Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2514

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
16/511773-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen van verkrachting.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/511773-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. P.J. Roelse, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 6 februari 2010 samen met een ander of anderen een meisje van toen 14 jaar oud heeft verkracht danwel ontuchtige handelingen met haar heeft verricht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op ondermeer de aangifte en de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het ontbreken van voldoende bewijs. De raadsman stelt voorts de betrouwbaarheid van aangeefster ter discussie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verklaring van aangeefster [slachtoffer] geloofwaardig is. [slachtoffer] heeft bij de politie een verklaring afgelegd inhoudende, zakelijk weergegeven, dat zij op 6 februari 2010 met [medeverdachte 1], [naam], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in een auto is vertrokken. [medeverdachte 3] was bestuurder, [medeverdachte 1] zat op de bijrijdersstoel. [slachtoffer] zat achter [medeverdachte 3], naast haar zat [naam] en naast [naam] kwam [medeverdachte 4] zitten. Ze zeiden tegen [slachtoffer] dat zij haar mond moest houden en dat anders de eerste afslag Breda zou zijn. [slachtoffer] begreep daaruit dat ze haar daar wilden dumpen. [naam] deed zijn handen voor de ogen van [slachtoffer] bij het verkeersbord Breda/Utrecht omdat [slachtoffer] daar niet naar mocht kijken. Daarna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] van plaats verwisseld. [medeverdachte 1] kwam naast [slachtoffer] links zitten en [naam] kwam rechts van haar.

Toen ze op de snelweg reden ging [naam] met zijn hand van boven af onder de kleding van [slachtoffer]. [slachtoffer] voelde dat [naam] met zijn hand op haar bh ging. Zij voelde dat [medeverdachte 1] met zijn hand onder de bh ging. Ze voelden en knepen in haar borst.

[slachtoffer] heeft voorts verklaard dat de auto de snelweg verliet en op een donkere voor haar op dat moment onbekende parkeerplaats is gestopt. Dit blijkt later een parkeerplaats in Utrecht te zijn. Zij omschrijft wat zij ziet vanaf de parkeerplaats in het telefoongesprek dat zij heeft met een vriendin, [A]. [naam] heeft daarop de mobiele telefoon van [slachtoffer] afgepakt. Daarna verlaten [naam], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de auto en blijft [medeverdachte 1] met [slachtoffer] alleen achter in de auto. Vervolgens is [naam] terug in de auto gekomen en zei hij tegen [slachtoffer]: “je gaat ons nu allemaal pijpen of we zetten je af bij de snelweg.” [slachtoffer] heeft daarop gezegd: “ok, ik doe het wel, maar ik ben 14 jaar.” [slachtoffer] verklaarde dat ze bang was dat ze langs de snelweg gezet zou worden en niet meer naar huis zou komen. [slachtoffer] verklaart dat zij het meest bang was voor [naam], bang dat hij haar zou gaan slaan. Vervolgens zijn [slachtoffer], [medeverdachte 1] en [naam] uit de auto gestapt en is zij op haar knieën gaan zitten en heeft zij [medeverdachte 1] gepijpt. [slachtoffer] moest kokken omdat de penis van [medeverdachte 1] te ver naar achteren ging. [medeverdachte 1] en [naam] zeiden daarop dat [slachtoffer] zich niet moest aanstellen. [medeverdachte 1] is klaargekomen in de mond van [slachtoffer], waarop zij zijn sperma heeft uitgespuugd. Op de betreffende parkeerplaats heeft de politie braakselsporen aangetroffen, welke zijn bemonsterd en onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het gevonden DNA bleek te matchen met het DNA van [medeverdachte 1] en [slachtoffer] .

Op 1 februari 2012 is [slachtoffer] ter terechtzitting gehoord in de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1]. Zij heeft voorgaande in overwegende mate bevestigd.

Op 8 december 2011 is [slachtoffer] wederom bij de rechter-commissaris verhoord en heeft zij overeenkomstig haar aangifte verklaard.

Medeverdachte [medeverdachte 1] bekent d.d. 18 november 2010 bij de rechtbank Utrecht dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer] en eveneens uit DNA-onderzoek d.d. 17 mei 2010 is gebleken dat [slachtoffer] seks heeft gehad met [medeverdachte 1].

De rechtbank heeft op basis van de inhoud van het dossier geen enkele reden om aan de verklaring van aangeefster te twijfelen en acht deze betrouwbaar. De verklaring van aangeefster is op essentiële punten consistent. Haar verklaring over de rol van [naam] wordt ook niet weerlegd door de verklaringen van de andere verdachten omdat zij allemaal hetzij zeggen niets te hebben gemerkt van wat verdachte volgens aangeefster zou hebben gedaan hetzij een heel andere, zelfs elkaar vrijwel uitsluitende lezing geven van het gebeurde.

De tweede vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte [verdachte], dezelfde persoon is als de door aangeefster beschreven [naam]. Verdachte heeft bij de politie ontkend bij [slachtoffer] in de auto gezeten te hebben en zegt dat hij niet met haar en [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] op de parkeerplaats te Utrecht is geweest. Ter zitting is hij hier niet op teruggekomen.

Aangeefster [slachtoffer] zegt in haar verklaring dat zij vier weken voor 6 februari 2010 met een groepje ging chillen. Alle vier de jongens die nu vast zitten waren daar ook bij. Dat waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [naam] (hij kan ook [verdachte] heten).

Bij de rechter-commissaris d.d. 8 december 2011 zegt [slachtoffer] dat zij niet weet of er iemand bij was met de naam [verdachte]. Zij kent twee jongens niet van naam en één daarvan wordt [medeverdachte 3] genoemd. De andere jongen heeft naast [slachtoffer] in de auto gezeten.

[medeverdachte 4] heeft op 10 januari 2011 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij geen [naam] kent. Hij kent wel een [verdachte]. Het is mogelijk dat hij erbij was.

[medeverdachte 2] verklaart op 10 januari 2011 bij de rechter-commissaris dat hij [medeverdachte 1] met zijn vriendin weg moest brengen. In de auto hoorde [medeverdachte 2] waar hij heen moest van [medeverdachte 1]. Daarbij waren aanwezig [verdachte] en [medeverdachte 4]. Zij zijn dus met ons meegereden naar Hilversum. [medeverdachte 1] heeft bij de rechtbank verklaard dat de derde jongen [verdachte] is geweest.

De rechtbank concludeert op grond van bovenstaande bewijsmiddelen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte [verdachte] degene is die [slachtoffer] in haar aangifte [naam] noemt.

De verklaring van verdachte dat hij niet is meegeweest naar Hilversum en niet samen met [slachtoffer] in de auto heeft gezeten, wordt weerlegd door bovengenoemde bewijsmiddelen en is derhalve kennelijk leugenachtig. De rechtbank beschouwt deze verklaring als tegen beter weten in afgelegd om de waarheid te bemantelen. De rechtbank zal deze kennelijk leugenachtige verklaring voor het bewijs bezigen.

De rechtbank ziet mede hierom reden om de verklaring van [slachtoffer] over de rol die [naam] zou hebben gespeeld, eveneens bewezen te achten. De rechtbank beschouwt verdachte als de persoon die op de achterbank van de auto ontuchtige handelingen bij [slachtoffer] heeft gepleegd, haar telefoon heeft afgepakt, zijn handen voor haar ogen heeft gedaan en heeft geroepen dat [slachtoffer] alle jongens moest pijpen anders zou ze uit de auto gezet worden.

Gelet op deze handelingen en het tijdsverloop daarin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen. Er is de facto sprake van een bewuste en nauwe samenwerking waarin [slachtoffer] door bedreigingen en feitelijkheden wordt gedwongen [medeverdachte 1] te pijpen.

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de daar omschreven ontvoeringshandelingen.

Verwerping verweer: één bewijs, geen bewijs

De raadsman heeft aangevoerd, dat als de rechtbank de aangifte wel betrouwbaar acht en zal bezigen voor het bewijs, dit onvoldoende wettig bewijs is voor een bewezenverklaring nu de aangifte niet op essentiële punten gesteund wordt door een ander bewijsmiddel.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515).

In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster [slachtoffer] onvoldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. De aangifte wordt ondersteund door de kennelijke leugenachtige verklaring van verdachte en de verklaring van [medeverdachte 1] die inhoudt dat verdachte bij het plegen van het misdrijf aanwezig is geweest. De verklaring van [medeverdachte 4] dat de drie jongens bij de auto waren toen [medeverdachte 1] seks met haar had is eveneens ondersteunend. Ook wordt de verklaring van aangeefster bevestigd door het feit dat op de door [slachtoffer] aangewezen parkeerplaats door de politie braakselsporen aangetroffen, welke zijn bemonsterd en onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Het gevonden DNA bleek te matchen met het [medeverdachte 1] en [slachtoffer] .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 6 februari 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, door een feitelijkheid en door bedreiging met geweld en / of een feitelijkheid [slachtoffer] (geboren [1995]) heeft gedwongen tot het ondergaan van

handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, immers heeft een mededader zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en vervolgens zijn penis in de mond van die [slachtoffer] bewogen en bestaande die feitelijkheid en die bedreiging met geweld en die feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader misbruik heeft/hebben gemaakt van (een) uit hierna te noemen feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiend overwicht van verdachte en/of zijn mededader op [slachtoffer], te weten dat door de verdachte en/of zijn mededader

- tegen [slachtoffer] is gezegd dat ze haar mond moet houden omdat anders de 1e afslag Breda zou zijn en

- handen voor haar ogen zijn gehouden en is gezegd 'je mag niet kijken' en

- de mobiele telefoon van [slachtoffer] is afgepakt en

- tegen [slachtoffer] is gezegd 'je gaat ons nu allemaal pijpen of we zetten je af

bij de snelweg' en

- is gestopt op een bij de snelweg gelegen en voor [slachtoffer] onbekende (donkere)

parkeerplaats en

- door intimidatie en ontstane machtsongelijkheid en (numeriek en fysiek) overwicht een dusdanige druk op [slachtoffer] is uitgeoefend, waardoor [slachtoffer] verminderd in staat was om weerstand te bieden en

- aldus een bedreigende en/of intimiderende sfeer/situatie doen ontstaan, dat [slachtoffer] zich niet

vrij kon voelen en voelde om vorenomschreven handelingen niet te ondergaan/verrichten;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: Medeplegen van verkrachting.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen twee maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, ook als dat inhoudt deelnemen aan het programma Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer (NPT).

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf met bijzondere voorwaarde van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Hij heeft het minderjarige meisje bang gemaakt en gedwongen om zijn medeverdachte te pijpen. Verdachte heeft hierdoor op ernstige wijze de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan.

Uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2012 aangaande verdachte blijkt dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor andere strafbare feiten, overigens ook na het plegen van dit feit. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij na eerdere veroordelingen niet gestopt is met het plegen van strafbare feiten.

Voorts is op 19 maart 2012 door J.J. de Ronde, raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming, over verdachte een rapport en een advies uitgebracht.

De heer J.J. de Ronde heeft dit advies ter terechtzitting d.d. 20 maart 2012 toegelicht.

De heer De Ronde concludeert dat een intensieve begeleidingsinterventie voor [verdachte] nog steeds nodig is. Omdat [verdachte] inmiddels 19 jaar is en ITB-plus een minder logische interventie wordt naarmate een jongere langere tijd in vrijheid verkeerd, verkiest de Raad het inzetten van Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer als interventie (NPT). Vanuit NPT kan samen met [verdachte] intensief geïnvesteerd worden in het vinden van een stabiele dagbesteding en daarmee versterking van het toekomstperspectief. De risicofactoren ten aanzien van recidivekansen kunnen bovendien goed in beeld gebracht worden om herhaling te voorkomen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Rekeninghoudend met de ouderdom van de strafzaak en met toepassing van artikel 63 Wetboek van Strafvordering, acht de rechtbank, alles afwegende een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde van de maatregel Hulp en Steun opnemen, ook als dat inhoudt deelnemen aan NPT.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.746,09 voor het ten laste gelegde feit.

Gelet op het aandeel van verdachte in deze strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,- immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Medeplegen van verkrachting.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, ook indien dat inhoudt deelname aan NPT (Nieuwe Perspectieven Terugkeer);

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 500,- immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 500,- te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. E.A. Messer en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 april 2012.