Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4025

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
16/804810-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder dwang tekenen van beëindigingsverklaring en afgeven telefoon. De rechtbank is, in tegenstelling tot de officier van justitie, van oordeel dat het bewezenverklaarde niet de kwalificatie afpersing of diefstal met geweld oplevert. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde de onder artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging, te weten dwang, oplevert. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/804810-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende te [adres] te [woonplaats],

thans gedetineerd te HvB Nieuwegein,

raadsman mr. P.D. Labee, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: Samen met een ander of anderen [slachtoffer] met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van een telefoon en het tenietdoen van een inschuld, of

Samen met een ander of anderen een telefoon heeft gestolen van [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld.

Feit 2: Een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in [club] was om verbouwingswerkzaamheden te bespreken. [slachtoffer] is geen betrouwbare getuige. Voorts geldt dat het arbeidscontract van [slachtoffer] van rechtswege zou eindigen op 1 oktober 2011 en dat [slachtoffer] geen belang in de zaak had. Omdat zijn contract zou lopen tot en met 30 september 2009, was er geen recht op salaris meer en tevens geen recht op een ontslagvergoeding, aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Inleiding

[slachtoffer][medeverdachte 1] (hierna ook te noemen: [medeverdachte 1]) was ten tijde van het opsporingsonderzoek de eigenaar van [club], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]. [slachtoffer] (hierna ook te noemen: [slachtoffer]) was in dienst bij [medeverdachte 1]. [slachtoffer] was voordat [medeverdachte 1] de club kocht de eigenaar van de club en onderling zijn zij overeen gekomen dat [slachtoffer] in de club werkzaam zou blijven. [medeverdachte 2] (hierna ook te noemen: [medeverdachte 2]) was werkzaam als portier bij [club].

Het bewijs

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 15 september 2011 in [club], gevestigd te [vestigingsplaats], met [slachtoffer] naar boven is gegaan en dat hij door twee onbekende mannen werd aangevallen en op een stoel is neergezet. [slachtoffer] heeft gezegd dat [slachtoffer] de papieren moest ondertekenen. De twee onbekende mannen stonden achter hem en [slachtoffer] stond een aantal meters verderop. [slachtoffer] heeft de papieren getekend en zijn telefoon ingeleverd. Hij heeft niet kunnen zien wat voor papieren hij heeft getekend, omdat het donker was op de zolder. Er is wat duw en trekwerk geweest en één van de mannen is met zijn knie op de borst van [slachtoffer] gaan zitten toen hij op de grond lag. [slachtoffer] heeft ‘petsen’ gekregen en er is een voorwerp tegen zijn hoofd gezet, wat naar zijn idee een pistool is geweest.

[slachtoffer] heeft op 15 september 2011 de volgende telefoongesprekken gevoerd:

- Gesprek tussen [slachtoffer] en een onbekende vrouw, waarin [slachtoffer] zegt “was dat nou zo nodig geweest die paar stompen voor mijn kop. Ik had ook gewoon de lamp aan kunnen doen en had [slachtoffer] kunnen zeggen [slachtoffer] het is tijd dat je afscheid neemt, ga het me niet moeilijk maken want dan krijg je met deze heren te maken. Dit is onmenselijk. Hij laat me een portie klappen geven, wat niet nodig is, hij laat me een pistool op mijn hoofd zetten, wat niet nodig was. Ik heb vijf of zes formulieren getekend, ik zou verder niet weten wat ik allemaal nog meer getekend heb”.

- Gesprek tussen [slachtoffer] en [X], waarin [slachtoffer] zegt “Ik heb mijn auto ingeleverd gisteren, moest ik inleveren, en ik heb waarschijnlijk mijn ontslag getekend, maar ik weet niet wat ik getekend heb, telefoon ingeleverd, sleutels ingeleverd, dus het is klaar voor mij daar”.

[slachtoffer] heeft op 16 september 2011 het volgende telefoongesprek gevoerd:

- Gesprek tussen [slachtoffer] en [Y], waarin [slachtoffer] zegt “Het was op de bovenste zolder, op kantoor, dus je komt daar niet de deur uit voordat je je handtekeningen gezet hebt. Continu natuurlijk een pistool op het achterhoofd gehad. En een draai om de oren gehad. Ik ben de eerste 10 meter nog blijven staan en toen ging ik uiteindelijk toch tegen de grond en dan gaan ze met 400 kilo er bovenop zitten en een pistool op je kop. Nou dan kun je een flinke jongen zijn maar kun je er niks van winnen. Ik kreeg ook helemaal niet de kans om te lezen wat er stond. Er lagen vijf of zes formulieren klaar op mijn bureau. Want die ene zat me steeds, als ik niet snel genoeg was, sloeg hij me steeds voor mijn bek, voor mijn kop, die dikke. Dus ik weet ook mijn god niet wat ik heb getekend. De lampen waren uit. Alleen het logo van [..] stond erboven, dat heb ik wel gezien”.

Op camerabeelden is te zien dat om 8.14 uur persoon A [club] binnen gaat. Om 8.35 uur lopen twee mannen, persoon B en persoon C, in de richting van [club]. Eén van de mannen, persoon B, is gekleed in een wit vest met capuchon, draagt een blauwe broek en heeft een breed/dik/krachtig postuur, een normale lengte en een kaal hoofd. De tweede man, persoon C, draagt een zwarte jas en een donkere broek en heeft een breed/dik postuur en donker haar. Personen B en C gaan om 8.37 uur [club] binnen. Om 9.31 uur loopt persoon A naar buiten vanuit [club]. Persoon A komt om 10.18 uur met een man, persoon D, aanlopen in de richting van [club]. De mannen gaan [club] binnen. Om 10.27 uur komt persoon D naar buiten vanuit [club]. Direct daarna komen personen B en C naar buiten. Enkele seconden later komt persoon A naar buiten vanuit [club].

In het dossier bevinden zich foto’s genomen door het observatieteam, waarop persoon B en persoon C te zien zijn.

Het observatieteam van de landelijke recherche heeft op 15 september 2011 waargenomen dat [medeverdachte 1] samen met [slachtoffer] [club] is binnen gegaan om 10.19 uur. Het observatieteam neemt vervolgens waar dat [slachtoffer] omstreeks 10.30 uur [club] verlaat en dat kort daarna, om 10.40 uur, [medeverdachte 1] samen met twee onbekende manspersonen [club] verlaat.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met [verdachte] op de foto staat die het observatieteam heeft genomen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 3] in [club] is geweest in de ochtend van 15 september 2011.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 15 september 2011 in de ochtend met [slachtoffer] in [club] is geweest en dat [slachtoffer] die ochtend in zijn bijzijn na een woordenwisseling de beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 1] persoon A is, dat [verdachte] persoon B is, dat [medeverdachte 3] persoon C is en [slachtoffer] persoon D is.

[medeverdachte 2] heeft op 14 september 2011 de volgende telefoongesprekken gevoerd:

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en een NN-man, waarin [medeverdachte 2] onder meer zegt “Ja nou goed, dat kan [verdachte] wel doen. [verdachte] doet het wel, heb laatst al een keer met hem gedaan” en de NN-man zegt “Ja dat wil ik zeggen pff [verdachte] is als back-up wel aardig, maar euh niet om het euh om wat neer te zetten”.

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte], waarin [medeverdachte 2] onder meer zegt “ik heb wat werkzaamheden voor morgenochtend, ik weet niet of je daar nog tijd voor zou kunnen hebben? [Z] kan helaas niet en nou vroeg ik of jij nog iemand erbij kan regelen? Ongeveer hetzelfde als wat jullie vorige keer gedaan hebben. Dat is morgenochtend maar dat wil ik vanavond even met je afspreken en even doorspreken waar het is en wat er wordt verwacht. En dan is het euh morgen tussen negen en elf ’s ochtends. Die lui betalen goed joh”.

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 2] onder meer zegt “ik heb met die jongens alles doorgenomen euhh jij doet het verhaal en hun de rest. Dus morgen als jij hun binnenlaat, even detailafspraken maken. heb ik al met hun gedaan, dat ze dat even met jou maken dan. En dan euh gaat het helemaal goed komen, het enige detail is dat wij zaterdag gewoon het financiële doen, daar heb ik morgen geen tijd voor. Als jij de dingen die jij nodig hebt heb dan zetten ze hem buiten neer. En dan moeten jullie niet te lang wachten om daar ook weg te gaan, snap je wat ik bedoel? Ze zijn om negen uur voor de tent. Ze weten alles al, maar doe morgen gewoon even doorspreken de details. Enne … lekker boven. Enne dat komt helemaal goed. Jij even een goed gesprek voorbereiden en euh hun doen niet blaffen, alleen in actie komen. Maar hou me even op de hoogte”.

[medeverdachte 2] heeft op 15 september 2011 de volgende telefoongesprekken gevoerd:

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], waarin [medeverdachte 2] onder meer vraagt “gelukt?” en [medeverdachte 1] zegt “gelukt”.

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en [verdachte], waarin [verdachte] onder meer zegt “ik was vanochtend naar die voetbalwedstrijd weet je wel. Dat was allemaal perfect gelopen”.

- Gesprek tussen [medeverdachte 2] en [S], waarin [S] zegt “het gaat goed en met [slachtoffer] ook. Hij wilde de boel dicht laten, maar ik heb gezegd dat hij dat niet moest doen. Net doen of er niets aan de hand is en klaar. Overal is wel eens een arbeidsconflict en dat heb je nou ook. En hij is boos weg gegaan. Aju. Dat is het verhaal” en [medeverdachte 2] zegt “Ja, precies. Maar gewoon gekrabbeld enneh geregeld toch? Of niet?”, waarop [S] zegt “Jajaja, absoluut, meer dan goed”.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 14 september 2011 een ontmoeting heeft gehad met [verdachte] in het clubhuis van de Hells Angels in Barneveld. Hier hebben zij afspraken gemaakt voor de volgende dag.

[verdachte] heeft verklaard dat hij op 14 september 2011 met [medeverdachte 2] in het clubhuis van de Hells Angels in Barneveld is geweest.

De ondertekende beëindigingsovereenkomst van het dienstverband van [slachtoffer] is aangetroffen in [club]. Een kopie van de beëindigingsovereenkomst is aangetroffen bij [medeverdachte 2] thuis.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met anderen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen zijn telefoon af te geven en de beëindigingsovereenkomst te tekenen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de door verdachte gegeven verklaring over zijn aanwezigheid in [club] op 15 september 2011 en betrokkenheid bij hetgeen is gebeurd op 15 september 2011 in [club] onaannemelijk en ongeloofwaardig is. De verklaring van verdachte wordt weerlegd door bovengenoemde bewijsmiddelen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging. De rechtbank heeft geen reden om de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] in twijfel te trekken gezien ook het feit dat hij niet wist dat zijn telefoon afgeluisterd werd en hetgeen hij door de telefoon heeft verteld grotendeels overeenstemt met zijn latere verklaring.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] zich in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het dwingen van [slachtoffer] om iets te doen. Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat kan worden vast gesteld dat verdachten een situatie hebben gecreëerd waarbij [slachtoffer] alleen stond tegenover een numerieke overmacht van drie personen, dat er een hard voorwerp tegen het hoofd van [slachtoffer] is gedrukt en dat [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd is geslagen en dat dit alles plaatsvond op een plek (namelijk een zolderruimte) waarvandaan [slachtoffer] niet eenvoudig kon vluchten.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Ten aanzien van [medeverdachte 2] merkt de rechtbank op dat hij, hoewel hij niet feitelijk aanwezig is geweest in [club] op 15 september 2011, gelet op de telefoongesprekken en de ontmoeting in het clubhuis in Barneveld, waaruit blijkt dat hij de initiator is, dusdanig nauw en bewust betrokken was dat hij eveneens als medepleger aan te merken is.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn mededaders jegens [slachtoffer] een zodanige druk opleverden dat [slachtoffer] hieraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde te voldoen aan hetgeen van hem werd verlangd. Gelet op de omstandigheden waarin [slachtoffer] mee is genomen naar de zolder, de gewelddadige handelingen die jegens hem zijn gepleegd en de afspraken die voorafgaand door verdachte en zijn mededaders zijn gemaakt, is de rechtbank voorts van oordeel dat het opzet van verdachte erop was gericht om wederrechtelijk te handelen.

Overwegingen met betrekking tot de kwalificatie

De rechtbank is, in tegenstelling tot de officier van justitie, van oordeel dat het bewezenverklaarde niet de kwalificatie afpersing of diefstal met geweld oplevert. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde de onder artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging, te weten dwang, oplevert. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen.

In de tenlastelegging is opgenomen dat [slachtoffer] gedwongen afstand heeft gedaan van een telefoon, welke hem toebehoorde, en van een inschuld, te weten zijn rechten op salaris dan wel een ontslagvergoeding. Alternatief is ten laste gelegd dat verdachte met een ander of anderen met gebruik van geweld een telefoon heeft gestolen van [slachtoffer].

Ten aanzien van de telefoon overweegt de rechtbank als volgt. Zowel [slachtoffer] als [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de telefoon die [slachtoffer] gebruikte een telefoon van de zaak was. Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] meerdere iPhones heeft besteld voor [club]. De rechtbank stelt dan ook vast dat de telefoon niet toebehoorde aan [slachtoffer], maar aan [medeverdachte 1]. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van afpersing en diefstal van de telefoon, omdat verdachte niet het oogmerk had om zich wederrechtelijk te bevoordelen toen hij [slachtoffer] heeft gedwongen de telefoon af te geven.

Ten aanzien van de inschuld overweegt de rechtbank als volgt. Zowel [slachtoffer] als [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] per 1 april 2010 bij [medeverdachte 1] in dienst is getreden op grond van een contract voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van zes maanden. Dit contract is, zo blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer] en [medeverdachte 1], tweemaal stilzwijgend verlengd en het contract zou derhalve van rechtswege eindigen op 1 oktober 2011. [medeverdachte 1] en [slachtoffer] hebben beiden verklaard dat [medeverdachte 1] aan [slachtoffer] salaris heeft doorbetaald tot en met 30 september 2011. Van salarisrechten was derhalve geen sprake meer, zodat in die zin ook geen sprake kan zijn van afpersing.

Dat [slachtoffer] door het toegepaste geweld werd gedwongen af te zien van een ontslagvergoeding kan evenmin worden aangenomen, nu in geval van een contract voor bepaalde tijd in beginsel geen aanspraak gemaakt kan worden op een ontslagvergoeding, behoudens het hoogst uitzonderlijke geval dat in het contract voor bepaalde tijd een opzeggingsverplichting voor de werkgever zou zijn opgenomen. Dat een dergelijke (ongebruikelijke) opzeggingsverplichting in het contract tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] zou zijn opgenomen is gesteld noch gebleken. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat uit de tapgesprekken waarbij de telefoon van [slachtoffer] is afgeluisterd blijkt dat [slachtoffer] enige tijd voor 15 september 2011 zijn arbeidscontract uit de administratie van [club] heeft gehaald en mee naar huis heeft genomen, zodat [medeverdachte 1] hierover niet meer kon beschikken en derhalve geen bewijs meer in handen had van het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit gegeven ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij om die reden een handtekening van [slachtoffer] wenste onder de door hem opgestelde beëindigingsovereenkomst.

Nu van de in de tenlastelegging genoemde financiële aanspraken van [slachtoffer] geen sprake is, dient verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van afpersing van een inschuld.

Nu de rechtbank geen oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling bewezen acht, blijft over dat [slachtoffer] door geweld en bedreiging met geweld is gedwongen tot afgifte van de bij hem in gebruik zijnde (en aan [medeverdachte 1] toebehorende) telefoon en tot het tekenen van de beëindigingsovereenkomst. De rechtbank leest de tenlastelegging in die zin dat impliciet subsidiair dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht ten laste is gelegd en de rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Het bewijs

Op 14 oktober 2011 werd in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] een ploertendoder aangetroffen.

Een ploertendoder is een wapen in de zin van artikel 2, categorie I, onder 3° van de Wet Wapens en munitie.

Verdachte heeft verklaard dat de ploertendoder van hem was.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 28 augustus 2011 tot en met 15 september 2011 te Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en het accepteren van zijn ([slachtoffer]s) beëindiging dienstverband bij [club], welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het,

- creëren van een situatie waarbij die [slachtoffer] alleen stond tegenover een numerieke overmacht van drie personen, en

- dwingen van die [slachtoffer] tot het ondertekenen van meerdere documenten, en

- een hard voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] gedrukt, en

- het meermalen die [slachtoffer] tegen het hoofd slaan;

2.

op 14 oktober 2011 te Soest een wapen categorie I, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken. Ten aanzien van het voorhanden hebben van de ploertendoder heeft de verdediging geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het dwingen van [slachtoffer] tot het afgeven van een telefoon en het ondertekenen van een beëindigingsovereenkomst. Dit dwingen is gebeurd door een hard voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer] te drukken, door die [slachtoffer] meermalen te slaan en door het creëren van een numerieke overmacht van drie personen.

Tevens heeft verdachte een ploertendoder voorhanden gehad. Dit goed vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens dient dan ook te worden opgetreden.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 oktober 2011, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde zodanig ernstig dat zij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur noodzakelijk acht. Het wettelijk strafmaximum voor het bewezen verklaarde feit bedraagt 9 maanden gevangenisstraf. De rechtbank ziet redenen om deze maximaal mogelijke straf aan verdachte op te leggen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Het toepassen van de dwang is zeer planmatig uitgevoerd. Voorafgaand aan de dag van het tenlastegelegde hebben verdachten meermalen overleg gehad over wat er moest gebeuren en na het plegen van het delict hebben verdachten onderling contact gehad om te bevestigen dat [slachtoffer] had getekend. [medeverdachte 1] heeft ervoor gekozen hulp in te schakelen van [medeverdachte 2] om [slachtoffer] te dwingen de beëindigingsovereenkomst te tekenen en de bij hem in gebruik zijnde telefoon af te geven. [medeverdachte 2] heeft vervolgens op zijn beurt [medeverdachte 3] en verdachte ingeschakeld om [medeverdachte 1] bij te staan in de confrontatie met [slachtoffer].

De rechtbank neemt dit alle verdachten zeer kwalijk en zal voor feit 1 de maximumstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, opleggen.

Voor feit 2 zal de rechtbank een geldboete conform de richtlijnen opleggen.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 27, 36b, 36c, 47, 284 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Ten aanzien van feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 170,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 3 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

1.00 STK Luchtbuks

GR007.01E.03.01 luchtdrukpistool 4.5 mm

3.00 STK Patroon

GR007.02J.01.01 doosje met 3 patronen

- gelast de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen voorwerp, te weten:

1.00 STK Ploertendoder

GR007.01E.01.01 ploertendoder.

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. C.A.M. van Straalen en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 april 2012.