Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3491

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
16/712239-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor heling en verkopen van valse merkkleding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712239-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: een gewoonte heeft gemaakt van opzetheling;

Feit 1 subsidiair: opzettelijk een telefoon en een laptop heeft geheeld;

Feit 2: opzettelijk binnen Nederland valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken heeft verkocht, terwijl hij dit misdrijf als bedrijf heeft uitgeoefend, meermalen gepleegd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie is van mening dat er zich geen bewijs bevindt in het dossier voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 primair en subsidiair en heeft daartoe aangevoerd dat cliënt niet wist of kon vermoeden dat de spullen gestolen waren. Meer onderzoek doen naar de herkomst van de goederen was onder deze concrete omstandigheden niet mogelijk, aldus de raadsman. De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2, met dien verstande dat slechts tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de periode december 2010 tot en met 22 februari 2011. De raadsman heeft daartoe betoogd dat er zich wel tapgesprekken uit 2007 in het dossier bevinden, maar dat er verder geen enkel bewijs in het dossier aanwezig is voor de periode voor december 2010.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er zich geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt voor het onder feit 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde.

Het bewijs ten aanzien van feit 1 subsidiair

De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 9 december 2009 doet [benadeelde] aangifte van woninginbraak. Bij deze inbraak is – onder meer – een iPhone 3gs weggenomen met serienummer [nummer].

Deze iPhone 3gs wordt op 6 oktober 2010 aangetroffen bij [getuige]. [getuige] verklaart dat zij de telefoon heeft gekocht van [verdachte], wonende te Amersfoort. Zij wijst de woning van deze [verdachte] aan als zijnde de woning aan het [adres] te Amersfoort. Dit is het adres van verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij de iPhone 3gs heeft gekregen van een Marokkaanse jongen en dat hij deze iPhone heeft verkocht aan [getuige]. Verdachte heeft verklaard dat hij nog heeft geprobeerd de telefoon terug te halen, omdat deze misschien gestolen was.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 subsidiair

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de opzetheling van de telefoon, omdat hij niet wist of kon vermoeden dat de telefoon gestolen was. De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer van de raadsman als volgt. Verdachte verklaart dat hij de telefoon heeft gekregen. Verdachte heeft geen geld betaald voor de telefoon. Verdachte verklaart voorts dat hij niet weet wat de herkomst van de telefoon is. Verdachte verklaart tevens dat hij nog heeft geprobeerd de telefoon terug te krijgen, omdat hij niet zeker wist of de telefoon gestolen was. Op grond van deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een gestolen telefoon voorhanden had en deze door heeft verkocht. De rechtbank is op grond van vorenstaande omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat er sprake is van opzetheling.

Nadere overweging ten aanzien van feit 1 subsidiair

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de opzetheling van de laptop, omdat hij niet wist of kon vermoeden dat de laptop gestolen was. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de opzetheling van de laptop en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij de laptop heeft gekocht op de zwarte markt voor € 175,--. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij ervan uitging dat de laptop niet gestolen was. De rechtbank is van oordeel dat uit het bedrag van € 175,-- niet zonder meer kan worden afgeleid dat het een gestolen laptop betreft. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om de opzetheling van de laptop bewezen te verklaren en zal verdachte daarvan partieel vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 22 februari 2011 wordt de woning van verdachte doorzocht. De volgende kleding wordt in beslag genomen: 8 blauwe spijkerbroeken, merk True Religion, 1 zwarte spijkerbroek, merk True Religion, 1 blauwe spijkerbroek, merk Armani, 1 blauwe spijkerbroek, merk Replay, 1 blauwe spijkerbroek, merk Gucci, 1 blauwe spijkerbroek, merk G-star, 1 witte spijkerbroek, merk G-star, 2 zwarte spijkerbroeken, merk G-star, 1 blauwe spijkerbroek, merk Diesel, 6 blauwe spijkerbroeken, merk Dolce & Gabbana, 4 zwarte spijkerbroeken, merk Dolce & Gabbana, 14 sets van 2 boxershorts, merk Björn Borg, 1 overhemd, merk Tommy Hilfiger, 1 overhemd, merk La Martina, 1 overhemd, merk Burberry, 1 paar schoenen maat 41, merk Lanvin, 1 losse schoen maat 42, merk Lanvin, 1 jas, merk Tommy Hilfiger, 1 jas, merk Moncler, 1 jas, merk Adidas, 1 T-shirt, merk Diesel, 9 T-shirts, merk G-star, 28 T-shirts, merk Armani, 1 T-shirt, merk Guess, 1 spijkerbroek, merk Denim Design.

[A], werkzaam als controleur bij SNB-REACT heeft vastgesteld dat de volgende bij verdachte in beslag genomen producten, te weten 1 jas, valselijk voorzien van het merk Adidas, 16 stuks ondergoed (2-pack), valselijk voorzien van het merk Björn Borg, 1 shirt, valselijk voorzien van het merk Burberry, 10 jeans, valselijk voorzien van het merk D&G, 1 jeans en 1 T-shirt, valselijk voorzien van het merk Diesel, 4 jeans en 10 T-shirts, valselijk voorzien van het merk G-star, 1 jeans, valselijk voorzien van het merk Gucci, 2 shirts, valselijk voorzien van het merk La Martina, 1 jeans, valselijk voorzien van het merk Replay, 1 jas en 1 shirt, valselijk voorzien van het merk Tommy Hilfiger, vervalsingen zijn van producten van de benadeelden op grond van de inferieure kwaliteit van de gebruikte materialen, de onjuiste labels en de gebrekkige afwerking van de producten. Er is onomstotelijk vast komen te staan dat de aangetroffen producten niet door, dan wel in opdracht van, c.q. met toestemming van de rechthebbenden zijn vervaardigd, hier te lande ingevoerd en/of in het handelsverkeer gebracht.

[getuige] heeft verklaard dat verdachte allerlei spullen verkoopt vanuit zijn woning. [getuige] heeft voorts verklaard dat verdachte voornamelijk kleding verkoopt en dat hij dit al jaren doet.

Op 3 juli 2007 is er een telefoongesprek van verdachte (genoemd N) met een onbekende man opgenomen. Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in.

N: een paar T-shirt en een paar broeken, en een dames T-shirt ook en een paar onderbroeken ook van dames, maat XS en M.

Man: die heb je nog van de vorige keer he, die monsters heb ik de vorige keer aan dinges gegeven een trainingspak.

N: ja ja die moet je voor me brengen.

Op 4 juli 2007 is er een telefoongesprek van verdachte (genoemd [verdachte]) met een onbekende man opgenomen. Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in.

NNman: zijn er nog nieuwe dingen binnen gekomen?

[verdachte]: Ik heb wel wat nieuwe dingen gekregen.

NNman: want die broeken vielen klein uit, het moesten grotere maten zijn weet je wel. Ken jij het verschil tussen de dames en heren maten?

[verdachte]: jawel, jawel, dat ken ik.

NNman: ik wil zaterdag nog een paar broeken van je nemen, omdat de maat niet goed paste.

[verdachte]: je kunt ze terug brengen en dan ruil je de broeken die niet pasten.

NNman: als dat kan, zet dan een spijkerbroek van Replay voor me weg, heb je dat wel?

[verdachte]: Replay, dat weet ik niet. Ik heb vandaag broeken gekregen, maar die zijn van Armani en dat soort merken.

Op 10 juli 2007 is er een telefoongesprek van verdachte (genoemd [verdachte]) met [B] (genoemd [B]) opgenomen. Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in.

[B]: [E] komt die truien straks bij je halen. Je hebt die onderhemdjes toch ook nog?

[verdachte]: ja ik heb ze apart gezet.

Op 10 juli 2007 is er een telefoongesprek van verdachte (genoemd N) met [C] (genoemd Y) opgenomen. Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in.

Y: hoi met mij, he ik heb voor je gebeld he. Hij zei tegen mij ik heb heel veel modellen wel 10 of zo, dus ik ga morgen eerst even kijken of ik nog 100 stuks voor je kan regelen.

N: maar bel me eerst want ik heb meer Ray Play (de rechtbank begrijpt: Replay) nodig en Bjorn Borg he.

Y: t-shirts.

N: ja.

Y: dan zeg ik welke merken er zijn dan moet je ze zelf uitzoeken.

N: cool cool cool.

Op 9 juli 2007 is er een telefoongesprek van verdachte (genoemd [verdachte]) met [B] opgenomen. Dit gesprek houdt – onder meer – het volgende in.

[B]: mijn schoonzus vraagt of je nog poloshirts hebt voor haar zoon, maat 7.

[verdachte] vraagt aan iemand of ze nog polos hebben en antwoordt dat ze nog een rood, een wit en een groen LaCoste poloshirt hebben. De schoonzus van [B] komt aan de telefoon en zegt dat ze ze alle drie wil hebben voor de prijs die ze altijd betaald heeft en wel twintig euro.

Verdachte heeft verklaard dat hij handelt in valse merkkleding om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich gedurende de gehele ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het verkopen van valse merkkleding. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat verdachte zich vanaf 3 juli 2007 al bezig hield met de verkoop van kleding. Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige] dat verdachte al jaren kleding verkoopt vanuit zijn woning. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij de verklaring van verdachte dat hij pas sinds december 2010 kleding verkoopt niet geloofwaardig acht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

in de periode van 10 december 2009 tot en met 22 februari 2011 te Amersfoort, een GSM (I-phone 3gs) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die GSM wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

één of meer tijdstip(pen) in de periode van 3 juli 2007 tot en met 22 februari 2011 te Amersfoort, telkens opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, te weten een hoeveelheid namaakkleding (onder meer van de merken: Adidas, Burberry, Björn Borg, G-star, Diesel, Tommy Hilfiger, La Martina en Dolce & Gabbana), heeft verkocht, te koop heeft aangeboden en in voorraad heeft gehad, zulks terwijl verdachte het plegen van dit misdrijf als bedrijf heeft uitgeoefend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1. Subsidiair: opzetheling;

Feit 2: opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft verkopen, te koop aanbieden en in voorraad hebben, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, onder de voorwaarden genoemd in het reclasseringsrapport d.d. 11 augustus 2011.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een lagere straf dan de eis van de officier van justitie op te leggen en te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling en de handel in valse merkkleding.

Niet alleen wordt met valse merkkleding de rechthebbenden van de intellectuele eigendomsrechten op deze waren, schade toegebracht, maar tevens wordt bonafide bedrijven die wel aan hun verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan. Verdachte heeft bij zijn handelen slechts oog gehad voor eigen geldelijk gewin. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 januari 2012;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 11 augustus 2011, waarin wordt geadviseerd om verdachte, gelet op zijn financiële problemen, deel te laten nemen aan een programma van Stadsring 51 voor het inventariseren van schulden, het regelen van afbetalingen en budgetbeheer.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in 2007 eerder is veroordeeld tot een geldboete voor handel in valse merkkleding en tevens in 2007 een transactie heeft betaald voor heling. De rechtbank is daarom van oordeel dat een geheel voorwaardelijke straf niet aan de orde is. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een werkstraf een passende straf is voor de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal een iets lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij niet tot een bewezenverklaring komt van opzetheling van de laptop.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 80 uren noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 40 uren, voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering en deelname aan het programma van Stadsring 51 mogelijk.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geldbedrag verbeurd te verklaren, omdat er inkomsten zijn geweest uit de handel in kleding en dit bedrag daarvan afkomstig zou kunnen zijn.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan de echtgenote van verdachte en daartoe aangevoerd dat het geldbedrag van € 1.000,-- het bedrag is dat de echtgenote van verdachte van haar moeder heeft geleend om schulden af te lossen. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de gevoerde beklagprocedure in het kader van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en de daarbij overgelegde stukken.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, de echtgenote van verdachte als rechthebbende moet worden aangemerkt. Niet aannemelijk is geworden dat dit specifieke geldbedrag inkomsten uit de handel van verdachte betreft, hetgeen –anders dan de officier van justitie ter zitting heeft betoogd- wel is vereist. Er is geen sprake van één van de in artikel 33a Wetboek van Strafrecht genoemde situaties waarin voorwerpen verbeurd kunnen worden verklaard. De rechtbank zal derhalve de teruggave gelasten van het geldbedrag aan [D], echtgenote van verdachte, omdat zij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 337 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: opzetheling;

feit 2: opzettelijk waren, die zelf of op hun verpakking valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft verkopen, te koop aanbieden en in voorraad hebben, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- stelt als bijzondere voorwaarden

. dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland,

. dat verdachte zich daartoe binnen vijf werkdagen volgend op de betekening van het vonnis telefonisch meldt bij de reclassering op het telefoonnummer 030-2305454 en hierna moet verdachte zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht;

. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

. dat verdachte dient deel te nemen aan het programma opgesteld door Stadsring 51;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

Beslag

- gelast de teruggave aan [D], geboren op [1957] te [geboorteplaats], van het in beslag genomen voorwerp, te weten

€ 1.000,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2012.

Mr. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.