Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3580

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
23-04-2012
Zaaknummer
320292 - HA RK 12-113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet exequatur; proceskostenveroordeling overeenkomstig artikel 1019h Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/265

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rekestnummer: 320292 / HA RK 12-113

Beschikking van 18 april 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROUCAR GEAR TECHNOLOGIES B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

verzoekers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. P.C. van As te Nieuwegein,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats], Frankrijk,

verweerder in conventie,

verzoeker in reconventie,

advocaat mr. M.C. Franken- Schoemaker te Houten.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 8 februari 2012 (zaaknr./rolnr. 317943/HA ZA 12-27), waarbij de zaak is omgezet van een dagvaardingsprocedure naar een verzoekschriftprocedure

- het verweerschrift, waarbij verweerder een reconventioneel verzoek heeft ingediend

- de mondelinge behandeling.

2. De beoordeling

in conventie

2.1. Met de dagvaarding van 27 juli 2011 beoogt Roucar c.s. verzet in te stellen ex artikel 43 Verordening nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Vo) tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 13 juli 2011 waarbij een tussen partijen gegeven beslissing d.d. 4 mei 2011 van het Cour d’Appel de Paris (Frankrijk) (hierna: het Franse arrest) uitvoerbaar is verklaard in Nederland. De vordering zal ex artikel 69 Rv aldus worden begrepen dat daarmee wordt verzocht om de uitvoerbaarverklaring in te trekken.

2.2. Roucar c.s. heeft aan zijn verzet tegen de beschikking van de voorzieningenrechter ten grondslag gelegd dat het Franse arrest niet uitvoerbaar verklaard had mogen worden, omdat:

- niet aan de formaliteiten van artikel 41 jo artikel 53 EEX-Vo was voldaan;

- tenuitvoerlegging van het Franse arrest onverenigbaar is met het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 juni 2010 in de zaak Roucar tegen de curator van Four Stroke S.A.R.L. en [gedaagde] (zaaknr./rolnr/ 277615/HA ZA 90-2640, hierna te noemen: de hoofdzaak).

2.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Roucar c.s. zich - in het licht van de inhoud van de beschikking van 26 oktober 2011 in de gelijksoortige zaak met zaaknummer/rekestnummer 293981/HA ZA 10-2119 (LJN:BU3778) - gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.4. Naar het oordeel van de rechtbank valt het niet voldoen aan de vereisten van de artikelen 41 en 53 van de EEX-Vo niet onder één van de gronden op basis waarvan een verklaring van uitvoerbaarheid kan worden geweigerd of ingetrokken (artikel 43 jo artikelen 34 en 35 EEX-Vo), zodat de uitvoerbaarverklaring niet op die grond kan worden ingetrokken.

2.5. Ten aanzien van de onverenigbaarheid van het Franse arrest met het vonnis in de hoofdzaak van 30 juni 2010 overweegt de rechtbank dat laatstgenoemd vonnis enkel een beslissing inhoudt op de vraag of de rechtbank bevoegd is om van de ingestelde vorderingen kennis te nemen. Een dergelijke bevoegdheidskwestie vormt geen grond die bij de toets of sprake is van onverenigbaarheid in de zin artikel 34 sub 3 EEX-Vo, in aanmerking mag worden genomen (vlg. Hof van Justitie 6 juni 2002, C80/00, overweging 44). Nu het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 juni 2010 geen beslissing inhoudt omtrent de vraag aan wie de betreffende intellectuele eigendomsrechten toekomen, moet geconcludeerd worden dat dat vonnis en het Franse arrest geen rechtsgevolgen hebben die elkaar uitsluiten. De conclusie van het voorgaande is dat van onverenigbaarheid in de zin van artikel 34 sub 3 EEX-Vo geen sprake is, zodat het beroep van Roucar c.s. op die bepaling faalt.

2.6. Het voorgaande betekent dat het verzoek om de uitvoerbaarverklaring van het Franse arrest in te trekken moet worden afgewezen.

2.7. Roucar c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in conventie worden veroordeeld. [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten ad € 14.252,50, een en ander overeenkomstig artikel 1019h Rv. Roucar c.s. heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat in het Franse arrest, en daarmee in de onderhavige zaak, geen sprake is van een vordering strekkende tot staking van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, zodat artikel 1019h Rv toepassing mist, althans dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is op octrooizaken, althans dat de opgevoerde kosten niet redelijk en evenredig zijn.

2.8. De rechtbank volgt Roucar c.s. niet in zijn verweer dat artikel 1019h Rv alleen van toepassing is op zaken waarin sprake is van een vordering strekkende tot staking van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. Uit het bepaalde in artikel 1019 Rv blijkt dat artikel 1019h Rv van toepassing is op alle zaken waarin de handhaving van rechten van intellectuele eigendom aan de orde is. In de Franse procedure strekte de vordering van [gedaagde] er kennelijk toe om hem als enig eigenaar aan te wijzen van een aantal patentaanvragen en om vervolgens de schade te vergoeden die hij heeft geleden doordat Roucar c.s. hem verhinderd heeft om de registratie van internationale uitbreidingen van de aanvragen en het zoeken van partners voor de ontwikkeling van de uitvindingen en hun toepassingen normaal uit te voeren. Daarmee is dat een zaak die ziet op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 18 oktober 2011, C-406/09, geldt dit oordeel vervolgens ook voor de uit die zaak voortvloeiende exequaturprocedure. Octrooirechten behoren tot de intellectuele eigendomsrechten waarvoor een proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv kan worden gevraagd, omdat deze rechten onderdeel uitmaken van de opsomming van de intellectuele eigendomsrechten in artikel 1019 Rv. De gevraagde proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv is derhalve in beginsel toewijsbaar.

2.9. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde kosten overweegt de rechtbank als volgt. De onderhavige zaak betreft een octrooizaak en valt derhalve niet onder de landelijk vastgestelde indicatietarieven in IE-zaken, zodat de hoogte van de opgevoerde kosten niet aan die tarieven kan worden getoetst. Wel dienen de kosten te voldoen aan het vereiste van artikel 1019h Rv dat deze redelijk en evenredig zijn, en voorts dienen de kosten gemaakt te zijn met betrekking tot de onderhavige procedure. De rechtbank constateert dat een deel van de opgevoerde kosten, die [gedaagde] heeft gespecificeerd door overlegging van productie 4, ziet op kosten die dateren van vóór het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 27 juli 2011. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat die kosten zien op de onderhavige procedure, zodat die kosten buiten beschouwing dienen te blijven. Voor zover de kosten zien op de afgifte van de uitvoerbaarverklaring (bij beschikking van 13 juli 2011), geldt bovendien dat in die beschikking al een beslissing over de daarvoor gemaakte proceskosten is gegeven. [gedaagde] aanspraak had willen maken op volledige proceskostenveroordeling conform artikel 1019h Rv en/of nakosten, had hij dat in die procedure moeten vorderen. Dat heeft hij evenwel (kennelijk) nagelaten.

2.10. Anders dan Roucar c.s. stelt, kan de reistijd van de advocaat van [gedaagde] vanuit Brussel naar Utrecht voor het bijwonen van de zitting in de onderhavige procedure niet als onredelijk worden aangemerkt, nu het aan een partij zelf is om te beslissen of zij haar procesadvocaat naar een zitting wil sturen, of haar behandelend advocaat. Voor het overige kunnen de gespecificeerde kosten, ook indien in aanmerking wordt genomen dat de onderhavige procedure min of meer een herhaling vormt van de procedure die is geëindigd met de beschikking van 26 oktober 2011, niet als onevenredig of onredelijk worden aangemerkt.

2.11. Wel is het zo dat in de als productie 4 door [gedaagde] overgelegde specificatie geen onderscheid is gemaakt tussen de kosten die met betrekking tot de procedure in conventie en de procedure in reconventie zijn gemaakt. De rechtbank schat het deel van de kosten dat voor de procedure in reconventie is gemaakt op 30% van de totale kosten, zodat de opgevoerde kosten met dat percentage zullen worden verminderd.

2.12. Het voorgaande leidt tot de volgende berekening:

Gespecificeerde kosten: € 14.252,50

minus:

- kosten op/vóór 27 juli 2011 111,00

277,50

78,00

2.706,00

- 10% kantoorkosten 306,15

Subtotaal € 10.773,85

minus: 30% 3.232,16

Totaal € 7.541,69

2.13. Nu een proceskostenveroordeling niet kan worden aangemerkt als een vordering die voortspruit uit een handelsovereenkomst, is de gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal (met ingang van de hierna te bepalen redelijke termijn) de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW worden toegewezen.

2.14. De nakosten, waarvan [gedaagde] betaling vraagt, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

in reconventie

2.15. [gedaagde] heeft de rechtbank in reconventie verzocht om Roucar c.s. overeenkomstig artikel 1019h Rv te veroordelen in de daadwerkelijke kosten die zijn gemaakt in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 26 oktober 2011 (hierna: de eerste procedure), vermeerderd met wettelijke handelsrente en nakosten.

2.16. De rechtbank constateert dat in de beschikking van 26 oktober 2011 al een beslissing is gegeven over de proceskosten, namelijk door deze toe te wijzen tot een bedrag van € 904,00 conform het liquidatietarief. [gedaagde] aanspraak had willen maken op volledige proceskostenveroordeling conform artikel 1019h Rv, had hij dat in die procedure moeten vorderen. Dat heeft hij evenwel (kennelijk) nagelaten. In deze latere procedure kan hij daarom niet alsnog vergoeding van de kosten op grond van artikel 1019h Rv vragen.

2.17. Vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in een latere procedure is wel mogelijk, indien de betreffende partij door het instellen van de eerdere procedure misbruik heeft gemaakt van recht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] stelt zich kennelijk op het standpunt dat Roucar c.s. zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht door te stellen dat Roucar c.s. [gedaagde] telkens onnodig op kosten heeft gejaagd door verzet tegen de uitvoerbaarverklaring van een Franse uitspraak in te stellen op gronden die niet kunnen slagen.

2.18. De rechtbank stelt voorop dat een ieder het recht heeft om zijn standpunt ten aanzien van een bepaalde kwestie aan de rechter voor te leggen. Alleen indien Roucar c.s. vóór het instellen van de eerste procedure wist dan wel heeft moeten weten dat deze volstrekt kansloos was, kan hem misbruik van recht ten aanzien van die procedure worden verweten. Een dergelijke conclusie is ten aanzien van de eerste procedure niet gerechtvaardigd, nu het argument van onverenigbaarheid van beslissingen op zichzelf op grond van artikel 43 jo artikelen 34 en 35 EEX-Vo tot intrekking van een uitvoerbaarverklaring kan leiden.

Ten aanzien van het instellen van de onderhavige procedure kan Roucar c.s. evenmin een ernstig verwijt worden gemaakt, nu de beschikking in de eerste procedure pas is gegeven na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure.

2.19. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er van misbruik van recht geen sprake is, zodat het reconventionele verzoek van [gedaagde] moet worden afgewezen.

2.20. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Roucar c.s. worden begroot op:

- betaald vast recht EUR 0,00

- salaris advocaat 452,00 (1,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. wijst het verzoek tot intrekking van de uitvoerbaarverklaring van de beslissing van 4 mei 2011 van het Cour d’Appel de Paris (Frankrijk) af,

3.2. veroordeelt Roucar c.s. hoofdelijk, in die zin dat indien de één betaalt, de ander daarvan zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 7.541,69, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling,

3.3. veroordeelt Roucar c.s., indien niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig volledig aan deze beschikking wordt voldaan, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde] aan de beschikking heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4. verklaart onderdelen 3.2 en 3.3 van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst af het meer of anders verzochte.

in reconventie

3.6. wijst het verzoek af,

3.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Roucar c.s. tot op heden begroot op EUR 452,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Eelkema en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2012.?