Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4159

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
16/600745-11 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BY0009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval op 25 juli 2011 op de Cartesiusweg te Utrecht.

Het rijgedrag van verdachte - tijdens een snelheidswedstrijd en met een veel hogere snelheid rijden dan ter plaatse is toegestaan - als gevolg waarvan verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer aan te merken als roekeloos. Als gevolg van het verkeersongeval is één persoon overleden en heeft één persoon zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank is er onvoldoende van overtuigd geraakt dat verdachte in het onderhavige geval de betreffende risico’s willens en wetens heeft aanvaard, zodat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte opzet, dan wel voorwaardelijke opzet, heeft gehad op de dood van het ene slachtoffer en het zwaar lichamelijk letsel van het andere slachtoffer.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600745-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Marokko)

gedetineerd: P.I. Nieuwegein, HvB Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er betreffende het onder 1 en 2 ten laste gelegde, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte op 25 juli 2011 op de Cartesiusweg te Utrecht door zijn rijgedrag een inzittende van een auto opzettelijk van het leven heeft beroofd en een andere inzittende van die auto heeft geprobeerd van het leven te beroven. Subsidiair is het rijgedrag van verdachte bij beide feiten ten laste gelegd als roekeloos rijgedrag, waardoor het aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg de dood van een inzittende van een auto en zwaar lichamelijk letsel van een andere inzittende van die auto.

De feitelijke omschrijving van het verwijt houdt onder meer het volgende in: ‘(tijdens een (snelheids)wedstrijd)’. Betreffende de betekenis van dit onderdeel heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de omschrijving in Van Dale van het begrip wedstrijd. De rechtbank is er bij zijn beoordeling vanuit gegaan, dat van een (snelheids)wedstrijd als in de tenlastelegging omschreven sprake is wanneer twee of meer personen strijden om te zien wie de beste prestatie (in het onderhavige geval: de hoogste snelheid) levert. Daarbij is enige organisatie niet vereist, maar slechts dat deze personen (wat betreft de snelheid) trachten elkaar de loef af te steken.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding.

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, aangezien de dagvaarding een tenlastelegging dient te bevatten die valt binnen een in de wet omschreven delict. Het deelnemen aan een snelheidswedstrijd behoort daar niet toe.

Voor zover de officier van justitie heeft bedoeld dat de gehele dagvaarding een onderbouwing is van de kennelijk verwijtbaar geachte gedraging deelname aan een snelheidswedstrijd, is door de verdediging betoogd dat dan geen sprake is van een strafbaar feit en dient verdachte te worden ontslagen van rechtsvervolging.

3.1.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding ‘(tijdens een (snelheids)wedstrijd)’ in de tenlastelegging een aanduiding is van een omstandigheid waaronder de ten laste gelegde strafbare gedraging (in casu (poging tot) doodslag c.q. overtreding van artikel 6 WVW 1994) is begaan. Het behelst derhalve niet een omschrijving van de strafbare gedraging als zodanig. Derhalve leidt de vermelding in de tenlastelegging van de woorden “tijdens een (snelheids)wedstrijd” niet tot de conclusie dat de dagvaarding om die reden als nietig moet worden aangemerkt.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die de nietigheid van de dagvaarding met zich zouden brengen.

3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor het onmiddellijk na het ongeval opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie aan de media, namelijk dat er minimaal acht getuigenverklaringen waren over een snelheidswedstrijd, terwijl er slechts één getuige spreekt van een wedstrijd. Daardoor is sprake van grove veronachtzaming van de rechten van verdachte en zijn echtgenote, en van handelen in strijd met de goede procesorde. Om die reden dient, aldus de raadsman, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat zij niet verantwoordelijk is voor alles wat in de media over een bepaalde zaak wordt gepubliceerd. Onder haar verantwoordelijkheid is in de onderhavige zaak slechts één persbericht uitgegaan, en wel met betrekking tot de wegafsluiting van de Cartesiusweg op 27 november 2011 in verband met in het kader van het onderhavige vooronderzoek uitgevoerde rijproeven. In het belang van het onderzoek is toen gezegd dat de politie nog op zoek was naar de andere verdachte.

Dat sprake zou zijn van grove schending van de rechten van verdachte is naar de mening van de officier van justitie onvoldoende onderbouwd.

3.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het openbaar ministerie informatie aan de media is verstrekt, anders dan het door de officier van justitie genoemde persbericht. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk geworden, dat bij de berichtgeving vanuit de politie de rechten van verdachte zouden zijn geschonden. De rechtbank wijst er daarbij op dat het onontkoombaar is dat bij zeer ernstige incidenten als de onderhavige ook vanuit de politie in ieder geval enige informatie aan de media wordt verstrekt. De rechtbank is in het onderhavige geval niet gebleken dat de politie daarbij vanuit het oogpunt van de verdachte rechtens te respecteren grenzen heeft overschreden. De rechtbank merkt voorts op dat, anders dan de raadsman suggereert, de politie niet noodzakelijkerwijs de enige bron van informatie behoeft te zijn geweest. Integendeel, uit het dossier kan worden afgeleid dat getuigen ook rechtstreeks met de media gesproken hebben.

Dat sprake is van onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie opzettelijk verstrekken van onjuiste informatie aan de media is dus niet aannemelijk geworden. Van een doelbewuste of grove veronachtzaming van de rechten van verdachte (en de echtgenote van verdachte) is derhalve geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

3.3 De overige voorvragen

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht - op grond van haar overgelegde en in het dossier gevoegde aantekeningen ten behoeve van het requisitoir - het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat - samengevat - verdachte heeft bekend dat hij de Honda, waarin de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, heeft aangereden, dat gelet op de afgelegde getuigenverklaringen sprake was van een snelheidswedstrijd tussen de auto van verdachte en een andere auto, dat verdachte korte tijd voor de aanrijding 134 km/uur reed, dat verdachte bij aanvang van het driftspoor minimaal 104 km/uur reed, en dat de gevolgen van het ongeval, te weten de dood van [slachtoffer 1] en het letsel van [slachtoffer 2] aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Naar de mening van de officier van justitie kan uit de verklaring van verdachte noch uit het strafdossier worden opgemaakt dat verdachte heeft gehandeld met boos opzet. Dat leidt tot de vraag, aldus de officier van justitie, of verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet. Naar de mening van de officier van justitie kunnen de gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht te zijn op de dood van medeweggebruikers dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte met voorwaardelijke opzet op de dood heeft gehandeld en acht om die reden het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe heeft de verdediging - samengevat - betoogd dat er geen sprake is geweest van een (snelheids)wedstrijd, dat het verschil in snelheid tussen de BMW van verdachte en de Honda aanzienlijk geringer is geweest dan het NFI suggereert, en dat, zelfs indien de Honda 50 km/uur heeft gereden, de verklaring van verdachte dat hij niet harder dan 70 km/uur heeft gereden wordt bevestigd door de feiten.

Naar de mening van de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen wat verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste is gelegd. Daartoe is de rechtbank uitgegaan van de navolgende, uit wettige bewijsmiddelen blijkende, feiten en omstandigheden.

4.3.1 Vaststaande feiten en omstandigheden

Op 25 juli 2011 omstreeks 15.36 uur vond te Utrecht een verkeersongeval plaats op de Cartesiusweg. Bij dit verkeersongeval waren twee personenauto’s betrokken: een groene BMW, type 523i, met kenteken [kenteken], en een rode Honda, type Civic, met kenteken [kenteken]. De BMW werd bestuurd door verdachte en de Honda door [slachtoffer 2]. In de Honda zat voorts [slachtoffer 1].

Gevolgen

Ten gevolge van dit ongeval is [slachtoffer 1] overleden en [slachtoffer 2] ernstig gewond geraakt Uit het rapport van Revalidatiecentrum De Hoogstraat van september 2011 blijkt dat [slachtoffer 2] na het ongeval werd opgenomen op de intensive care van het UMC waar hij 9 dagen beademd en gesedeerd werd, dat de motorische onrust toenam iedere keer wanneer de sedatie werd verminderd, dat onder meer sprake was van ribfracturen, een bekkenfractuur, een neusfractuur en hersenletsel. Uit de slachtofferverklaring van 4 april 2012 blijkt dat [slachtoffer 2] zijn werk als free-lance kok niet meer kan doen, omdat het hem fysiek onmogelijk is om lang te staan en zware pannen te tillen, en omdat hij niet meer tegen drukte kan, niet meer goed kan plannen en snel het overzicht kwijt is.

De rechtbank merkt gezien het voorgaande het letsel van [slachtoffer 2] aan als zwaar lichamelijk letsel.

De ongevalslocatie .

De rijrichting van de betrokken voertuigen was in de richting van de Amsterdamsestraatweg. De Cartesiusweg was een voor het openbaar verkeer openstaande weg binnen de bebouwde kom, waar een maximum toegestane snelheid van 50 km/uur gold. Ter hoogte van de plaats van het ongeval liep de Cartesiusweg in een bocht naar rechts.

De weg was door middel van een middengeleider verdeeld in twee rijbanen. Op de middengeleider lag roodgekleurd fijn grind. In de bocht naar rechts was op de middengeleider een geleiderail geplaatst. De rechter rijbaan bestond uit twee rijstroken welke door middel van een onderbroken asstreep van elkaar gescheiden waren. De breedte van die rijstroken bedroeg links en rechts respectievelijk 3,35 meter en 3,25 meter. Rechts van deze rijstroken was een grasberm. In deze berm waren bomen geplaatst. Deze bomen stonden nabij de plaats van het ongeval ongeveer 1,55 meter vanaf de rechter zijde van de rijbaan.

Op het moment van de aanrijding was het daglicht, het was droog weer en het wegdek was droog . Er waren ook geen bijzonderheden betreffende de toestand van de weg .

Toedracht

Als gevolg van de aanrijding tussen de BMW en de Honda schampte de Honda een boom, kwam terug op de weg, werd opnieuw geraakt door de BMW en botste vervolgens tegen een tweede boom. Hierna draaide de Honda om de tweede boom en kwam zeer zwaar beschadigd in de rechtsgelegen berm tot stilstand. De BMW kwam na de aanrijding op de voor het tegemoetkomende verkeer bestemde linker rijbaan tot stilstand.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft gesteld dat voormeld ongeval zou zijn ontstaan doordat de Honda plotseling naar links zou zijn gegaan en daarbij op de rijbaan van de auto van verdachte zou zijn gekomen. De verdediging heeft daarbij gewezen op de verklaring van de getuige [getuige 1], afgelegd direct na het ongeval. De rechtbank constateert echter dat deze getuige vervolgens bij de rechter-commisaris heeft verklaard dat zij een dergelijke uitlating niet gedaan heeft en dat zij een dergelijke gedraging ook niet gezien heeft. De rechtbank overweegt voorts dat het scenario van de verdediging wordt weersproken door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , die verklaren dat de Honda op de rechterbaan reed en vervolgens door de slippende BMW van verdachte werd geraakt.

In het bijzonder aan de verklaring van de getuige [getuige 3] komt daarbij betekenis toe, omdat deze, zoals zij verklaart, er precies recht voor stond en - zoals ook de verdediging erkent, pleitnota nr. 48 - door haar positie op het station Zuilen goed zicht had op de situatie.

Ook de sporen op het wegdek, welke zichtbaar zijn op foto’s in het dossier, weerspreken het door verdachte geschetste scenario. Daarop is namelijk zichtbaar dat het driftspoor, veroorzaakt door het linkerachterwiel een zodanige positie heeft, dat de BMW deels op de linker, deels op de rechter weghelft reed en dat sprake is van een schuifspoor op de rechterrijstrook.

Dat betekent dat de rechtervoorzijde van de auto van verdachte , op het moment waarop deze de linkerachterzijde van de Honda raakte, zich halverwege de weghelft van de Honda bevond. De rechtbank is dan ook van mening dat de stelling van de verdediging dat het ongeval aan de bestuurder van de Honda zou zijn te wijten niet alleen onvoldoende feitelijk onderbouwd is, maar zelfs nadrukkelijk door diverse bewijsmiddelen wordt weersproken. De rechtbank kan dit verweer dan ook slechts verwerpen.

4.3.2. Snelheidswedstrijd?

Door getuigen is verklaard dat op 25 juli 2011 twee auto’s met een forse snelheid over de Thomas à Kempisweg en de Cartesiusweg reden, dat deze auto’s elkaar (steeds) inhaalden, en dat één van de auto’s, een donkere/groene BMW, bij de aanrijding met de rode Honda betrokken was. De andere auto zou een BMW zijn of daarop lijken . De door deze getuigen genoemde snelheid van de twee snelrijdende auto’s varieert van 100 km/uur tot 180 km/uur, en verschillende getuigen uiten het vermoeden dat de beide auto’s een wedstrijd hielden.

Getuigen gebruiken daarvoor verschillende bewoordingen: een wedstrijd, een race, een dragrace.

Volgens getuige [getuige 4] heeft verdachte op 25 juli 2011 kort na het ongeval aan getuige verteld dat er nog een andere auto bij betrokken was, een BMW, en dat die BMW was doorgereden.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 25 juli 2011 een groene BMW en een donkerkleurige BMW uit de richting van Cartesiusweg en de Nijverheidsweg zag aan komen rijden, dat beide auto’s met hoge snelheid, naar schatting 120 à 130 km/uur, reden, dat de groene BMW met hoge snelheid tegen de achterzijde van de Honda reed, en dat de donkerkleurige BMW na de aanrijding hard doorreed.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen die de getuigen beschrijven, te weten:

- het door 2 auto’s

- over een grotere afstand met (zeer) hoge snelheid rijden, en

- het daarbij wisselend naast dan wel zeer kort achter elkaar rijden, en

- het elkaar inhalen

naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden geduid dan dat deze plaatsvonden in het kader van een snelheidswedstrijd tussen de bestuurders van de beide voertuigen, zoals hiervoor onder 2. vermeld.

De stelling van de raadsman (nr.60) dat de getuigenverklaringen door informatie uit de media zijn “vervuild” wordt weerlegd door het gegeven dat drie getuigen reeds in hun onmiddellijk na het ongeval afgelegde verklaring spreken over een wedstrijd of race .

Voorgaande conclusie wordt naar het oordeel van de rechtbank ook bevestigd door het hierna onder 4.3.3. besproken onderzoek naar de snelheid en de onderlinge posities van de beide betrokken BMW’s op de kruising Cartesiusweg-Nijverheidsweg en de verklaring van getuige [getuige 4] dat verdachte na het ongeval heeft gezegd dat er nog een andere BMW bij het ongeval betrokken was.

4.3.3. De snelheid

Door getuige [getuige 2] is verklaard dat hij de groene BMW, zijnde de BMW van verdachte, met piepende banden door de bocht van de Cartesiusweg zag rijden, dat de groene BMW slipte, dat de bestuurder de controle over het voertuig kwijt raakte en dat de groene BMW vervolgens met een hoge snelheid tegen de achterzijde van de Honda reed.

Op de Cartesiusweg is voorafgaand aan de botsplaats een boogvormig bandenspoor aangetroffen door de politie.

Het NFI heeft een snelheidsberekening gemaakt op grond van het voor de botsplaats gelegen boogvormige spoor, het zogenoemde driftspoor en een snelheidsberekening op grond van de deformatie van de betrokken voertuigen en het sporenbeeld na de botsing.

Voorts heeft het NFI snelheidsberekeningen uitgevoerd op basis van camerabeelden van een voor de botsplaats gelegen kruising.

a. Snelheidsberekening op basis van boogvormig (drift)spoor

De deskundige van het NFI, ir. A.C.E. Spek, is er bij de snelheidsberekening op grond van aanwijzingen uit verschillende sporen en voertuigdynamica vanuit gegaan dat dit boogvormige spoor is afgetekend door het linker achterwiel van de BMW van verdachte.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter zake –zakelijk weergeven- aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het betreffende boogvormige spoor is afgetekend door een andere auto of auto’s dan die van verdachte. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk, aangezien niet alleen blijkens voormeld rapport van de deskundige A.C.E. Spek de spoorkenmerken overeenkomen met de kenmerken van het voertuig van verdachte, terwijl deze deskundige voorts heeft verklaard dat dit soort sporen slechts een beperkte tijd zichtbaar blijft. Daarbij heeft de deskundige een termijn van een week genoemd. Tenslotte hebben ook diverse getuigen gesproken over het in de betreffende bocht in een drift/slip raken van de auto van verdachte.

b. Snelheidsberekening op grond van de deformatie van de betrokken voertuigen en het sporenbeeld na de botsing

A.C.E. Spek heeft in zijn rapport geconcludeerd dat een snelheid van die BMW tussen 104 en 160 km per uur bij aanvang van het driftspoor in overeenstemming is met het geheel van aangetroffen sporen en voertuigdeformatie .Als deskundige heeft hij ter terechtzitting verklaard dat de bevindingen met betrekking tot de deformatie van de voertuigen in overeenstemming zijn met een snelheidsverschil tussen de Honda en de BMW op het moment van de botsing van 72 km/uur.

c. Snelheidsberekening op basis van camerabeelden

Het NFI heeft voorts onderzoek gedaan naar de camerabeelden van 25 juli 2011 van cameratoezicht met de aanduiding CA127/Nijverheidsweg/Cartesiusweg. Deze camera is geplaatst op de Nijverheidsweg en overziet de kruising Nijverheidsweg/Cartesiusweg. Op de camerabeelden zijn 2 voorbijrijdende auto’s waar te nemen die volgens het NFI-rapport van 5 januari 2012 duidelijk sneller rijden dan het overige verkeer. Het NFI heeft vastgesteld dat de gemiddelde snelheid van de voorste auto, bepaald over een traject van 30 meter, minimaal 134 km/uur en maximaal 144 km/uur bedroeg, en dat de afstand tussen beide auto’s minder was dan 4,78 meter.

Op de vraag van de rechtbank of op basis van bovengenoemde camerabeelden een uitspraak kon worden gedaan over de snelheden van c.q. het tijdsverschil tussen de BMW van verdachte en de Honda van [slachtoffer 2] op het traject tussen genoemde kruising en de plaats van het ongeval, heeft het NFI op 26 maart 2012 gerapporteerd.

Het NFI heeft geconcludeerd dat de Honda en de BMW het einde van het kruisingsvlak met een tijdverschil van circa 10,2 seconden passeerden en dat bij een gemiddelde snelheid van de Honda over het traject van 40 à 50 km/uur er een overeenkomst mogelijk is met de door het NFI vastgestelde rijsnelheid van de voorste auto (de groene BMW) aan de hand van de camerabeelden.

De rechtbank heeft zelf waargenomen dat uit de in het dossier opgenomen grafische weergave van het verband tussen de (gemiddelde) snelheid van de Honda en de (gemiddelde) snelheid van de BMW volgt dat bij een (gemiddelde) snelheid van de Honda van 45 km per uur een (gemiddelde)snelheid van de BMW hoort van ongeveer 120 km per uur en bij een (gemiddelde) snelheid van de Honda van 50 km per uur een (gemiddelde) snelheid van de BMW van ongeveer 160 km per uur.

Het NFI heeft bij de berekening als uitgangspunt genomen de identificatie van de auto’s op bovengenoemde camerabeelden door de politie, als beschreven in het VOA-rapport d.d. 26 oktober 2011. In laatstgenoemd rapport heeft de politie gerapporteerd dat op de beelden eerst de Honda is te zien ter hoogte van de stopstreep nabij de verkeerslichten (foto 82, tijdstip 15:36:49:592), dat vervolgens de groene BMW is te zien ter hoogte van de stopstreep nabij de verkeerslichten (foto 83, tijdstip 15:37:02:389), dat op foto 84 (tijdstip 15:37:02:545) zichtbaar is het voertuig wat achter of schuin achter de groene BMW rijdt ter hoogte van de stopstreep nabij de verkeerslichten, en dat op foto 85 (tijdstip 15:37:03:185) is te zien dat de groene BMW en het voertuig daarachter kort achter elkaar over het kruisingsvlak rijden.

Bewijsoverweging betreffende de snelheidsberekening op basis van camerabeelden

De raadsman stelt dat niet kan worden uitgesloten dat de groene BMW op de kruising door de zwarte BMW is ingehaald en dat de groene BMW van verdachte op foto 85 (tijdstip 15:37:03:185) niet meer de voorste auto was. Dit brengt zijns inziens met zich dat de betreffende snelheidsberekeningen van het NFI niet bruikbaar zijn voor het bewijs

De rechtbank acht dit door de raadsman gestelde “inhaalscenario” niet aannemelijk.

Als de andere snelrijdende auto de BMW van verdachte op de kruising binnen deze zeer geringe afstand ruim zou zijn gepasseerd, zou dat duiden op een groot snelheidsverschil. Dat blijkt uit geen van de verklaringen van de getuigen op of bij de kruising.

De rechtbank stelt bovendien vast dat de identificatie door de politie ondersteund wordt door de vlak na het ongeval door de getuige [getuige 5] afgelegde verklaring dat de groene BMW voorop reed.

De rechtbank merkt hierbij overigens op dat als de BMW van de verdachte niet op, maar na het cameratijdstip 15:37:02:389 te zien is op de camerabeelden ter hoogte van de stopstreep, dit gegeven slechts kan leiden tot een berekening van een iets hogere gemiddelde snelheid van dit voertuig tussen deze stopstreep en het botspunt in relatie tot de snelheid van de Honda dan het NFI berekend heeft, omdat dan immers in dezelfde tijd een iets grotere afstand tot het botspunt is overbrugd.

Bewijsoverweging betreffende de gereden snelheid voor het ongeval

Op grond van hetgeen hiervoor inzake de inhoud van bewijsmiddelen is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat de BMW van verdachte op de kruising van de Cartesiusweg met de Nijverheidsweg minimaal 134 km/uur en maximaal 144 km/uur heeft gereden. Ten aanzien van de snelheid van verdachtes BMW bij aanvang van het driftspoor overweegt de rechtbank dat het bepaald waarschijnlijk is dat deze laatste snelheid in werkelijkheid aanmerkelijk hoger lag dan de door de deskundige van het NFI genoemde minimumsnelheid van 104 km/u. Aangezien dit in het voordeel van verdachte moet worden geacht, zal de rechtbank echter bij de bewezenverklaring uitgaan van laatstgenoemde minimumsnelheid.

De rechtbank overweegt in dit verband ten overvloede dat de deskundige A.C.E. van der Spek tevens heeft gerapporteerd dat de snelheidswaarde van 115 km/uur, die geregistreerd is in het storingsgeheugen van de BMW, een redelijk nauwkeurige indicatie is van de botssnelheid, wanneer de storing als gevolg van de botsing is ontstaan. Omdat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is komen vast te staan, dat die registratie plaatsvond als gevolg van de botsing zal de rechtbank deze snelheidswaarde niet als bewijsmiddel bezigen. De rechtbank overweegt echter dat deze waarde ook niet strijdig moet worden geacht met de wel door de rechtbank aangenomen snelheden (kort) voor de botsing, nu daarbij onder meer van een minimumsnelheid is uitgegaan. Evenzo merkt de rechtbank op dat de door de rechtbank aangenomen snelheden ook passen bij de schattingen door getuigen van de snelheid van verdachtes auto.

Uit het voorgaande volgt tevens dat verdachtes stelling dat hij voor en bij het insturen van de bocht direct voor de botsplaats 70 kilometer per uur zou hebben gereden als zijnde geheel ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.

4.3.4. Opzet of schuld

De hiervoor genoemde bewijsmiddelen en vastgestelde feiten en omstandigheden wijzen naar het oordeel van de rechtbank uit dat verdachte tijdens een snelheidswedstrijd en met een veel hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan in een bocht de controle over zijn BMW is kwijtgeraakt en als gevolg daarvan tegen de Honda is gebotst. Door deze botsing is één slachtoffer komen te overlijden en heeft één slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomen. Het rijgedrag van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer als roekeloos aan te merken.

Het gegeven dat sprake was van roekeloos rijgedrag rechtvaardigt evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet tevens de conclusie dat verdachte opzet op de dood van [slachtoffer 1] of het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] heeft gehad. Daarvoor is immers vereist dat verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een ongeval met dodelijke afloop zou veroorzaken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de camerabeelden blijkt dat de Honda 10,2 seconden voor de groene BMW van verdachte de kruising Nijverheidsweg/Cartesiusweg passeerde. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat op het moment dat de groene BMW en de zwarte BMW de stoplichten op die kruising passeerden de Cartesiusweg vóór hen leeg was. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte bij het passeren van de kruising vrij zicht had op de voor hem liggende weg en wel tot het ongeveer 150 meter verderop gelegen punt waarop de Cartesiusweg naar rechts buigt, en dat verdachte ten tijde van het passeren van die kruising, en ook nog een zekere afstand daarna, de Honda niet heeft kunnen zien rijden. Ook overigens is niet gebleken dat er na de kruising op enig moment sprake was van vóór verdachte rijdend verkeer. De rechtbank acht dan ook alleszins aannemelijk dat vanuit verdachte gezien, de weg na de kruising tot aan de bocht leeg was.

Naar het oordeel van de rechtbank brengen deze omstandigheden met zich dat rechtens niet is komen vast te staan dat verdachte de aanmerkelijke kans op een ernstig ongeval als gevolg van zijn rijgedrag willens en wetens heeft aanvaard. Niet uitgesloten kan immers worden dat verdachte, nu hij na de kruising een lege weg voor zich zag, in het geheel niet heeft stilgestaan bij het gegeven dat zijn rijgedrag al dan niet aanmerkelijke risico’s voor anderen in het leven zou kunnen roepen. Naar het oordeel van de rechtbank kan een dergelijk niet stilstaan bij risico’s niet zonder meer gelijk worden gesteld aan het willens en wetens aanvaarden van al dan niet aanmerkelijke risico’s.

Na zorgvuldige afweging van alle omstandigheden is de rechtbank er onvoldoende van overtuigd geraakt dat verdachte in het onderhavige geval de betreffende risico’s willens en wetens heeft aanvaard, zodat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] of het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2].

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. subsidiair

op 25 juli 2011 te Utrecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Cartesiusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

tijdens een snelheidswedstrijd

-als bestuurder van een personenauto te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was, en

-vervolgens zijn voertuig niet voortdurend onder controle te houden en niet voortdurend de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en

-vervolgens meermalen tegen de personenauto (merk Honda), waarin [slachtoffer 1] zich bevond, te botsen,

waarna en waardoor de personenauto, waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, meermalen tegen een boom is gebotst,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2. subsidiair

op 25 juli 2011 te Utrecht,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de Cartesiusweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

tijdens een snelheidswedstrijd

-als bestuurder van een personenauto te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan gezien de situatie en de omstandigheden ter plaatse verantwoord en toegestaan was, en

-vervolgens zijn voertuig niet voortdurend onder controle te houden en niet

voortdurend de handelingen te verrichten die van hem werden vereist en

-vervolgens meermalen tegen de personenauto (merk Honda), waarin [slachtoffer 2] zich bevond, botsen,

waardoor de personenauto, waarin die [slachtoffer 2] zich bevond, meermalen tegen een boom is gebotst

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel (te weten:

een medische conditie waardoor het noodzakelijk is geweest om die [slachtoffer 2] in kunstmatige coma te brengen en te houden en een bekkenfractuur en zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het verweer, strekkende tot ontslag van rechtsvervolging wordt verworpen op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 3.1

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1. subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden;

2. subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht

en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft om vrijspraak verzocht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, en het uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 november 2011, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft op roekeloze wijze een auto bestuurd en een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een dode en een zwaargewonde vielen te betreuren.

Het leed dat door het ongeval bij de nabestaanden van [slachtoffer 1] is veroorzaakt is groot en onherstelbaar.

Het ongeval heeft ook grote gevolgen gehad voor [slachtoffer 2]. Niet alleen is hij zelf zwaar gewond geraakt bij het ongeval, maar hij moet ook het verlies van zijn beste vriend dragen. Nu, 9 maanden later, kampt hij nog steeds met de lichamelijke en psychische gevolgen van het ongeval, waarvan een deel mogelijk blijvend is. De rechtbank realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan dit ondervonden en nog te ondervinden persoonlijk leed.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. Voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van roekeloos rijden, het slachtoffer is overleden en de verdachte niet onder invloed van alcohol verkeerde, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 3 jaren. Bij zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

In deze zaak is bewezen verklaard dat sprake was van een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid. Artikel 175 van de Wegenverkeerswet verhoogt in zodanig geval het strafmaximum met de helft. De rechtbank acht daarnaast ook het feit dat sprake was van een snelheidswedstrijd een strafverzwarende omstandigheid. Wie daarvoor kiest, kiest namelijk in algemene zin voor extra risico’s voor zichzelf en voor anderen. De aandacht is dan immers primair gericht op “winnen” en tegenstanders, niet op verkeersveiligheid en andere verkeersdeelnemers. Daarbij komt dat het verloop van een dergelijke wedstrijd – reeds door betrokkenheid van een of meer andere deelnemers aan die wedstrijd – ook een aanzienlijk extra element van oncontroleerbaarheid in zich draagt.

De rechtbank weegt voorts in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder is beboet en wel voor een bedrag van € 700,00 in verband met een zeer aanzienlijke overtreding van de maximum snelheid op 25 augustus 2010. Ook overigens heeft verdachte, ondanks zijn relatief jeugdige leeftijd, reeds meermalen sancties gekregen voor verkeersovertredingen. Verdachte lijkt daar echter weinig lering uit te hebben getrokken.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Hij heeft het ongeval niet ontkend, maar tegen beter weten in steeds volgehouden dat hij voorafgaand aan het ongeval heeft gereden met een snelheid van niet meer dan 70 kilometer per uur. Ook heeft hij gepoogd de schuld voor het ongeval bij de bestuurder van de Honda te leggen.

Aldus heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank er blijk van gegeven ook thans nog niet zijn volle verantwoordelijkheid voor het ongeval en de zeer ernstige gevolgen daarvan onder ogen te willen zien, wat doet vrezen voor herhaling.

Verdachtes standpunten roepen bovendien twijfel op aan de oprechtheid van zijn spijtbetuiging in de richting van slachtoffer en nabestaanden.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, te weten van doodslag respectievelijk poging tot doodslag. De rechtbank acht echter het subsidiair ten laste gelegde bewezen, op welke feiten wettelijk een aanmerkelijk lagere maximumstraf is gesteld dan op de door de officier van justitie bewezen geachte feiten.

De rechtbank overweegt hierbij tevens dat met name gezien de hiervoor besproken strafverzwarende omstandigheden de in voormelde LOVS-richtlijnen als oriëntatiepunt opgenomen strafsanctie in het onderhavige geval onvoldoende recht zou doen aan de ernst van verdachtes gedragingen, de gevolgen daarvan voor de slachtoffers en hun naasten en de maatschappelijke beroering die deze hebben veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook een hogere straf opleggen dan in voormelde oriëntatiepunten is opgenomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten een jaar, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke of andere strafbare feiten te plegen.

Tevens ziet de rechtbank aanleiding om verdachte, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De rechtbank vindt alles afwegende een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar passend en geboden.

7 Het beslag

7.1 De verbeurdverklaring

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden;

2. subsidiair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht

en terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overtreden;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vijf jaar;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;

Beslag

- verklaart verbeurd het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst d.d. 9 maart 2012 is genummerd 1;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. A. Kuijer, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2012.