Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3533

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
16-604043-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldheling. Ongeloofwaardige verklaring verdachte. Verweer onherstelbaar vormverzuim verworpen; er zijn geen strafrechtelijke voorschriften dan wel strafprocessuele normen overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604043-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[woonplaats],

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1].

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van een [naam];

feit 2: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing.

feit 3: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van een auto en een autosleutel.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling zoals ten laste gelegd onder feit 1 en baseert zich daarbij op de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. In de nacht van 10 november 2010 ziet de politie in Houten om 01:10 uur een [naam] met schade rijden. Het is bij de politie bekend dat [naam] stationwagens die bij inbraken dan wel ramkraken worden gebruikt vaak soortgelijke schade hebben. Bij het zien van de politieauto wordt de snelheid van deze auto verhoogd. De bestuurder van de [naam] negeert het stopteken van de politie en de politie zet de achtervolging in. De [naam] rijdt deels met gedoofde lichten en met hoge snelheid richting Vianen. Op een gegeven moment rijdt de [naam] met hoge snelheid over een vluchtheuvel. De auto vat vlam en de bestuurder laat de auto tot stilstand komen. De agent [verbalisant 2] ziet drie personen uit de auto komen en wegrennen. [verbalisant 2] raakt één verdachte kwijt. Hij ziet dat de overige twee veel haast hebben om weg te komen. Eén, naar later blijkt [verdachte], struikelt over een afzetting en de ander, naar later blijkt [medeverdachte 1], springt zelfs in het Merwedekanaal. Het is midden in de nacht en er zijn geen andere mensen in de omgeving. Uit onderzoek van de politie blijkt dat het om een gestolen auto gaat met valse kentekenplaten en waarvan het volgsysteem is gejamd. Op grond van het bovenstaande stelt de officier van justitie dat het niet anders kan dan dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] wist dat het om een gestolen auto ging.

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en vordert vrijspraak ten aanzien van dit feit.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan. Bij [verdachte] wordt een autosleutel van een [naam] aangetroffen, welke als gestolen staat geregistreerd. De verklaring van [verdachte] dat hij deze sleutel op straat heeft gevonden acht de officier van justitie zeer ongeloofwaardig. Daar komt bij dat de betreffende [naam] ook van valse kentekenplaten is voorzien. Een situatie gelijkend aan die van de [naam]. De gestolen [naam] wordt in de nabijheid aangetroffen van de plaats waar de politie de [naam] in het vizier krijgt. Bovendien is verdachte in het bezit van een sleutel die bestemd is om verwijderbare wegafsluitingen te ontsluiten dan wel te verwijderen en staat de [naam] op een route waar hij met die sleutel bij kan. Verdachte heeft niet alleen het bezit en heerschappij van de autosleutel van die [naam], maar ook van de [naam] zelf, gelet op de korte afstand tussen het aantreffen van verdachte en de [naam] en het feit dat hij de autosleutel voorhanden heeft.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Er is geen bewijs in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat verdachte in de [naam] is gezien. Agent [verbalisant 2] ziet direct na de ontploffing van de auto drie personen wegrennen, hij heeft ze dus niet zien uitstappen. Getuige [getuige 1] ziet na het ongeval twee personen. Getuige [getuige 2] verklaart dat hij 1 persoon heeft zien uitstappen. Daarnaast levert het sporenonderzoek geen bewijs op waaruit blijkt dat verdachte in de auto heeft gezeten, noch dat hij op enig moment de auto heeft bestuurd of in bezit heeft gehad. Ook is niet van enige betrokkenheid van verdachte gebleken bij de woninginbraak waarbij de [naam] is weggenomen. Het feit dat verdachte in de nacht van 10 november 2010 in de omgeving van de [naam] was, kan niet leiden tot de aanname dat hij uit deze auto kwam. Ook als de rechtbank ervan uit zou gaan dat verdachte in de auto zat, kan niet worden bewezen dat hij kennis had moeten hebben van het feit dat de auto van een misdrijf afkomstig was. Alles aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat verdachte één van de personen is geweest die in de auto heeft gezeten en derhalve betrokken is geweest bij de brandstichting aan of in die auto. Mocht de rechtbank een andere mening zijn toegedaan, dan stelt de verdediging dat uit de stukken volgt dat er geen bewijs is aangetroffen in de uitgebrande [naam] van een oorzaak waardoor de brand dan wel explosie zou kunnen zijn ontstaan. Het aantreffen van bepaalde goederen in en rond de auto, kan zonder enig (steun)bewijs niet leiden tot de conclusie dat het gezien die omstandigheden dus niet anders kan zijn dan dat de brand in die [naam] opzettelijk is gesticht. Op grond van het vorenstaande dient vrijspraak te volgen, alles aldus de verdediging.

Ten aanzien van feit 3 stelt de verdediging dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu de politie niet heeft onderzocht of er sporen van verdachte in de [naam] zijn terug te vinden. De verdediging is in zijn belangen geschaad, aangezien er hierdoor mogelijk ontlastend bewijs verloren is gegaan en forensisch onderzoek nu niet meer mogelijk is.

Verdachte stelt dat hij de autosleutel van de gestolen [naam] heeft gevonden. Volgens de verdediging is deze verklaring niet zo onwaarschijnlijk dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde kan worden gesteld, aangezien het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat de sleutel niet van een misdrijf afkomstig is. Er kan op geen enkele wijze worden aangetoond hoe verdachte enige wetenschap had moeten verkrijgen van het feit dat de sleutel respectievelijk de [naam] was gestolen. Hij wist niet dat de bijbehorende [naam] enkele straten verderop stond. Alles aldus de verdediging.

De verdediging bepleit derhalve vrijspraak van feit 3.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

De politie ziet op 10 november 2010 een donkerkleurige [naam], type [naam], model stationwagon (kenteken [kenteken]) met hoge snelheid over de Rondweg te Houten rijden. De betreffende agent ziet dat de auto aan de achterzijde lichte schade heeft ter hoogte van de kofferbakklep. Het is de politie ambtshalve bekend dat de [naam] stationwagons die bij inbraken dan wel ramkraken worden gebruikt vaak soortgelijke schade oplopen aan de achterbumper ter hoogte van de kofferbakklep door onder meer het inladen van kluizen. De bestuurder van de [naam] negeert het stopteken van de politie en verhoogt zijn snelheid. Er volgt een achtervolging. De [naam] schampt daarbij een verhoogde stoeprand, waarna de auto tot stilstand wordt gebracht. Op het moment dat er vlammen uit de [naam] komen ziet agent [verbalisant 2] drie mannen uit de [naam] stappen die het op een rennen zetten. [verbalisant 2] weet verdachte [verdachte] aan te houden. [medeverdachte 1] springt in het Merwedekanaal. Als [verdachte] in de politieauto wordt gezet ontploft de [naam]. Wanneer [medeverdachte 1] weer aan wal is, wordt hij aangehouden. [verdachte] draagt handschoenen die met tape aan zijn jas zijn vastgemaakt, terwijl [medeverdachte 1] tape aan de onderkant van zijn mouw heeft.

In en rondom de auto worden aangetroffen: drie metalen jerrycans, twee gasflessen, twee gasslangen en een lasbrander, een motorzaag, een kloofbijl, een breekijzer en een schroevendraaier. Van dergelijke voorwerpen is bekend dat met behulp daarvan vermogensdelicten worden gepleegd.

Er zijn - gelet op de omstandigheden waaronder verdachte wordt aangehouden - weliswaar sterke aanwijzingen dat verdachte betrokken is bij een aan de auto en de inhoud daarvan gerelateerd misdrijf, maar zulks betekent niet dat daarmee wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de heling van de auto waarin voorwerpen worden aangetroffen. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte wist of op enigerlei wijze had moeten vermoeden dat de auto waarin hij zat van diefstal afkomstig was. Het vluchtgedrag en de constatering van de politie dat de kentekenplaat die is aangetroffen op de [naam] vals was doen aan dit oordeel niet af.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Vrijspraak feit 2

De achtervolging van de [naam] wordt beëindigd wanneer de [naam] tot stilstand komt en politieagent [verbalisant 2] een grote vlammenzee en veel zwarte rook ziet opstijgen uit de richting van de [naam]. Bij het naderen van de [naam] ziet [verbalisant 2] dat deze volledig in brand staat. Voordat de [naam] tot stilstand komt, ziet getuige [getuige 1] dat deze over een betonnen rand rijdt en dat er kort daarna vlammen onder de auto uitkomen. Ongeveer vijf à tien minuten later ontploft de [naam]. Omdat de [naam] geheel is uitgebrand kan de politie geen meting uitvoeren naar de aanwezigheid van brandbare stoffen die al dan niet zijn gebruikt bij het in brand steken of een ontploffing teweeg brengen van of in de [naam]. Uit het dossier valt derhalve niet af te leiden hoe de brand is ontstaan. Reeds om die reden dient vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 te volgen.

Bewijs feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder feit 3 heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Op 10 november 2010 wordt bij verdachte een elektrische autosleutel van het merk [naam] aangetroffen. Uit onderzoek blijkt deze sleutel te behoren bij een personenauto van het merk [naam], type [naam] met chassisnummer [naam]. Deze auto staat als gestolen gesignaleerd. Het kenteken van deze auto is [kenteken].

Een dag na het aantreffen van voornoemde autosleutel bij verdachte, wordt aan de [adres] te Houten de gestolen [naam] type [naam] met chassisnummer [naam] aangetroffen. Op de auto is het kenteken [kenteken] bevestigd. De tenaamgestelde van dit kenteken is een garagebedrijf in [adres]. Het kenteken [kenteken] maakt deel uit van de handelsvoorraad van dit bedrijf. De betreffende auto blijkt met geldig kenteken en voorzien van alle benodigde bescheiden in de showroom te staan en er zijn geen kentekenplaten ontvreemd.

Voornoemde [naam], de bijbehorende autosleutel en het bijbehorende kentekenbewijs zijn weggenomen bij een woninginbraak die heeft plaatsgevonden in de nacht van 27 oktober 2010 op 28 oktober 2010 te Amersfoort.

Verweer onherstelbaar vormverzuim

De raadsman stelt dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, nu de politie niet heeft onderzocht of er sporen van verdachte in de [naam] zijn terug te vinden waardoor mogelijk ontlastend bewijs verloren is gegaan en dit verzuim niet kan worden hersteld.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient onder een vormverzuim te worden verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Met het nalaten van een forensisch onderzoek naar de [naam] is geen strafrechtelijk voorschrift geschonden dan wel een strafprocessuele norm overtreden. Dat de politie onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie de keuze heeft gemaakt geen forensisch onderzoek te doen naar de betreffende [naam] levert geen fout in het strafproces op. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht, terwijl het aantreffen bij verdachte van een autosleutel behorend bij een auto die bij dezelfde woninginbraak is weggenomen vraagt om een uitleg. Pas ter terechtzitting legt de raadsman namens de – niet verschenen – verdachte de verklaring af dat hij de betreffende sleutel heeft gevonden. Waar verdachte deze sleutel heeft gevonden en onder welke omstandigheden licht hij niet toe. Gelet op het feit dat de gestolen [naam] wordt aangetroffen een dag na het aantreffen van de eveneens gestolen autosleutel bij verdachte, slechts enkele straten verwijderd van de plek waar de politie voor het eerst zicht heeft op de auto waar verdachte zich in bevindt en het feit dat er valse kentekenplaten aan de [naam] zijn bevestigd, acht de rechtbank de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Dat verdachte geruime tijd na zijn aanhouding komt met een verklaring voor het bezit van een gestolen autosleutel behorend bij een auto die bij dezelfde woninginbraak is weggenomen en deze verklaring pas aflegt ter terechtzitting, in samenhang met de ongedetailleerde inhoud van deze verklaring, leidt tot de conclusie dat de verklaring van verdachte niet alleen onwaarschijnlijk is maar ook ongeloofwaardig.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de autosleutel met de bijbehorende auto voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 november 2010 te Houten een auto ([naam], type [naam] met chassisnummer [naam]) en een autosleutel van deze [naam], voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto en autosleutel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door diefstal, althans door misdrijf verkregen goederen betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 3: schuldheling

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen acht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 22 weken met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de verdediging om rekening te houden met het feit dat het een relatief oude zaak betreft. Verdachte heeft lang moeten wachten op een behandeling van zijn zaak.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder deze is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een auto en de bijbehorende autosleutel. Verdachte heeft hierdoor een afzetmarkt voor gestolen goederen gecreëerd en in stand gehouden.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de heling tenlastegelegd onder feit 1, alsmede de heling tenlastegelegd onder feit 3. Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank constateert dat de zaak schromelijk laat is aangebracht door het Openbaar Ministerie, maar zal hier geen consequenties aan verbinden aangezien de redelijke termijn niet is overschreden.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat een werkstraf van 120 uur en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken passend is. Bij dit oordeel heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 6 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 417bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

schuldheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 maart 2012.