Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2544

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
SBR 10/2838, 10/3851 en 11/3361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft gesteld dat hij nog een afzonderlijk belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Eiser heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn bezwaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het niet tijdig beslissen door verweerder. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank is niet gebleken dat de gestelde schade over 2010 het gevolg is van de omstandigheid dat verweerder niet binnen zes weken na indiening van het bezwaarschrift over 2008 en 2009 op dat bezwaarschrift heeft beslist.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser met de overgelegde rekeningafschriften niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gastouder heeft betaald voor de oppaswerkzaamheden en daardoor kosten van kinderopvang heeft gemaakt. De overgelegde rekeningafschriften laten enkel zien dat door het gastouderbureau bedragen op eisers rekening zijn overgemaakt en bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook zonder nadere ondersteunende gegevens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser over 2008 zelf kosten van kinderopvang heeft gemaakt. Nu ook overigens door eiser geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt van gemaakte kosten van kinderopvang, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op deze grond terecht het verleende voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien en nader vastgesteld op € 0,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/2838, 10/3851 en 11/3361

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: drs. L.A.M. Veeren en N. Marienus.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 22 september 2009 heeft verweerder bepaald dat eisers voorschotten kinderopvangtoeslag 2008 en 2009 zijn gewijzigd en € 0,- respectievelijk € 11.619,- worden.

1.2 Eiser heeft bij brief van 7 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

1.3 Op 24 augustus 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar (SBR 10/2838 en SBR 11/3361).

1.4 Bij beslissing op bezwaar van 31 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de besluiten van 22 september 2009 over 2008 ongegrond en over 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard.

1.5 Bij besluit van 15 september 2010 heeft verweerder bepaald dat eisers voorschot kinderopvangtoeslag 2007 is gewijzigd en € 0,- wordt. Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 1 december 2010 gegrond verklaard.

1.6 Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2010 heeft verweerder het besluit van 31 augustus 2010 herzien en het bezwaar over 2008 gedeeltelijk gegrond en over 2009 ongegrond verklaard.

1.7 Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 1 december 2010 over het voorschot kinderopvangtoeslag 2007 op 7 januari 2011 beroep ingesteld (SBR 10/3851).

1.8 Bij beslissing op bezwaar van 13 mei 2011 heeft verweerder de besluiten van 1 december 2010 herzien en het bezwaar over 2007 en 2009 gegrond verklaard en het bezwaar over 2008 ongegrond verklaard.

1.9 De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 2 december 2011, waar eiser is verschenen. Verweerder heeft ter zitting bij monde van zijn gemachtigden zijn standpunten toegelicht.

Overwegingen

Beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen

2.1 Nu het beroepschrift dateert van 24 augustus 2010, moet, gelet op artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, dit beroep worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat sinds 1 oktober 2009 geldt. In artikel XVI van de wet van 23 december 2010, (Stb. 2010, 873) is echter bepaald dat paragraaf 4.1.3.2 (dwangsom bij niet tijdig beslissen) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot 1 januari 2012 geen toepassing vindt bij beschikkingen ingevolge de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en beslissingen op bezwaar tegen zodanige beschikkingen. Hieruit volgt dat op het bezwaarschrift het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing is. Echter, nu het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op het bezwaar is ingediend na 1 oktober 2009 is als gevolg van de Wet van 28 augustus 2009, Stb. 2009, 383, artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen afdeling 8.2.4a van de Awb wel van toepassing (Stb. 2009, 383).

2.2 Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.3 Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.4 Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Op grond van het tweede lid wordt de termijn opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

Op grond van het vierde lid is verder uitstel mogelijk voor zover:

a. alle belanghebbenden daarmee instemmen

b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of

c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

Op grond van het vijfde lid doet het bestuursorgaan indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

2.5 Nu het bezwaarschrift dateert van 7 oktober 2009, was de beslistermijn van artikel 7:10 van de Awb bij het instellen van het beroep op 24 augustus 2010 overschreden. De rechtbank constateert voorts dat eiser verweerder bij brief, verzonden op 29 december 2009, heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb is verstreken.

2.6 Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Op grond van artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

2.7 Eiser heeft gesteld dat hij nog een afzonderlijk belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb heeft bij een beoordeling van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Eiser heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn bezwaar. Deze schade bestaat volgens hem uit misgelopen kinderopvangtoeslag in het jaar 2010 van € 9.260,-.

2.8 Ten aanzien van eisers verzoek verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding overweegt de rechtbank dat met het - met een besluit gelijk te stellen - niet tijdig beslissen door verweerder de onrechtmatigheid daarvan en de toerekening aan verweerder in beginsel zijn gegeven. Echter voordat aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatig besluit kan ontstaan, moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van de causaliteit (zie artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek) en het vereiste van de relativiteit (zie artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek) en moet vervolgens zo nodig de omvang van de schade worden vastgesteld.

Daarmee ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het niet tijdig beslissen door verweerder. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank is niet gebleken dat de gestelde schade over 2010 het gevolg is van de omstandigheid dat verweerder niet binnen zes weken na indiening van het bezwaarschrift over 2008 en 2009 op dat bezwaarschrift heeft beslist. Het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift zal voor eiser hebben geleid tot grote onzekerheid, maar het stopzetten van de kinderopvangtoeslag, althans het niet indienen van een aanvraag om kinderopvangtoeslag voor 2010, is een eigen keuze geweest van eiser, hoe begrijpelijk ook. Het was echter geen rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van het uitblijven van de beslissing op eisers bezwaarschrift over 2008 en 2009.

2.9 Uit het voorgaande volgt dat eisers verzoek verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding zal worden afgewezen.

2.10 Het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar is gegrond. Nu verweerder hangende de beroepsprocedure alsnog een besluit op eisers bezwaar heeft genomen, is er geen aanleiding om aan de uitspraak een dwangsom te verbinden. Dit is in zoverre anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2010 met zaaknummer SBR 10/613, waarnaar eiser in zijn beroepschrift verwijst.

2.11 Nu het besluit van 31 augustus 2010 een afwijzing behelst, kan niet worden

geoordeeld dat daarmee aan het beroep is tegemoetgekomen. Het beroep wordt dus ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb, geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Beroep gericht tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 1 december 2010

2.12 Eiser heeft aangevoerd dat de bezwaarfase is beëindigd bij eerder genomen besluiten en dat het besluit van 13 mei 2011 niet kan worden aangemerkt als een derde uitspraak op zijn bezwaarschrift, nu deze niet is aan te merken als een uitspraak als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2.13 Eiser kan hier niet in worden gevolgd. Artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet van toepassing. Het gaat hier immers niet om een ingevolge de belastingwet genomen besluit.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep gericht tegen de besluiten van 31 augustus 2010 en 1 december 2010, nu de besluiten waartegen dit beroep is gericht inmiddels zijn achterhaald door de beslissing van 13 mei 2011, dat in de plaats treedt van de besluiten van 1 december 2010 over 2007 en van 1 december 2010 over 2008 en 2009, dat op zijn beurt in de plaats treedt van het besluit van 31 augustus 2010. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beroep gericht tegen het besluit van 13 mei 2011

2.15 In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat eiser voor de periode van 1 april 2007 tot 1 januari 2008 recht heeft op kinderopvangtoeslag.

2.16 Over 2008 heeft eiser geen recht op kinderopvangtoeslag, nu voor dat jaar een overeenkomst met gastouderbureau [naam] ontbreekt. Verweerder heeft voorts besloten dat indien eiser over 2008 wel een contract met [naam] zou hebben overgelegd hij deels geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat het gastouderbureau [naam] te [woonplaats] vanaf 20 oktober 2008 niet meer staat ingeschreven in het register van de gemeente [woonplaats] en niet is gebleken dat het gastouderbureau [naam] te [woonplaats] de activiteiten van [naam] te [woonplaats] heeft overgenomen.

2.17 Niet in geschil is dat eiser voor het jaar 2009 een overeenkomst met gastouderbureau [A] Childeren heeft overgelegd, zodat hij over 2009 recht heeft op kinderopvangtoeslag.

2.18 Eiser heeft aangevoerd dat hij door het bestreden besluit op bezwaar in een nadeliger positie is komen te verkeren, terwijl de heroverweging in bezwaar erop is gericht te beoordelen of het besluit in voor de betrokkene gunstigere zin dient te worden aangepast.

2.19 In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 oktober 2011, LJN: BT8556, heeft de ABRvS overwogen dat in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging van het genomen besluit dient plaats te vinden en dat dit kan betekenen dat het besluit op bezwaar met andere argumenten wordt onderbouwd dan het primaire besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 december 2008 in zaak met kenmerk: LJN: BG5885) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb dat het bezwaarschrift er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn. Dit betekent dat het bestuursorgaan het besluit, voor zover het door het bezwaarschrift wordt bestreden, moet heroverwegen en moet nagaan of dit tot een voor de indiener gunstiger resultaat leidt. Leidt de heroverweging tot een voor de indiener ongunstiger resultaat, dan is dat alleen toelaatbaar indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn. Artikel 7:11 van de Awb verzet zich er in zo'n geval niet tegen dat een zodanige wijziging bij het besluit op het bezwaarschrift wordt bewerkstelligd.

2.20 Nu verweerder bevoegd is op grond van artikel 16, vierde lid, van de Awir een verleend voorschot te herzien, ook los van de onderhavige procedure, stond artikel 7:11 van de Awb er niet aan de weg eisers voorschotten te herzien. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

2.21 Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat hij op 20 juli 2011 de gedagtekende contracten met [naam] te [woonplaats] over de periode 1 januari 2008 tot 31 december 2008 en met [naam] te [woonplaats] over de periode 1 augustus 2008 tot 31 december 2008 heeft overgelegd, zodat hij ook over 2008 recht heeft op kinderopvangtoeslag.

2.22 Bij verweerschrift van 18 november 2011 heeft verweerder zich hierover op het standpunt gesteld dat hij het niet aannemelijk acht dat deze contracten op genoemde data zijn gesloten en ondertekend, nu eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij geen contracten heeft over het jaar 2008. Nu eiser dat heeft verklaard en pas op 20 juli 2011 deze contracten heeft overgelegd staat niet vast dat kinderopvang op basis van die contracten heeft plaatsgevonden.

2.23 Naar het oordeel van de rechtbank is de omstandigheid dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij geen overeenkomsten heeft over het jaar 2008 en vervolgens pas op 20 juli 2011 overeenkomsten heeft overgelegd, onvoldoende om aan te nemen dat deze overeenkomsten niet op de aangegeven data, te weten 27 december 2007 respectievelijk 25 juli 2008, zijn gesloten en ondertekend.

2.24 Nu eiser gedagtekende overeenkomsten heeft overgelegd met het gastouderbureau [naam] te [woonplaats] en het gastouderbureau [naam] te [woonplaats], moet worden geoordeeld dat eiser over 2008 gebruik heeft gemaakt van een geregistreerd gastouderbureau en dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat eiser op deze grond over 2008 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag.

2.25 Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank zal dan ook het beroep van eiser gegrond verklaren en het besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om na te gaan of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand dienen te blijven.

2.26 Bij verweerschrift van 18 november 2011 heeft verweerder overwogen dat eiser over 2008 geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat bewijsstukken van daadwerkelijke betaling ontbreken.

2.27 Eiser heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat hij over contant geld beschikte om de gastouder te betalen. Uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt volgens hem dat hij geld heeft opgenomen om de gastouder te betalen.

2.28 Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko), zoals dit gold ten tijde hier van belang, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1° het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2° de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3° de soort kinderopvang.

2.29 Op grond van artikel 18, eerste lid, van de Awir, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2.30 Uit artikel 18 van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, volgt dat degene die kinderopvangtoeslag ontvangt moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. Verweerder was dan ook bevoegd eiseres om gegevens te vragen waaruit blijkt welke bedragen zij heeft betaald aan de gastouder.

2.31 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser met de overgelegde rekeningafschriften niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gastouder heeft betaald voor de oppaswerkzaamheden en daardoor kosten van kinderopvang heeft gemaakt. De overgelegde rekeningafschriften laten enkel zien dat door het gastouderbureau bedragen op eisers rekening zijn overgemaakt en bieden naar het oordeel van de rechtbank dan ook zonder nadere ondersteunende gegevens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser over 2008 zelf kosten van kinderopvang heeft gemaakt. Nu ook overigens door eiser geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt van gemaakte kosten van kinderopvang, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op deze grond terecht het verleende voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien en nader vastgesteld op € 0,-.

2.32 Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan het bestreden besluit niet eerder tegengeworpen afwijzingsgronden ten grondslag te leggen.

2.33 Anders dan eiser betoogt heeft verweerder niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door aan het besluit van 13 mei 2010 niet eerder tegengeworpen afwijzingsgronden ten grondslag te leggen. Immers, uit genoemde uitspraak en uitspraken van de ABRvS van 1 april 2009, LJN: BH9242, van 29 juli 2009, LJN: BJ4093, en van 26 augustus 2009, LJN: BJ6039, blijkt dat uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, en artikel 24, tweede lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Awir voortvloeit dat aan de verlening van een voorschot toeslag niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Gelet hierop is verweerder op ieder moment bevoegd het voorschot te herzien. Hoewel aan de uitvoeringspraktijk van verweerder in deze zaak onzorgvuldigheden kleven, kon en mocht eiser er dus niet op vertrouwen dat verweerder de voorschotten niet zou herzien. Evenmin staat het rechtszekerheidsbeginsel er in dit geval aan in de weg dat verweerder pas bij het besluit van 13 mei 2011 een andere afwijzingsgrond aan de herziening ten grondslag heeft gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

2.34 Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat mevrouw [X] tijdens de hoorzitting van 31 augustus 2010 in het kader van de bezwaarprocedure een aantal toezeggingen heeft gedaan. Zo zou zij hebben gezegd: “(…) ik vind uw situatie zeer schrijnend en ernstig (…) Hier kon u niets aan doen. (…) Het is de schuld van het gastouderbureau (…) ik zal aan de hand van bewijsstukken correcties toepassen (…) het komt allemaal goed (…) maakt u zich maar geen zorgen”.

2.35 Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, kan van in rechte te honoreren vertrouwen pas sprake zijn indien een aan verweerder toe te rekenen toezegging of informatie uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is gegeven; zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 29 juni 2011, LJN: BQ9685. Daarvan is, nu de door eiser aangehaalde vermeende toezeggingen niet staan vermeld in het verslag van de hoorzitting van 31 augustus 2010 en de vermeende mededelingen van mevrouw [X] in algemene bewoordingen vervatte mededelingen zijn, in het geval van eiser geen sprake. Evenmin bieden de gedingstukken aanknopingspunten voor de conclusie dat door een daartoe bevoegde ambtenaar een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat eiser recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2008. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

2.36 Eiser heeft aangevoerd dat hij de geblokkeerde voorschotbedragen van € 770,- en € 416,- moest terugbetalen omdat zijn bezwaar ongegrond was verklaard. Deze bedragen zijn volgens eiser ten onrechte verrekend op 3 september en 11 november 2010. Nu deze beschikkingen op onjuiste grondslagen zijn gebaseerd verzoekt eiser de rechtbank deze door verweerder uit te laten betalen.

2.37 Gelet op wat is aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met artikel 30 van de Awir door de geblokkeerde voorschotbedragen te verrekenen. Dit artikel sluit de door verweerder gehanteerde wijze van verrekenen immers niet uit. De beroepsgrond slaagt niet.

2.38 Met betrekking tot de stellingen van eiser ten aanzien van de terugvordering, het dwangbevel van 14 september 2011 en de aanmaning van 22 augustus 2011 overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit zich beperkt tot de herziening van voorschotbedragen vermeld op de besluiten van 15 en 22 september 2009. De terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde voorschotten ligt derhalve in deze procedure niet ter toetsing voor.

2.39 Eiser heeft aangevoerd dat door verweerder niet is beslist op zijn verzoek op grond van artikel 7:15 van de Awb om vergoeding van kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit op dit verzoek heeft beslist en verwijst in dit verband naar pagina 3 van het besluit, onder het kopje “kostenvergoeding”. De beroepsgrond van eiser kan niet slagen.

2.40 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het voorgaande alsnog toereikend gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2008. De slotsom is dat verweerder terecht heeft besloten dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2008. Dit betekent dat de inhoud van het door de rechtbank te vernietigen bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten.

2.41 De rechtbank ziet, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, aanleiding

verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat geen sprake is geweest van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten voor het indienen van de beroepschriften en voor het verschijnen ter zitting komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De kosten van het advies van Brouwer advocaten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu eiser ter zitting heeft verklaard dat dit advies zag op het dwangbevel dat hier niet ter toetsing voor ligt. Evenmin komen de kosten van € 7,- vermeld op een bon van de Bruna van 20 juli 2011, en de kosten van € 42,- voor het aangetekend verzenden van stukken voor vergoeding in aanmerking, nu eiser ter zitting desgevraagd niet duidelijkheid heeft gemaakt op welke stukken deze kosten betrekking hebben. Op grond van artikel 1, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de verletkosten van eiser in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft daarvoor een bedrag van € 110,- voor het bijwonen van de zitting gevraagd. Verweerder heeft de hoogte van dat bedrag niet betwist. Deze kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.

2.42 Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van

het verschuldigde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar gegrond;

- wijst af eisers verzoek verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 13 augustus 2010 en 1 december 2010 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover dit geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit van 13 mei 2011 gegrond;

- vernietigt het besluit van 13 mei 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van € 110,- te betalen door verweerder aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. L.C. Michon en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2012.

De griffier: De rechter:

mr. N. Groot mr. L.C. Michon

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.