Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3490

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
16-600063-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting en poging tot oplichting, meermalen gepleegd. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 140 uur en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600063-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[woonplaats],

raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

Ter zitting opgegeven verblijfadres: [adres], [woonplaats].

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [benadeelde 9] heeft opgelicht;

feit 2: heeft geprobeerd om [benadeelde 10], [benadeelde 11] en [benadeelde 3] op te lichten.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften van de slachtoffers, de door hun opgegeven gelijkluidende signalementen, de bekennende verklaring van verdachte en het feit dat er sprake is van een specifieke modus operandi. Het kan niet anders dan dat verdachte degene is geweest die telkens aangevers heeft bewogen een schadevergoeding te betalen voor verkeersongevallen die niet hebben plaatsgevonden of althans dat heeft getracht.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen wat betreft de oplichting van [benadeelde 11] wegens onvoldoende bewijs. Er is geen ondersteunend bewijs voor de aangifte van [benadeelde 11] en de modus operandi wijkt in dit geval af, aldus de verdediging. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij op de grond lag.

Daarnaast stelt de verdediging dat ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten de enkelvoudige fotoconfrontaties niet kunnen bijdragen tot het bewijs.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangezien verdachte – op de oplichting van [benadeelde 2] en de poging tot oplichting van [benadeelde 11] na – de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank – met uitzondering van de oplichting van [benadeelde 2] en de poging tot oplichting van [benadeelde 11] – met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen ten aanzien van de door verdachte bekende feitelijke onderdelen van de tenlastelegging. De onderdelen van de tenlastegelegde feiten voor zover die zien op de oplichting van [benadeelde 2] en de poging tot oplichting van [benadeelde 11] zullen hieronder nader worden uitgewerkt.

De rechtbank acht feit 1 bewezen. Ten aanzien van de aangevers [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 1], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8] en [benadeelde 9] is dit gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2011 van [benadeelde 3], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 28 en 29 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0920 2011013959-1van de politie Utrecht, district Binnensticht;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2011 van [benadeelde 4], opgenomen op pagina 37 en 38 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2011 van [benadeelde 5], opgenomen op pagina 32 en 33 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2011 van [benadeelde 1], opgenomen op pagina 45 en 46 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2011 van [benadeelde 6], opgenomen op pagina 65 en 66 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 januari 2011 van A. [benadeelde 7], opgenomen op pagina 58 en 59 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2011 van [benadeelde 8], opgenomen op pagina 49 en 50 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2011 van [benadeelde 9], opgenomen op pagina 53 en 54 van het voornoemde proces-verbaal;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2012.

De rechtbank acht feit 2 bewezen. Ten aanzien van de aangevers [benadeelde 10], en [benadeelde 3] is dit gebaseerd op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2011 van [benadeelde 10], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 26 en 27 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0920 2011013959-1van de politie Utrecht, district Binnensticht;

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 januari 2011 van [benadeelde 3], opgenomen op pagina 28 en 29 van het voornoemde proces-verbaal;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 19 maart 2012.

Daarnaast overweegt de rechtbank ten aanzien van de onderdelen van de tenlastegelegde feiten voor zover die zien op de oplichting van [benadeelde 2] en de poging tot oplichting van [benadeelde 11] het volgende.

Op 11 januari 2011 te Den Dolder wordt aangeefster [benadeelde 2] door een man ervan beschuldigd dat zij hem met de auto heeft afgesneden, waardoor hij ten val is gekomen met zijn fiets. Hij wil € 60,- van [benadeelde 2] ontvangen voor de door hem geleden schade aan zijn fiets en spijkerbroek en de pijn aan zijn been, arm en hand. Uiteindelijk gaat hij akkoord met een bedrag van € 50,-. Volgens [benadeelde 2] is de man tussen de 1.70 en 1.75 meter lang en is hij tussen de 55 en 60 jaar oud. Hij heeft grijs haar, is blank en heeft een gezet postuur met grove handen en een enigszins bol gezicht. Op voornoemde datum draagt hij een blauwe spijkerbroek, een zwart gewatteerd jack en zwarte leren handschoenen.

Op 10 januari 2011 rijdt aangeefster [benadeelde 11] met haar auto op de Paduaweg te Den Dolder, wanneer zij een man met een fiets op de grond ziet liggen. Deze man stelt dat [benadeelde 11] hem heeft aangereden. Hij wil “wat regelen” voor de schade die zij hem heeft toegebracht. [benadeelde 11] betwist dat zij deze man heeft aangereden en wil de politie erbij halen. Zodra [benadeelde 11] dit voornemen meedeelt, wil de man het erbij laten zitten. [benadeelde 11] geeft als signalement op dat het gaat om een blanke man tussen de 45 en 50 jaar oud met grijs kort haar, een normaal postuur en een lengte van ongeveer 1.78 meter. De man was gekleed in een blauwe spijkerbroek met een gat op de knie, droeg versleten zwarte handschoenen en een donkerkleurige jas.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij vlak voor kerst 2010 met oplichtingshandelingen is begonnen. Verdachte verklaart voorts dat hij de laatste paar weken voor zijn aanhouding op 18 januari 2011 meerdere malen heeft geprobeerd om mensen geld afhandig te maken door net te doen alsof hij was aangereden. Verdachte zegt steeds dezelfde werkwijze te hebben: hij spreekt mensen aan of klopt op het raam van een auto en begint dan over zijn jas, hand of been. Verdachte verklaart meestal in te zetten op € 50,- of € 100,-. Wanneer het niet lukt om het gevraagde bedrag te ontvangen, vraagt hij lagere bedragen.

Bewijsoverwegingen

Verdachte verklaart ter zitting dat het mogelijk is dat hij [benadeelde 2] heeft opgelicht en heeft geprobeerd [benadeelde 11] op te lichten op de wijze die zij beschrijven, maar dat hij zich de concrete situaties niet kan herinneren.

De rechtbank stelt vast dat de door verdachte omschreven modus operandi (grotendeels) overeenkomt met de wijze waarop [benadeelde 2] is opgelicht en is getracht [benadeelde 11] op te lichten. Daarnaast hebben voornoemde incidenten zich niet alleen voorgedaan in dezelfde periode en plaats als (een deel van) de door verdachte ter zitting van 19 maart 2012 bekende feiten, ook de wijze waarop deze personen zijn opgelicht komt overeen. Voorts zijn er in de stukken geen aanknopingspunten dat iemand anders ook actief is op door verdachte gehanteerde werkwijze in Den Dolder. Op grond van het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [benadeelde 2] heeft opgelicht en heeft gepoogd [benadeelde 11] op te lichten.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 22 december 2010 tot en met 19 januari 2011 te Den Dolder en te Bilthoven, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels,

- op 22 december 2010 te Bilthoven [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag (te weten 50 euro),

en

- op 4 januari 2011 te [benadeelde 13] heeft bewogen tot de aangifte van een geldbedrag

(te weten 15 euro),

en

- op 5 januari 2011 te Bilthoven [benadeelde 5] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag (te weten 7 euro),

en

- op 8 januari 2011 te Den Dolder, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag (te weten 70 euro),

en

- op 10 januari 2011 te Den Dolder, [benadeelde 6], heeft bewogen tot afgifte van een

geldbedrag (te weten 150 euro),

en

- op 11 januari 2011 te Bilthoven, [benadeelde 7], heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag

(te weten 10 euro),

en

- op 11 januari 2011 te Den Dolder, [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag (te weten 50 euro),

en

- op 12 januari 2011 te Den Dolder, [benadeelde 8] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag (te weten 50 euro),

en

- te Bilthoven, [benadeelde 9] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (te weten 50

euro),

hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid

- doen voorkomen dat hij, verdachte (terwijl hij, verdachte, fietste, door de voertuigen van die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] was aangereden of werd afgesneden of door het rijgedrag van deze

voertuigen gedwongen was uit te wijken en was gevallen, en

- (vervolgens) die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] om geld gevraagd ter compensatie van door hem, verdachte, geleden letsel en schade ten gevolge van die aanrijding,

waardoor die [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 8] en [benadeelde 9] en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

op tijdstippen in de periode van 10 januari 2011 tot en met 18 januari 2011 te Bilthoven en Den Dolder, telkens ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 10] en [benadeelde 11] en [benadeelde 3] te bewegen tot de afgifte van geld,

hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk in strijd met de waarheid

- doen voorkomen dat hij, verdachte (terwijl hij, verdachte fietste, door de voertuigen van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 10] en [benadeelde 11] was aangereden en werd afgesneden en was gevallen, of een ongeval was veroorzaakt, en

- (vervolgens) die [benadeelde 10] en [benadeelde 11] om geld gevraagd ter compensatie van door hem, verdachte, geleden letsel en schade ten gevolge van die aanrijding,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: oplichting, meermalen gepleegd.

Feit 2: poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 140 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd dat verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert tevens de oplegging van de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt meewerken aan een behandeling door Centrum Maliebaan, begeleiding door Stichting Exodus en urinecontroles.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging wijst erop dat de zaak even op de plank is blijven liggen en dat verdachte zich ondertussen heeft kunnen bewijzen. De verdediging verzoekt de rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat dit alle wegen doorkruist die inmiddels door verdachte zijn ingeslagen. Het is belangrijk voor verdachte dat hij zijn woning en vrijwilligerswerk kan blijven behouden, aldus de verdediging. De verdediging stelt dat ter vergelding een werkstraf een passende modaliteit zou zijn, eventueel met een voorwaardelijke gevangenisstraf waarmee een kader geschapen kan worden voor bijzondere voorwaarden zoals genoemd door de officier van justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere oplichtingen en meerdere pogingen tot oplichting door bestuurders van auto’s aan te spreken met de mededeling dat die hem hadden aangereden en daarna om geld te vragen. Verdachte heeft daarbij niet geschuwd om in te spelen op het geweten van de slachtoffers en bij hen gevoelens van schuld teweeg te brengen, zodat zij over zouden gaan tot afgifte van geld. Verdachte heeft daardoor de slachtoffers niet alleen financiële schade berokkend, maar door mensen op te lichten heeft hij bij hen ook het vertrouwen in de medemens aangetast. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 3 februari 2012, waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor oplichting.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Reclasseringsadvies, opgemaakt door Centrum Maliebaan d.d. 24 november 2011 en een psychiatrisch rapport d.d. 23 maart 2011, opgemaakt door drs. B. van der Groot.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte andere mensen heeft opgelicht voor het bekostigen van zijn cocaïnegebruik. Uit het rapport blijkt echter ook dat verdachte gedurende de periode gelegen tussen de bewezen verklaarde feiten en de zitting van 19 maart 2012 is ondersteund door Stichting Exodus bij het afzien van drugsgebruik en dat er geholpen is bij het vinden van een daginvulling, financieel beheer en bij het aanleren van sociale vaardigheden. Geadviseerd wordt aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en begeleiding en ondersteuning van Stichting Exodus.

In het psychiatrisch rapport concludeert de psychiater dat er ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van cocaïneafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In diagnostische zin is dit te omschrijven als een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. De psychiater stelt dat valt te overwegen om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie over dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond en verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank volgt het advies van de deskundigen.

Alles afwegende, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats. De rechtbank wil met de voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde feit tot uitdrukking brengen en anderzijds ermee bewerkstelligen dat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts acht de rechtbank het noodzakelijk om als bijzondere voorwaarden op te leggen verplicht reclasseringscontact, het meewerken aan urinecontroles en begeleiding en ondersteuning door Stichting Exodus en dat verdachte zich daartoe bij de reclassering moet melden.

7. De benadeelde partij

7.1. De vorderingen

Benadeelde partij [benadeelde 8] vordert een schadevergoeding van € 50,- ter zake van materiële schade.

Benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 70,- ter zake van materiële schade.

Benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 50,- ter zake van materiële schade.

Benadeelde partij [benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 15,- ter zake van materiële schade en vordert € 5,- extra omdat zij ten gevolge van de oplichting slecht heeft geslapen.

Voornoemde benadeelde partijen verzoeken allen hun vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat benadeelde [benadeelde 4] naast haar vordering van € 15,- een bedrag van € 5,- moet worden toegewezen ter zake van immateriële schade.

7.3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bezwaar tegen toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging gaat eveneens akkoord met een toewijzing van de door benadeelde [benadeelde 4] extra gevorderde schadevergoeding van € 5,-.

7.4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door benadeelde partijen [benadeelde 8], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 4] gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezenverklaarde en dat verdachte aansprakelijk is voor de geleden schade. Wat betreft de vordering van de benadeelde [benadeelde 4] overweegt de rechtbank dat zij naast de vordering van € 15,- tevens het gevraagde bedrag van € 5,- zal toewijzen, nu verdachte dit deel van de vordering heeft erkend en ook de rechtbank van oordeel is dat deze schade door het strafbare feit is toegebracht. De rechtbank zal de vorderingen toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: oplichting, meermalen gepleegd;

feit 2: poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Centrum Maliebaan, ook als dit inhoudt dat verdachte moet meewerken aan urinecontroles en begeleiding en ondersteuning door Stichting Exodus;

* dat verdachte zich daartoe binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Centrum Maliebaan aan de [adres] te [woonplaats] en zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijft melden zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 8] van € 50,- vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 8], € 50,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 70,- vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 1], € 70,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van

€ 50,- vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 2], € 50,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van

€ 20,- vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 4], € 20,- te betalen, waarvan € 15,- ter zake van materiële schade en € 5- ter zake van immateriële schade, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2012.