Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3521

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
16-604103-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het medeplegen van schuldheling en het medeplegen van opzettelijke brandstichting/het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604103-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[woonplaats],

raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1].

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van een [naam];

feit 2: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk brand stichten en/of teweeg brengen van een ontploffing.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling zoals ten laste gelegd onder feit 1 en baseert zich daarbij op de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. In de nacht van 10 november 2010 ziet de politie in Houten om 01:10 uur een [naam] met schade rijden. Het is bij de politie bekend dat [naam] stationwagens die bij inbraken dan wel ramkraken worden gebruikt vaak soortgelijke schade hebben. Bij het zien van de politieauto wordt de snelheid van deze auto verhoogd. De bestuurder van de [naam] negeert het stopteken van de politie en de politie zet de achtervolging in. De [naam] rijdt deels met gedoofde lichten en met hoge snelheid richting Vianen. Op een gegeven moment rijdt de [naam] met hoge snelheid over een vluchtheuvel. De auto vat vlam en de bestuurder laat de auto tot stilstand komen. De agent [verbalisant 1] ziet drie personen uit de auto komen en wegrennen. [verbalisant 1] raakt één verdachte kwijt. Hij ziet dat de overige twee veel haast hebben om weg te komen. Eén, naar later blijkt [medeverdachte 1], struikelt over een afzetting en de ander, naar later blijkt [verdachte], springt zelfs in het Merwedekanaal. Het is midden in de nacht en er zijn geen andere mensen in de omgeving. Uit onderzoek van de politie blijkt dat het om een gestolen auto gaat met valse kentekenplaten en waarvan het volgsysteem is gejamd. Op grond van het bovenstaande stelt de officier van justitie dat het niet anders kan dan dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] wist dat het om een gestolen auto ging.

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en vordert vrijspraak ten aanzien van dit feit.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1 en wijst daarbij op het ontbreken van enig bewijs waaruit blijkt dat [verdachte] in de [naam] heeft gezeten. Daarnaast stelt de verdediging dat ook al was [verdachte] inzittende geweest, dan nog niet kan worden bewezen dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die auto van diefstal afkomstig was. Er was geen sprake van uiterlijke kenmerken aan het voertuig waaraan de inzittende had kunnen zien dat de auto gestolen was. Dat er schade aan de [naam] zat is onvoldoende. Een auto met een beschadiging hoeft niet per se een auto te zijn die van diefstal afkomstig is. Het vluchtgedrag van [verdachte] zegt ook niets over zijn wetenschap. Er zouden meerdere redenen kunnen zijn waardoor hij zich genoodzaakt zag te vluchten. Zo had hij bijvoorbeeld een ontnemingsvordering lopen. Het vluchten kan niet als bewijsmiddel dienen. Alles aldus de verdediging.

De verdediging is tevens van mening dat de rechtbank evenmin tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 2, nu niet kan worden bewezen dat [verdachte] opzet heeft gehad op brandstichting. Doordat de auto volledig is uigebrand kan de oorzaak van de brand niet meer worden vastgesteld.

De verdediging verzoekt ten aanzien van beide feiten vrijspraak.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

De politie ziet op 10 november 2010 een donkerkleurige [naam], type [naam], model stationwagon (kenteken [kenteken]) met hoge snelheid over de Rondweg te Houten rijden. De betreffende agent ziet dat de auto aan de achterzijde lichte schade heeft ter hoogte van de kofferbakklep. Het is de politie ambtshalve bekend dat [naam] stationwagons die bij inbraken dan wel ramkraken worden gebruikt vaak soortgelijke schade oplopen op de achterbumper ter hoogte van de kofferbakklep door onder meer het inladen van kluizen. De bestuurder van de [naam] negeert het stopteken van de politie en verhoogt zijn snelheid. Er volgt een achtervolging. De [naam] schampt daarbij een verhoogde stoeprand, waarna de auto tot stilstand wordt gebracht. Op het moment dat er vlammen uit de [naam] komen ziet agent [verbalisant 1] drie mannen uit de [naam] stappen die het op een rennen zetten. [verbalisant 1] weet verdachte [medeverdachte 1] aan te houden. [verdachte] springt in het Merwedekanaal. Als [medeverdachte 1] in de politieauto wordt gezet ontploft de [naam]. [verdachte] weer aan wal is, wordt hij aangehouden. [medeverdachte 1] draagt handschoenen die met tape aan zijn jas zijn vastgemaakt, terwijl [verdachte] tape aan de onderkant van zijn mouw heeft.

In en rondom de auto worden aangetroffen: drie metalen jerrycans, een gasfles, twee gasslangen en een lasbrander, een motorzaag, een kloofbijl, een breekijzer en een schroevendraaier. Van dergelijke voorwerpen is bekend dat met behulp daarvan vermogensdelicten worden gepleegd.

Er zijn - gelet op de omstandigheden waaronder verdachte wordt aangehouden - weliswaar sterke aanwijzingen dat verdachte betrokken is bij een aan de auto en de inhoud daarvan gerelateerd misdrijf, maar zulks betekent niet dat daarmee wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de heling van de auto waarin voorwerpen worden aangetroffen. Uit de stukken blijkt niet dat verdachte wist of op enigerlei wijze had moeten vermoeden dat de auto waarin hij zat van diefstal afkomstig was. Het vluchtgedrag en de constatering van de politie dat de kentekenplaat die is aangetroffen op de [naam] vals was doen aan dit oordeel niet af.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Vrijspraak feit 2

De achtervolging van de [naam] stopt wanneer de [naam] tot stilstand komt en [verbalisant 1] een grote vlammenzee en veel zwarte rook ziet opstijgen uit de richting van de [naam]. Bij het naderen van de [naam] ziet [verbalisant 1] dat deze volledig in brand staat. Voordat de [naam] tot stilstand komt, ziet getuige [getuige] dat deze over een betonnen rand rijdt en dat er kort daarna vlammen onder de auto uitkomen. Ongeveer vijf à tien minuten later ontploft de [naam]. Omdat de [naam] geheel is uitgebrand kan de politie geen meting uitvoeren naar de aanwezigheid van brandbare stoffen die al dan niet zijn gebruikt bij het in brand steken of het teweeg brengen van een ontploffing van of in de [naam]. Uit het dossier valt derhalve niet af te leiden hoe de brand is ontstaan. Reeds om die reden dient vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 te volgen.

5. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 maart 2012.