Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW3280

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
16-612293-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren voor mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/512293-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 april 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 12 februari 2011 samen met anderen [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, danwel openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd, danwel deze [aangever 1] in het gezicht geslagen heeft.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte dat hij de eerste klap heeft gegeven en de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] die zeggen dat verdachte aanwezig was bij het groepje dat het geweld pleegde. De officier van justitie vraagt vrijspraak voor het primair tenlastegelegde.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair tenlastegelegde en wijst daarbij op het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsman stelt ten aanzien van het primair tenlastegelegde dat er geen sprake is van medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft het slachtoffer één klap gegeven. Dit is het eerste incident in het tunneltje. Het tweede incident speelt zich op een later tijdstip en op een wat verder gelegen plek af buiten het tunneltje. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij dit tweede incident aanwezig is geweest. Er is geen uitvoeringshandeling door verdachte gepleegd en evenmin was er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking. Deze iets later gepleegde ernstige mishandeling speelde zich af buiten de invloedsfeer van verdachte. Verdachte had niet het opzet op het gepleegde delict en hij dient eveneens vrijgesproken te worden van het subsidiair tenlastegelegde openlijk geweld gepleegd in vereniging.

De verdediging is van mening dat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring kan komen van het meer subsidiair tenlastegelegde, de mishandeling, gezien de bekennende verklaring van verdachte.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht gelijk de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde eveneens niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Uit de verklaring van verdachte, uit de getuigenverklaringen en uit de overige inhoud van het procesdossier kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij het slaan en schoppen van [aangever 1] waardoor [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangever 1] in het tunneltje één klap met de vuist heeft gegeven. Daarna zijn alle personen de tunnel uitgelopen. Eén groepje is bij de uitgang van de tunnel blijven staan en een tweede groepje is circa 20 meter tot 50 meter doorgelopen. Uit getuigenverklaringen, de aangifte en de verklaring van verdachte blijkt dat [aangever 1] door personen uit dit tweede groepje is geschopt en geslagen, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Bij openlijke geweldpleging is vereist dat verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Buiten de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer in de tunnel een stomp heeft gegeven, acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig waaruit zij kan afleiden dat verdachte een significante bijdrage aan het openlijk geweld jegens aangever heeft geleverd. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 2] dat verdachte bij de vechtpartij buiten de tunnel aanwezig is geweest onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te dienen en acht tevens geen steunbewijs voor deze verklaring in het dossier aanwezig. Verdachte dient derhalve van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewijs

De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 3 april 2012;

- de aangifte van [aangever 1].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Meer subsidiair

op 12 februari 2011 te Maarssen opzettelijk mishandelend [aangever 1] tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

meer subsidiair: mishandeling

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat vrijspraak voor het primaire en subsidiaire moet volgen en refereert zich ten aanzien van de strafmaat voor het onder meer subsidiair bewezenverklaarde aan het oordeel van de rechtbank.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vorm van mishandeling. Verdachte heeft een jongen die zich onheus jegens de vriendin van verdachte gedragen zou hebben met een vuist vol in het gezicht gestompt. Deze reactie is totaal onnodig en buiten proporties geweest. Bovendien is deze stomp – achteraf gezien - het begin geweest van een geweldsescalatie jegens [aangever 1]. Dergelijk geweld, gepleegd in de openbaarheid draagt telkens weer bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte had zich hiervan dienen te onthouden. Ter zitting erkent verdachte dat hij anders had kunnen en moeten handelen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 12 maart 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair tenlastegelegde;

- spreekt verdachte vrij van het onder subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

meer subsidiair: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Dit vonnis is gewezen door mr.P.W.G. de Beer, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.E. Kruijff - Bronsing en J.P. Killian , rechters, in tegenwoordigheid van

M. Bloem, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 april 2012.