Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3581

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
307004 - HA ZA 11-1062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Renvooiprocedure; de vordering op een stichting derdengelden gaat het bedrag dat die stichting daadwerkelijk ten behoeve van die schuldeiser onder zich heeft niet te boven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 307004 / HA ZA 11-1062

Vonnis van 18 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser tot erkenning,

advocaat mr. M.V. van Dijk,

tegen

MR. DR. ING. A.J. VERDAAS,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting

Stichting Beheer Derdengelden LHV Declaratie Direct,

kantoorhoudende te Utrecht,

verweerder tot erkenning,

advocaat mr. S.M. Govers

Partijen zullen hierna [eiser] en de curator genoemd worden. De gefailleerde stichting wordt verder SBD genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 december 2011, waarin ten onrechte niet is vermeld dat de curator een akte aanzegging schorsing en hervatting geding na schorsing heeft genomen op 24 augustus 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 17 februari 2012,

- de brief van 21 februari 2012 namens de curator, waarin wordt verzocht om wijziging van het proces-verbaal, welke brief geacht moet worden aan dat proces-verbaal te zijn aangehecht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. LHV Declaratie Direct B.V. (verder: LDD) dreef een onderneming die zich bezighield met het indienen van declaraties van huisartsen bij zorgverzekeraars en het innen van de gedeclareerde vorderingen van huisartsen op zorgverzekeraars.

2.2. LDD sloot daartoe overeenkomsten met huisartsen, alsmede met vennootschappen en rechtspersonen waarin huisartsenpraktijken werden gevoerd (verder: de huisartsen). Ook met [eiser] is zo’n overeenkomst gesloten.

2.3. Voor het beheer van de in verband met het voorgaande geïnde gelden maakte LDD gebruik van een derdengeldconstructie, waartoe zij zich bediende van SBD. SBD ontving betalingen van de zorgverzekeraars en betaalde aan de huisartsen.

2.4. In de overeenkomsten met de huisartsen was een betalingsschema opgenomen betreffende door huisartsen bij LDD ingediende declaraties. In de praktijk hield SBD dit schema van uitbetalingen aan de huisartsen aan, ongeacht of en wanneer de gedeclareerde gelden daadwerkelijk van de zorgverzekeraars door SBD waren ontvangen. Aldus werd er soms eerder en soms later betaald aan een huisarts dan dat SBD zelf het geld had ontvangen van de zorgverzekeraar.

Ook kwam het voor dat een zorgverzekeraar aan SBD een voorschot betaalde ten behoeve van een huisarts, zonder dat er sprake was van daarmee verband houdende declaraties. SBD betaalde een dergelijk voorschot door aan de huisarts. Latere declaraties van die huisarts werden door zo’n zorgverzekeraar dan niet meer uitbetaald, maar in de relatie met SBD administratief in mindering op het voorschot gebracht; hetzelfde deed vervolgens SBD administratief in haar relatie met de betrokken huisarts.

Door de betaling van een voorschot door SBD aan een huisarts ontstond een vordering van SBD op die huisarts. Door de administratieve boeking van latere declaraties in mindering op het voorschot, verminderde ook de vordering op de huisarts. Werd er uiteindelijk minder gedeclareerd dan het voorschot, dan moest het meerdere worden terugbetaald door de huisarts aan SBD (en door SBD aan de zorgverzekeraar).

2.5. In het laatste kwartaal van 2006 introduceerde LDD het op internet te raadplegen rekening-courantoverzicht, waarin per huisarts de financiële stand van zaken was opgenomen. Dit overzicht was gebaseerd op de administraties van LDD en SBD.

2.6. In het overzicht is sprake van ‘batches’, verzamelingen van door de huisarts bij LDD ingediende declaraties. Op elke regel van het overzicht zijn negen kerngegevens per batch genoteerd.

In de eerste drie kolommen is de batch gedefinieerd (nummer, datering en categorie).

In kolom 4 is de totale som van de in die batch ingediende declaraties te lezen.

In kolom 5 is te lezen voor welk bedrag de declaraties in die batch waren afgewezen door de zorgverzekeraar of – vooruitlopend daarop en dus de opvatting van de zorgverzekeraar voorspellend – door LDD.

In de kolommen 6 en 7 staat het bedrag dat binnen die batch al door LDD respectievelijk de zorgverzekeraars was uitbetaald aan de huisarts.

In kolom 8 staat welk bedrag nog binnen die batch is te vergoeden aan de huisarts.

In kolom 9 staat welk bedrag nog door de zorgverzekeraars aan LDD moest worden betaald binnen die batch.

2.7. In het overzicht is verder sprake van ‘niet-batchgebonden’ gegevens. Dit was het gebruikte jargon voor betaalde voorschotten, die immers geen verband hielden met reeds ingediende declaraties of verzamelingen (‘batches’) van declaraties. Genoteerd was welk bedrag aan de huisarts was betaald als voorschot (een positief bedrag in kolom 6) en wat nog van dat voorschot openstond, omdat er nog geen declaraties op in mindering waren gebracht (een negatief bedrag in kolom 8 ‘Aan de huisarts te vergoeden’). Als een voorschot was betaald en daarop was nog geen declaratie in mindering gebracht, waren de bedragen in de kolommen 6 en 8 gelijk aan elkaar, zij het positief respectievelijk negatief.

2.8. De gehele administratieve verwerking van de declaraties en geldstromen was door SBD opgedragen aan LDD. De mensen van LDD verrichten dus dit werk. Er werden regelmatig fouten gemaakt door LDD bij de verwerking van de declaraties. Die fouten werden weerspiegeld in de rekening-courantoverzichten. Correcties in die overzichten kwamen regelmatig voor.

2.9. LDD en, korte tijd later, SBD zijn in 2009 in staat van faillissement verklaard. De curator is benoemd per 15 juni 2011 in beide faillissementen, als opvolger van twee successieve andere curatoren (steeds aangeduid in dit vonnis, zonder onderscheid en in het enkelvoud, als: de curator).

2.10. Uitgaande van het feit dat LDD zich van SBD bediende in het kader van een derdengeldconstructie, heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat de omvang van de vordering van elke huisarts in het faillissement van SBD exact gelijk moet zijn aan het totaal van de door SBD ten behoeve van die huisarts tot de dag van de faillietverklaring ontvangen bedragen, verminderd met de aan die huisarts betaalde bedragen. Aldus, zo luidde de redenering van de curator, zal aan iedere huisarts een gelijk percentage van het te vorderen bedrag kunnen worden uitgekeerd. Elke andere methode van vaststelling van de vordering van de huisartsen die ertoe zou leiden dat de vordering van een huisarts tot een hoger bedrag erkend wordt, zou tot ongelijkheid leiden. Dat betekent immers dat die huisarts een hoger percentage zou krijgen van het bedrag dat SBD daadwerkelijk voor die huisarts onder zich heeft. En dat leidt tot een lager percentage voor anderen, want er is in totaal niet méér geld.

2.11. Het daadwerkelijk exact vaststellen van dit saldo per huisarts bleek niet mogelijk. Dat had twee oorzaken. Over de eerste periode vanaf het operationeel worden van SBD (van omstreeks november 2004 tot 1 maart 2005) ontbrak de informatie over een groot deel van de bankmutaties. In de tweede plaats kwam het na die tijd voor dat zorgverzekeraars ‘bulkbetalingen’ deden. Een bulkbetaling is de betaling van één bedrag, leidende tot één mutatie op de rekening van SBD, terwijl dat bedrag de som was van bedragen die aan verschillende huisartsen waren verschuldigd. Onderliggende papieren informatie moest dan duidelijkheid bieden hoe die bulkbetaling was samengesteld en welk deel daarvan toekwam aan de respectievelijk daarbij betrokken huisartsen. De curator heeft niet van alle bulkbetalingen deze handmatige koppeling tot stand kunnen brengen.

Van alle mutaties is daardoor ongeveer 1% niet tot een individuele huisarts te herleiden.

2.12. Over de methode en de toepassing ervan zijn de huisartsen door de curator ingelicht. Iedere huisarts kon zien op de website welke vordering of welke schuld hij volgens deze methode had. Ook kreeg iedere huisarts daarover een brief van de curator. De methode is ook op de verificatievergadering nog uiteengezet.

2.13. Wat is genoteerd in 2.3 tot en met 2.7 is ook aan de orde tussen LDD/SBD en [eiser]. [eiser] is ingelicht conform 2.12. De methode van de curator leidde volgens de curator tot een schuld van [eiser] aan SBD van € 3.196,73. Tot dit bedrag is dus volgens de curator aan [eiser] méér uitbetaald door SBD dan SBD van de zorgverzekeraars ten behoeve van [eiser] heeft ontvangen, althans voorzover dat was te reconstrueren, gegeven de feiten in 2.11.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, bepaalt dat [eiser] als concurrente schuldeiser in het faillissement van SBD wordt toegelaten met een vordering van primair € 76.009,79, subsidiair € 75.082,- en meer subsidiair € 74.650,20 en dat zijn vordering tot dit bedrag wordt erkend en geverifieerd, met veroordeling van de curator in de kosten van dit geding.

3.2. Curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De primair en subsidiair door [eiser] genoemde bedragen zijn hoger dan het bedrag van € 75.000,- waarvan [eiser] op de verificatievergadering erkenning heeft gevraagd. Deze verhoging komt neer op een eisvermeerdering en die is in procedures als de onderhavige volgens (het systeem van) de wet niet toegestaan. Ter comparitie heeft [eiser] gezegd deze vorderingen te willen verminderen tot € 75.000,-. De rechtbank kan het partijdebat over de primaire en de subsidiaire vordering beoordelen en daaruit conclusies trekken. Die kunnen echter niet leiden tot een erkenning van de vordering van [eiser] boven € 75.000,-.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat het karakter van SBD als derdengeldconstructie meebrengt dat de door de curator gehanteerde methodiek van het bepalen van de vorderingen van de huisartsen, onder wie [eiser], juist is. De gezamenlijke huisartsen zijn de rechthebbenden op het totale saldo op de derdenrekening(en) die SBD te hunnen behoeve aanhield. De som van hun aanspraken kan de som op die derdenrekening(en) niet te boven gaan. De aanspraak van een individuele huisarts is – zo volgt daaruit – gelijk aan het bedrag dat SBD ten behoeve van die huisarts onder zich hield. En dat bedrag is het saldo van wat door SBD is ontvangen voor die huisarts minus wat door SBD is betaald aan die huisarts. Het fixatiebeginsel brengt mee dat het een en het ander moet worden begroot op de dag van faillietverklaring, zoals de curator ook heeft gedaan.

4.3. Door [eiser] is een andere berekeningsmethodiek ten grondslag gelegd aan alle drie bedragen waarvan hij successievelijk erkenning eist. In die methodiek is tot uitgangspunt gekozen wat [eiser] heeft gedeclareerd via SBD aan de zorgverzekeraars. Maar uitsluitend het declareren van bedragen leidt er nog niet toe dat deze door de zorgverzekeraars zijn uitbetaald aan SBD en zegt niets over wat door SBD al aan [eiser] is uitbetaald. Het saldo dat SBD onder zich had voor [eiser] op de dag van faillietverklaring behoeft dus helemaal niet gelijk te zijn aan de toen openstaande declaraties. Op wat er niet is, kan [eiser] geen aanspraak doen gelden. Uit 4.2 vloeit voort dat de rechtbank deze andere methodiek van [eiser] niet zal volgen. Op die grond kan zijn eis tot erkenning van geen van zijn drie bedragen worden toegewezen.

4.4. Het staat vast dat LDD fouten heeft gemaakt bij de administratieve verwerking van de geldstromen (zie 2.8). [eiser] heeft tegen deze achtergrond terecht zijn vraagtekens gezet bij de uitkomst van de door de curator gebruikte methodiek. Zekerheid dat de cijfers kloppen, is er niet. Integendeel, de cijfers kloppen zeker niet. Dat volgt direct uit 2.11. De rechtbank gaat echter niet mee in [eiser]s conclusie dat om die reden moet worden uitgegaan van de door hem genoemde bedragen. Die gaan immers van een andere methodiek uit.

4.5. Ook [eiser]s stelling dat hij er – gegeven de onzekerheid van de getallen – van moet uitgaan dat alles wat hij heeft gedeclareerd via SBD ook daadwerkelijk door de zorgverzekeraars is uitbetaald aan SBD en niet door SBD aan hem is doorbetaald, kan niet worden aanvaard. Voor die aanname bestaan simpelweg geen aanknopingspunten. Integendeel, [eiser] heeft gesteld dat het bedrag dat volgens kolom 8 in het rekening-courantoverzicht nog openstaat aan declaraties (€ 74.650,-) nagenoeg gelijk is aan het bedrag dat aan openstaande declaraties in zijn eigen administratie staat (€ 76.009,79). Dit wijst niet op heel verkeerde becijfering bij SBD. Ook het procentuele deel van door SBD ontvangen bedragen die niet tot een individuele huisarts zijn te herleiden, is zeer klein (zie 2.11). Dit wijst niet op een te verwachten enorme afwijking tussen het ‘echte’ bedrag en wat bij SBD aan bedragen is genoteerd als tot individueel huisartsniveau herleidbaar. De conclusie is dat niets wijst op de veronderstelling van [eiser] dat waar het rekening-courantoverzicht in kolom 9 meldt dat voor hem nog € 73.939,29 van de zorgverzekeraars moet worden ontvangen, hier in werkelijkheid € 0,00 had moeten staan, omdat het bedrag in kolom 9 totaal verkeerd is en alles al ontvangen zou zijn.

4.6. De curator heeft met toepassing van zijn methodiek berekend dat de boedel nog een vordering heeft op [eiser]. Deze gestelde vordering is geen onderdeel van het onderhavige geschil. De curator heeft dit bedrag immers niet opgeëist in deze procedure. De curator heeft echter met deze berekening op voldoende gemotiveerde wijze de door [eiser] te bewijzen omvang van diens vordering betwist. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking de wijze waarop het door de curator opgedragen onderzoek is opgezet en uitgevoerd. De rechtbank doelt hier op het onderzoek om de aan de respectieve huisartsen toekomende bedragen af te leiden uit de administratie. De opzet van dat onderzoek is onweersproken beschreven in de conclusie van antwoord tot erkenning 31 tot en met 34. Dit onderzoek is als uitgebreid en minutieus te kenschetsen en heeft voor [eiser] geleid tot het door de curator genoemde bedrag dat de boedel nog van [eiser] te vorderen heeft.

4.7. Het is aan [eiser] te bewijzen wat de omvang van zijn vordering is. Daarin is hij niet geslaagd. Daarom moet zijn eis tot erkenning worden afgewezen.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van curator worden begroot op:

- griffierecht € 588,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

totaal € 1.746,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen tot erkenning af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van curator tot op heden begroot op € 1.746,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.?