundige doeleinden’.

3. Op grond van artikel 4, tweede lid, van het GBHV mag op de gronden met de bestemming Woongebied slechts worden gebouwd in overeenstemming met een door verweerder nader uitgewerkt plan, met dien verstande dat verweerder kan toestaan dat gebouwd mag worden voordat een zodanig plan rechtskracht heeft verkregen indien:

a. de op te richten bouwwerken overeenstemmen met dan wel op verantwoorde wijze kunnen worden ingepast in een reeds uitgewerkt plan;

b. gedeputeerde Staten vooraf hebben verklaard, dat zij tegen het verlenen van de bouwvergunning geen bezwaar hebben.

4. Op grond van artikel 4, derde lid, van het GBHV geldt een plicht voor verweerder om de bestemming Woongebied uit te werken.

5. Op 9 april 2002 heeft de gemeenteraad van Houten de 1e partitiële herziening van het GBHV vastgesteld. Daarin is bepaald dat artikel 4, eerste lid, sub a van de planvoorschriften van het GBHV komt te luiden:

“a. de op te richten bouwwerken overeenstemmen met dan wel op verantwoorde wijze kunnen worden ingepast in een ontwerp van een uitwerkingsplan”.

6. Op 14 december 2010 heeft de gemeenteraad van Houten het Wijzigingsplan van het Globaal Bestemmingsplan Houten Vinex ‘Woongebied Oosterlaak-/Rietplas’ vastgesteld. Met dit wijzigingsplan heeft het hele gebied, waarin ook de percelen zijn gelegen, de bestemming ‘Woongebied’ verkregen. Het wijzigingsplan is in werking getreden op 29 april 2011, na afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Op het beroep tegen het wijzigingsplan is nog niet beslist.

7. Op 11 januari 2011 heeft verweerder ingestemd met het ontwerp-uitwerkingsplan GBHV ‘Woongebied Oosterlaak-/Rietplas’en heeft dit ter inzage gelegd van 20 januari tot en met 2 maart 2011. De groep Bezorgde Burgers Houten heeft een zienswijze ingediend over dit ontwerp-uitwerkingsplan. Verweerder heeft het uitwerkingsplan nog niet vastgesteld.

8. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo kent een limitatieve opsomming van gronden om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te weigeren. Dit houdt in dat een omgevingsvergunningaanvraag voor bouwen moet worden geweigerd als niet wordt voldaan aan een van de in dat artikel genoemde weigeringsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend indien aan die toetsingsgronden wordt voldaan. Indien dat laatste het geval is, staat het verweerder, gelet op de dwingende formulering van genoemd artikel, niet vrij om een ruimer toetsingkader te hanteren en zal hij ook aan een belangenafweging niet kunnen toekomen.

Bestemmingsplan

9. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij heeft in twijfel getrokken dat het bouwplan past binnen de grenzen van het wijzigingsplan, dat nog in procedure is. Noch verweerder, noch vergunninghoudster hebben de exacte afmetingen van de locatie en het bouwplan kunnen geven. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat het bouwplan niet past binnen een vastgesteld uitwerkingsplan en dat niet op basis van slechts een uitwerkingsplan met de status ‘ontwerp’ geanticipeerd had mogen worden. Ook was een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten vereist om toepassing te mogen geven aan de anticipatieregeling.

10. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank overweegt dat wijzigings- en uitwerkingsplannen voortvloeien uit bevoegdheden die in bestemmingsplannen kunnen worden opgenomen. Hoewel voor deze plannen aparte totstandkomings- en rechtsbeschermingsprocedures gelden, behoren ze in juridische zin tot het bestemmingsplan waarop ze gebaseerd zijn. Dit is uitdrukkelijk bepaald in artikel 3.6, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Aan een wijzigings- of uitwerkingsplan kan derhalve, als onderdeel van het bestemmingsplan, rechtstreeks worden getoetst.

11. Het wijzigingsplan heeft met de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening rechtskracht verkregen op 29 april 2011. Dit brengt mee dat omgevingsvergunningen op basis van dat wijzigingsplan getoetst moeten worden. In het wijzigingsplan is aan het hele gebied waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, de bestemming Woongebied gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij de voorbereiding uitgegaan van de juiste maten en is correct gemeten. Uit de situatietekening die opgesteld is door Derks Stedenbouw B.V. blijkt dat het bouwplan aan de zuidkant geheel binnen de bestemmingsplangrens (op de tekening aangeduid met een onderbroken lijn) blijft en aan de noordkant daarbuiten valt, maar wel ruimschoots binnen de grens van de wijzigingsbevoegdheid. Hoewel het wijzigingsplan nog niet onherroepelijk is, is niet aannemelijk dat het wijzigingsplan geen stand zal houden. Dat het bouwplan niet zou passen binnen de grenzen van de bestemming Woongebied van het wijzigingsplan, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt.

12. Voorts was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de binnenplanse anticipatieregeling toe te passen en heeft hij daaraan ook op juiste wijze toepassing gegeven. Artikel 4, tweede lid, van het GBHV is immers met de 1e partitiële herziening van het GBHV op 9 juni 2002, zodanig gewijzigd dat ook geanticipeerd mag worden als het bouwplan past binnen een ontwerp van een uitwerkingsplan. Daardoor staat het bouwverbod niet meer aan vergunningverlening in de weg. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan op verantwoorde wijze kan worden ingepast in het ontwerp-uitwerkingsplan. Eiseres heeft op geen enkele wijze haar stelling dat het bouwplan niet passend is, onderbouwd.

Ingevolge artikel 9.1.7 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening is de voorwaarde dat een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten vereist is bij toepassing van de anticipatieregeling, komen te vervallen. De veronderstelling van eiseres dat de voorwaarde nog wel geldt, berust dan ook op een misvatting.

13. Dat in het primaire besluit is vermeld dat de omgevingsvergunning mede is verleend voor de activiteit ‘Planologisch strijdig gebruik’ moet, gelet op verweerders toelichting ter zitting en de overige gedingstukken, als een verschrijving worden aangemerkt, welke in het bestreden besluit is hersteld. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan – waarvan zoals gezegd deel uitmaken het wijzigingsplan en het ontwerp-uitwerkingsplan - en dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo, zich niet voordoet. De beroepsgrond faalt.

Welstand

14. Eiseres heeft aangevoerd dat het ongemotiveerde welstandsadvies van 10 november 2010 niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd had mogen worden. In dat advies is voorts ten onrechte opgenomen dat getoetst is aan het beeldkwaliteitsplan, omdat dat plan pas op 14 december 2010 door de raad is vastgesteld. Het welstandsadvies is daarom niet deugdelijk tot stand is gekomen.

15. In de regel behoeft, naar vaste jurisprudentie, het overnemen van een welstandsadvies geen nadere motivering. Dit is anders indien belanghebbenden gemotiveerd betwisten dat het advies niet zonder meer aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd, of belanghebbenden dit met een deskundig tegenadvies onderbouwen.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder de zich in het dossier bevindende welstandsadviezen, in het bijzonder het advies van 10 november 2010, niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het welstandsadvies van 10 november 2010 is, anders dan eiseres meent, wel degelijk voorzien van een onderbouwing. Daarin wordt voorts verwezen naar eerdere adviezen, welke bij de voorbereiding van het bouwplan zijn gegeven. Dat het bouwplan in verschillende versies aan de welstandscommissie is voorgelegd, maakt dit niet anders: duidelijk was dat het steeds ging om het bouwen van meerdere villa’s op de onderhavige locatie. Het plan is daarbij getoetst aan de welstandscriteria als opgenomen in de welstandsnota. Het beeldkwaliteitsplan is, zo blijkt uit de stukken, weliswaar in december 2010 vastgesteld, maar gebleken is dat dit plan in concept al in september 2010 voorhanden was. De welstandscommissie heeft aldus ten tijde van haar advies de beschikking gehad over dit plan.

Niet gebleken is dat dit concept-plan nadien is gewijzigd.

Eiseres heeft niet onderbouwd dat de inhoud van het advies onjuist zou zijn. De rechtbank vermag niet in te zien waarom eiseres niet de door haar gewenste second opinion had kunnen laten uitvoeren en deze in bezwaar en/of in beroep had kunnen inbrengen. De beroepsgrond kan niet slagen.

16. Gesteld noch gebleken is dat zich een of meer van de overige in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden hebben voorgedaan.

Procedure

17. Eiseres heeft aangevoerd dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegepast had moeten worden omdat het een complex project betreft waaraan een raadsbesluit ten grondslag ligt, en onder andere ook de Flora en Faunawet (Ffw) betrokken is. De aanvraag heeft volgens eiseres betrekking op een activiteit waarvoor een ontheffing op grond van de Ffw is vereist. Deze toestemming had moeten ‘aanhaken’ bij de omgevingsvergunning en om die reden had de aanvraag aangehouden moeten worden.

18. Verweerder heeft de omgevingsvergunning voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure. Het uitgangspunt van de Wabo is dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, tenzij de uitgebreide voorbereidingsprocedure is voorgeschreven, zo volgt uit artikel 3.7 van de Wabo. Artikel 3.10 van de Wabo bepaalt in het eerste lid limitatief voor welke activiteiten de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb gevolgd moet worden. De complexiteit van een bouwplan is daarbij niet bepalend. Over de vraag of bepalingen in de Ffw verweerder dwongen de uitgebreide voorbereidingsprocedure te volgen, overweegt de rechtbank het volgende.

19. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op het moment dat de aanvraag werd ingediend geen aanleiding was te veronderstellen dat voor het project waarvoor de vergunning werd aangevraagd, ook een ontheffing op grond van artikel 75 Ffw vereist was. De keuze voor de reguliere voorbereidingsprocedure was derhalve toen juist. Verweerder heeft vervolgens een aanvraag voor ontheffing op grond van de Ffw ingediend bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI), omdat zo immers uitsluitsel verkregen kon worden over de noodzaak daarvan. Het betrof een aanvraag om ontheffing van de verbodsbepalingen in artikel 8 en 13, eerste lid van de Ffw, voor wat betreft de exemplaren van de gevlekte rietorchis en de gewone rietorchis, en de verbodsbepalingen in artikel 9, 11 en 13, eerste lid, van de Ffw, voor wat betreft de poelkikker. Bij beslissing van 12 januari 2012 heeft de Minister van ELI verweerders aanvraag om een Ffw-ontheffing op voet van artikel 75, derde lid, van de Ffw, afgewezen. Hoewel dit besluit nog niet in rechte vaststaat, is voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat voor de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, geen ontheffing op grond van de Ffw vereist was. Ook het handhavingsverzoek van de Bezorgde Burgers Houten is immers op 1 maart 2012 afgewezen door de Minister van ELI.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gekozen voor de reguliere voorbereidingsprocedure. Dit wordt nog eens bevestigd doordat voldoende aannemelijk is geworden dat er geen Ffw-ontheffing nodig was welke had moeten ‘aanhaken’ bij de omgevingsvergunning.

20. Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat geen van de in artikel 3.3 van de Wabo genoemde aanhoudingsgronden zich voordeden.

Dat er nog een beroep tegen het wijzigingsplan loopt is geen grond voor aanhouding. Ook als het bouwplan wel in strijd geweest zou zijn met het bestemmingsplan, had dit geen aanhoudingsplicht opgeleverd, nu aanhouding slechts voorgeschreven is indien er geen grond is de vergunning te weigeren. Artikel 3.3 geeft verweerder evenmin de bevoegdheid om uit eigen beweging de aanvraag aan te houden. Gelet op het voorgaande, treft het betoog van eiseres dat de aanvraag aangehouden had moeten worden, geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.

21. Hetgeen eiseres in dit verband voor het overige heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest of dat verweerder in strijd met enig rechtsbeginsel de (wettelijk voorgeschreven) procedures heeft toegepast.

Overige

22. Vanwege het limitatieve karakter van artikel 2.10, eerste lid, van de Awb is bij de beslissing op de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor een individuele belangenafweging geen ruimte. De overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden, waaronder de afweging van de belangen van verkeersveiligheid en een politieke afweging over financiële belangen, blijven daarom buiten bespreking.

Conclusie

23. Nu zich geen van de limitatieve weigeringsgronden heeft voorgedaan, was verweerder gehouden de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te verlenen en heeft hij derhalve terecht de omgevingsvergunning verleend.

24. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover het niet is ingesteld door [A], niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [A] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.N. Noorman, rechter, in aanwezigheid van mr. G.K. Heger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.