Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3470

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
312071 - HA RK 11-380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek verkoop aandelen (474g Rv). Termijn indienen verzoek van 1 maand (lid 1) start na betekening aan de vennootschap (715 lid 3 Rv). Die betekening kan nog na indienen verzoekschrift plaatsvinden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 474g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2012/212 met annotatie van mr. drs. C.J. Groffen
JONDR 2012/1027
JOR 2012/212 met annotatie van mr. drs. C.J. Groffen

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rekestnummer: 312071 / HA RK 11-380

Eindbeschikking van 11 april 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Utrecht,

tegen

1. [verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J. Brouwer te Veenendaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder 2] BEHEER B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

niet verschenen,

3. DE ONBEKENDE HOUDERS VAN AANDELEN OP NAAM,

niet verschenen,

gezamenlijk te noemen: verweerders.

Partijen worden hierna [verzoekster], [verweerder 1], [verweerder 2] en de Onbekende aandeelhouders genoemd.

1. Verloop van de procedure

1.1. De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 21 december 2011.

1.2. Op 23 januari 2012 is door rechtbank een brief met bijlagen van 20 januari 2012

ontvangen van mr. Van Vlastuin.

1.3. Verweerders zijn hierna door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op de

brief met bijlagen van mr. Van Vlastuin te reageren.

1.4. Hierna is uitspraak bepaald.

2. De beoordeling

2.1. De rechtbank volgt [verweerder 1] niet in zijn stelling dat in deze procedure ook

[verweerder 2] senior (geboren [1939]) als belanghebbende had moeten worden opgeroepen. Uit het vonnis van de Rechtbank Utrecht van 28 oktober 2009 blijkt dat de vordering van verzoekster tegen [verweerder 2] sr is afgewezen. Tegen die beslissing is geen hoger beroep ingesteld, zodat verzoekster tegen [verweerder 2] sr geen executoriale titel heeft verkregen en het onderhavige verzoek zich dus niet richt (en ook niet kan richten) op het aandeel van [verweerder 2]sr in [verweerder 2]. [verweerder 2] sr is derhalve geen belanghebbende in deze procedure.

2.2. De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 21 december 2011, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd. In voornoemde tussenbeschikking is verzoekster in de gelegenheid gesteld om een exploit van betekening van het vonnis van de rechtbank van 28 oktober 2009 aan de Onbekende aandeelhouders te overleggen. Daarnaast is verzoekster in de gelegenheid gesteld om een exploit van betekening van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 april 2011 aan [verweerder 2] te overleggen.

2.3. Ter voldoening aan dit verzoek heeft verzoekster op 20 januari 2012 aan de

rechtbank overgelegd:

- een exploit van 4 augustus 2011 waarbij het op 28 oktober 2009 door de Rechtbank Utrecht gewezen vonnis is betekend aan de Onbekende aandeelhouders;

- een exploit van 4 januari 2012 waarbij het op 19 april 2011 door het Gerechtshof Amsterdam gewezen arrest is betekend aan [verweerder 2].

2.4. Zoals de rechtbank in de beschikking van 21 december 2011 heeft overwogen moet allereerst vastgesteld worden of het door verzoekster gelegde conservatoire beslag is overgegaan in een executoriaal beslag, en moet in dat kader bepaald worden of correcte betekening van de executoriale titel aan de beslagene en eventuele derden heeft plaatsgevonden.

2.5. Uit het door verzoekster als productie F overgelegde exploit blijkt dat het vonnis van 28 oktober 2009 op 5 februari 2010 aan [verweerder 1] is betekend middels betekening (conform artikel 55 Rv) aan het parket van de Officier van Justitie met het verzoek om uitreiking van het exploot te doen plaatsvinden overeenkomstig het Haags Betekeningsverdrag. Voor zover [verweerder 1] zich op het standpunt stelt dat uit de stukken niet blijkt dat de uitreiking van het exploit aan hem in Zwitserland heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat deze betekening niet als rechtsgeldig kan worden beschouwd. Indien al zou moeten worden aangenomen dat die uitreiking niet zou hebben plaatsgevonden, en dit als een gebrek moet worden beschouwd dat met nietigheid is bedreigd, is [verweerder 1] door dit gebrek niet onredelijk benadeeld in de zin van artikel 66 Rv. Uit het feit dat [verweerder 1] tegen voormeld vonnis hoger beroep heeft ingesteld blijkt onmiskenbaar dat hij van de inhoud van het vonnis op de hoogte is gesteld. De betekening van het vonnis aan [verweerder 1] moet dan ook als rechtsgeldig worden beoordeeld.

2.6. Uit het (bij brief van 20 januari 2012 door verzoekster overgelegde) exploit van 4 augustus 2011 en de daarbij gevoegde advertentie blijkt dat de grosse van het vonnis van de rechtbank van 28 oktober 2009 op een juiste wijze is betekend aan de Onbekende aandeelhouders.

2.7. Het voorgaande betekent dat ook aan het derde vereiste van lid 1 van artikel 704 Rv, te weten de betekening van de titel aan de beslagene en eventuele derden is voldaan. Aldus kan vastgesteld worden dat op 4 augustus 2011 aan de vereisten is voldaan om het conservatoire beslag over te laten gaan in een executoriaal beslag.

2.8. De rechtbank komt nu toe aan de beoordeling van de door [verweerder 1] opgeworpen vraag of het onderhavige verzoek tijdig is ingediend in de zin van artikel 474g lid 1 Rv. Zoals de rechtbank in de beschikking van 21 december 2011 heeft overwogen, is voor deze tijdigheid (gelet op het bepaalde in artikel 715 lid 3 Rv) van belang om vast te stellen op welk moment de in kracht van gewijsde gegane executoriale titel aan de vennootschap is betekend. Uit het exploot van 4 januari 2012, dat verzoekster bij brief van 20 januari 2012 heeft overgelegd, blijkt dat deze betekening op 4 januari 2012 heeft plaatsgevonden. De rechtbank constateert dat deze betekening daarmee heeft plaatsgevonden na de indiening (op 2 september 2011) van het verzoekschrift dat in deze procedure ter beoordeling staat. Dat doet evenwel aan de rechtsgeldigheid daarvan niet af. In de wet is geen termijn bepaald waarbinnen de betekening van een executoriale titel moet plaatsvinden, en evenmin een termijn waarbinnen de executoriale titel aan de vennootschap moet worden betekend. Dit betekent dat niet valt in te zien waarom betekening van de executoriale titel aan de vennootschap tijdens een verzoekschriftprocedure als de onderhavige niet als rechtsgeldig zou mogen worden beschouwd. Niet aannemelijk is dat daardoor enig belang van de vennootschap of [verweerder 1] is geschaad.

2.9. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de termijn van één maand ex artikel 474g lid 1 Rv op 4 januari 2012 is gaan lopen, zodat het verzoek (op 2 september 2011) tijdig is ingediend.

2.10. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het verzoek om toestemming te verlenen voor het verkopen van de in beslag genomen aandelen toewijsbaar.

2.11. Ten aanzien van de wijze waarop de verkoop dient te geschieden, overweegt de rechtbank dat voorop staat dat de hoogste opbrengst dient te worden gerealiseerd. Ingevolge artikel 474g lid 3 Rv bepaalt de rechtbank in haar beschikking, waarbij zij verlof verleent om tot verkoop van de betreffende aandelen over te gaan, op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop van de betreffende aandelen dient te geschieden.

2.12. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de in artikel 14 van de statuten opgenomen goedkeuringsregeling niet toegepast hoeft te worden, alsmede dat verzoekster wordt vrijgesteld van een eventuele uit de Wet op het financieel toezicht voortvloeiende prospectusplicht.

2.13. Volgens [verweerder 1] staan de statutaire bepalingen en de prospectusplicht niet in de weg aan verkoop van de aandelen, zodat het verzoek in zoverre moet worden afgewezen. Subsidiair verzoekt [verweerder 1] om in plaats van de statutaire goedkeuringsregeling een blokkeringsregeling (in de vorm van een aanbiedingsplicht) te hanteren.

2.14. Op grond van artikel 474g lid 4 Rv mag de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de wettelijke en statutaire bepalingen geen afwijkingen inhouden behoudens voor zover inachtneming van die bepalingen de verkoop onmogelijk zou maken.

2.15. De rechtbank constateert dat artikel 14 van de statuten een regeling inhoudt die overdracht van de aandelen afhankelijk maakt van de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. Zoals verzoekster onweersproken heeft gesteld stond in het verleden in de statuten de gebruikelijke blokkeringsregeling (in de vorm van een aanbiedingsplicht aan de mede-aandeelhouders), en is deze op 22 januari 2003, toen de boedelscheidingsprocedure nog liep, gewijzigd in de huidige goedkeuringsregeling. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze gang van zaken voldoende grond om aan te nemen dat de statutaire goedkeuringsregeling zal worden gebruikt om verkoop van de aandelen te verhinderen, en daarmee onmogelijk te maken. De omstandigheid dat [verweerder 1] formeel geen aandeelhouder en bestuurder meer is van de vennootschap is - gelet op voormelde gang van zaken en de weigering van [verweerder 1] om in de voorgaande procedures aan de rechtbank en het gerechtshof openheid van zaken te geven over degenen aan wie hij zijn aandelen heeft overgedragen - onvoldoende om hierin verandering te brengen. Voor het in acht nemen van een blokkeringsregeling in de vorm van een aanbiedingsplicht, zoals [verweerder 1] wenst, is geen plaats, nu een dergelijke regeling niet in de statuten is opgenomen.

2.16. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de door verzoekster genoemde statutaire bepalingen bij de verkoop niet in acht genomen hoeven te worden.

2.17. Voor zover het verzoek van verzoekster zich richt op vrijstelling van de prospectusplicht overweegt de rechtbank dat het maar de vraag is of die plicht voor de verkoop in het onderhavige geval zal gelden. Maar ook indien dat het geval is, geldt dat de gegevens die voor het opstellen van het prospectus nodig zullen zijn, zich in het domein van de vennootschap bevinden. Gelet op de weigering in de voorgaande procedures van degenen die bij de vennootschap betrokken waren, om openheid van zaken te geven aan de rechtbank en het gerechtshof, moet gevreesd worden dat ook geen medewerking zal worden verleend aan het verstrekken van de gegevens aan verzoekster die nodig zijn voor het opstellen van het prospectus. In het licht hiervan moet ook de prospectusplicht worden beschouwd als een plicht die de facto de verkoop onmogelijk zou maken. De rechtbank zal verzoekster dan ook toestaan om de bepalingen van de Wet op het financieel toezicht die strekken tot deze prospectusplicht niet in acht te nemen.

2.18. Voor beperking van de verkooptermijn tot zes maanden, zoals [verweerder 1] heeft gevraagd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Verzoekster moet in de gelegenheid worden gesteld om een zo hoog mogelijke opbrengst van de in beslag genomen aandelen te realiseren. Onder de huidige economische omstandigheden acht de rechtbank de door verzoekster gevraagde termijn van twee jaar redelijk.

2.19. Verweerders zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de

kosten van deze procedure. Deze kosten aan de zijde van verzoekster worden vastgesteld op een bedrag van € 1.164,-, te weten een bedrag van € 260,- aan vast recht en een bedrag van

€ 904,- aan salaris advocaat (€ 452,- x 2 punten).

De kosten met betrekking tot deze procedure moeten worden aangemerkt als kosten van de executie in de zin van artikel 474 Rv, zodat die kosten verhaald kunnen worden op de opbrengst van de te verkopen aandelen.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1. verleent verlof aan verzoekster om - binnen een termijn van twee jaar na betekening van deze beschikking aan verweerders - over te gaan tot verkoop en overdracht van de door haar op 4 december 2007 ten laste van [verweerder 1] in beslag genomen aandelen op naam in de vennootschap [verweerder 2], met uitzondering van het aandeel van [verweerder 2] sr, maar met inbegrip van de aandelen die ten name staan van de onbekende houders van aandelen, onder de bepaling dat artikel 14 lid 1 (laatste zin), lid 2 (laatste zin), lid 3, lid 4, lid 5 (eerste zin) en lid 8 van de statuten, en een eventuele uit de Wet op het financieel toezicht voortvloeiende prospectusplicht niet toegepast hoeven te worden;

3.2. veroordeelt verweerders in de kosten van deze procedure, begroot op € 260,- aan vast recht en € 904,- aan salaris advocaat en bepaalt dat de kosten van deze procedure als executiekosten verhaald kunnen worden op de opbrengst van de te verkopen aandelen;

3.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Heuveling van Beek en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.?