Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3466

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
16-600222-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vernieling, belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Bekennende verdachte. Licht verminderd toerekeningsvatbaar. Veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur en een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600222-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

[woonplaats],

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een auto heeft vernield;

feit 2: [aangever 1] heeft belaagd door haar e-mailberichten te sturen, sms-berichten te versturen, voicemailberichten in te spreken en zich naar haar woning te begeven;

feit 3: [aangever 1] meermalen met de dood, althans met zware mishandeling, heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 baseert de officier van justitie zich op de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte en de getuigenverklaring van getuige [getuige 1].

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 baseert de officier van justitie zich op de aangiftes, de klacht van aangeefster, de gedeeltelijke bekentenis van verdachte en de in het dossier opgenomen sms-berichten en voicemailberichten. Daarbij merkt de officier van justitie op dat de sms-berichten vanaf 31 december 2011 concreet bedreigend worden. De officier van justitie merkt op dat de pleegperiode van feit 3 dan ook verkort dient te worden naar de periode van 31 december 2010 tot en met 5 maart 2011. Ook de voicemailberichten zijn bedreigend van aard. Verdachte richt zijn dreigementen niet alleen rechtstreeks aan aangeefster, maar doet dit ook via wijkagent [verbalisant 1]. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte een stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Verdachte is echter nooit van plan geweest zijn dreigementen uit te voeren. Dat aangeefster zich hiervan bewust is, blijkt uit de verklaringen die zij heeft afgelegd tegenover de politie, aldus de verdediging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Aangezien verdachte de tenlastegelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft bekend en de verdediging niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht feit 1 bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 22 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina’s 188 en 192 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0940 2011052102 van de politie Utrecht, district Eemland zuid;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 22 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 193-194 van het voornoemde proces-verbaal;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 27 maart 2011.

De rechtbank acht feit 2 en feit 3 bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 22 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 187-188 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0940 2011052102 van de politie Utrecht, district Eemland zuid;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 1 februari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 182-184 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] d.d. 5 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 175-178 van het voornoemde proces-verbaal;

- de klacht van [aangever 1], opgenomen op pagina 180 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van uitlezen GSM-telefoon d.d. 7 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 53-141 van het voornoemde proces-verbaal;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 8-16 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0940 2011052102 van de politie Utrecht, district Eemland zuid;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 maart 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen op pagina 4-6 van het proces-verbaal met dossiernummer PL0940 2011052102 van de politie Utrecht, district Eemland zuid;

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 27 maart 2012;

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 januari 2011 te Amersfoort, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Ford Ka,

zilverkleurig), geheel toebehorende aan (zijn (ex-) levensgezel) [aangever 1], heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk (met een mes) de vier banden van die auto kapot te steken;

2.

op meer tijdstippen in de periode van 14 december 2010 tot en met 05 maart 2011 te Amersfoort en Moerkapelle, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van (zijn (ex-)levensgezel) [aangever 1], met het oogmerk die [aangever 1], te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, toen en daar (telkens) met dat oogmerk

- aan die [aangever 1] meermalen, computertekstberichten, (met -onder andere- bedreigende inhoud) verzonden,

en

- aan die [aangever 1] een (zeer) groot aantal SMS-berichten met (onder andere) bedreigende inhoud verzonden,

en

- die [aangever 1] meermalen opgebeld en (vervolgens) voicemailberichten (met -onder andere- bedreigende inhoud) ingesproken,

en

- zich naar de woning van die [aangever 1] begeven en (vervolgens) aangebeld en tegen die [aangever 1] gezegd met haar te willen praten;

3.

op tijdstippen in de periode van 31 december 2010 tot en met 05 maart 2011 te Moerkapelle, (zijn (ex-)levensgezel) [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en daar telkens opzettelijk die [aangever 1]

(al dan niet via telefoon en computer) dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik maak je dood. Je gaat dood als je zo doorgaat, al moet ik daarvoor in de

bajes zitten", en

"Je wordt niet meer wakker, maar je gaat dood, daar heb ik alles voor over",

en

"Jij raakt je kop kwijt voor de zwangerschap, ik heb toch niks te verliezen",

en

"Jouw kop gaat rollen. Daar heb ik alles voor over", en

"Ik maak jou af voordat het kind er echt is", en

"Jij gaat dood door mij voordat het kind de aarde bereikt, 100%", en

"Geloof me echt, ik doe dit echt, ik ben ik, jij bent jij, ik maak je af",

en

"Ik ben niet meer te remmen, loop doelgericht op mijn slachtoffer af, ik haal

het neer tot er geen spaan meer heel van jou is en zit er zonder spijt 7 jaar

voor", en

"Grafwijf, kind moet dood, echt dood", en

"[verbalisant 1], jouw wijkagent, hij weet, dat ik jou kapot ga maken, geloof mij die

dag komt", en

"Jij vroeg of laat onder 6 planken door mij. Ik ga jou eerst geestelijk kapot

maken", en

"Jij gaat echt, weet het zeker nu, voor jouw zwangerschapsvakantie ben je er

niet meer", en

"Vanaf vandaag 06-03-11 is jouw leven niet zeker meer, vanaf vandaag mag je je

bedreigd gaan voelen, echt bedreigd tegen het leven gericht", en

"Pakken ga ik jou kost wat kost hoe dan ook en waar dan ook", en

"Ik martel jou gewoon echt, martelen, echt martelen", en

"Ik ben zo meteen niet meer te remmen, en dan is het gewoon te laat voor jou

meisie", en

"Dat ik op een gegeven moment echt, ja gewoon een moord op jou pleeg", en

"En ik zweer het, ik blijf het zeggen, jij gaat dood als je doorgaat. Door

mij. Echt waar. Al moet ik hier tienduizend jaar de bak in vast zitten, ik heb

het er voor over, ik meen het echt serieus".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: vernieling;

feit 2: belaging;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door psychiater drs. S.J. Hogerzeil, die op 23 mei 2011 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport volgt dat verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken. Deze stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Wanneer in een relatie de geruststelling wegvalt of wanneer de stress oploopt, roept dit extreme gevoelens op bij verdachte. Deze gevoelens zijn voor hem dermate beangstigend dat zij al snel leiden tot onaanvaardbaar gedrag. Ondanks het feit dat verdachte enige contacten met de GGZ heeft gehad, heeft hij tot heden onvoldoende kans gehad om ziektebesef en – inzicht te ontwikkelen. De psychiater is van mening dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank neemt de conclusie van de psychiater ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit gesteld noch gebleken is.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een 180 uur werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij zijn huidige GZ-psycholoog G.J. Postma voortzet en op termijn doorgeleiding naar De Waag of een soortgelijke instelling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte zelf hulp heeft gezocht bij een psycholoog. Tevens verzoekt de verdediging om rekening te houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De verdediging is van mening dat een lagere werkstraf dan door de officier van justitie geëist met aftrek van het voorarrest en een lage voorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Daarbij benadrukt de verdediging dat het belangrijk is dat verdachte vertrouwen heeft in zijn behandelaar. Dit heeft verdachte in zijn huidige GZ-psycholoog G.J. Postma. De Waag kan niet verder met verdachte. De verdediging bepleit een vrijwillige behandeling en stelt zich op het standpunt dat het contraproductief is om vergaand toezicht op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan stalking van [aangever 1] door haar veelvuldig te benaderen via e-mails, telefoontjes, sms-jes en een bezoek aan haar woning. Verdachte heeft in een groot aantal van deze contacten [aangever 1] met de dood te bedreigd. Daarnaast heeft verdachte [aangever 1] in haar woning opgezocht en heeft hij met een mes haar autobanden lek gestoken.

[aangever 1] heeft meerdere malen aan verdachte aangegeven dat zij geen contact met hem wilde en dat zij zich door hem bedreigd voelde. Verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen en zich gefocust op zijn eigen wens om enige vorm van contact tot stand te brengen om in gesprek te gaan over hun ongeboren kind, zonder in te zien dat zijn gedrag niet alleen een averechtse werking had, maar bovendien onaanvaardbaar was en de privacy van [aangever 1] ernstig heeft aangetast. [aangever 1] is bij voortduring geconfronteerd met verdachte en diens bedreigingen. Dit heeft bij haar gevoelens van angst en onrust teweeg gebracht.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

De rechtbank heeft kennis genomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor bedreiging.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Reclasseringsrapport, opgemaakt door Reclassering Nederland d.d. 19 januari 2012, het adviesrapport van de Reclassering, opgemaakt door C. Guijt van 21 maart 2012 en eerder genoemd psychiatrisch rapport, opgemaakt door drs. S.J. Hogerzeil.

Uit het rapport van de reclassering van 19 januari 2012 blijkt dat verdachte weinig blijk geeft van zelfinzicht. De reclassering meent dat verdachte door de behandeling zoals voorgesteld door drs. S.J. Hogerzeil kan leren zijn problemen onder ogen te zien en een wat realistischer kijk kan ontwikkelen op partnerschap in een relatie. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog gemiddeld en adviseert een voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Uit het adviesrapport van de reclassering van 21 maart 2012 volgt dat de behandeling van verdachte bij De Waag is afgesloten omdat verdachte zich toenemend intimiderend opstelde. Zijn persoonlijkheidsproblematiek staat te sterk op de voorgrond om verdachte momenteel een adequate behandeling te bieden. De Waag meent dat verdachte eerst psychologische begeleiding zou moeten krijgen bij zijn vermeende slachtofferschap.

Ter zitting heeft C. Guijt het adviesrapport nader toegelicht en gesteld dat een behandeling bij het Dok in Rotterdam de enige resterende mogelijkheid is om verdachte te behandelen voor zijn problematiek.

Gelet op het besprokene onder 5.2 houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde, zoals vastgesteld door de psychiater. De rechtbank verwijst voor de overwegingen naar 5.2.

Alles afwegende, acht de rechtbank een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats. De rechtbank wil met de voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds bewerkstelligen dat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts acht de rechtbank het noodzakelijk om als bijzondere voorwaarden op te leggen verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt een behandeling bij een psycholoog en/of een behandeling bij het Dok, dan wel een soortgelijke instelling en dat verdachte zich daartoe bij de reclassering moet melden. Gezien het advies van de deskundigen acht de rechtbank het noodzakelijk dat een psychologische behandeling en een eventuele vervolgbehandeling bij het Dok in een verplicht kader plaatsvindt.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij van € 270,60 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de vordering van de benadeelde partij ziet op de kosten die de benadeelde partij gemaakt heeft voor het vervangen van de banden die verdachte heeft lek gestoken. De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met het feit dat het om oude banden ging en dat de het gevorderde bedrag is vastgesteld op basis van de nieuwwaarde van vier autobanden. Derhalve verzoekt de verdediging de vordering van de benadeelde partij te matigen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de door benadeelde partij [aangever 1] gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde en dat verdachte aansprakelijk is voor de geleden schade. De rechtbank ziet geen aanleiding om het schadebedrag te matigen, nu dat de kosten zijn die de benadeelde partij ten gevolge van het door verdachte gepleegde feit heeft moeten maken. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 270,60 toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: vernieling;

feit 2: belaging;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een behandeling bij een psycholoog en/of een behandeling bij het Dok, dan wel een soortgelijke instelling;

* dat verdachte zich daartoe binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland aan de Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag en zich blijft melden zo frequent als de reclassering dit gedurende de proeftijd nodig acht.

Benadeelde partij

- wijst toe de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] tot een bedrag van

€ 270,60;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 270,60 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van Straalen, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 april 2012.