Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2500

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
16/655401-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld binnen proeftijd. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen een proeftijd van 400 dagen schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel dient te worden toegewezen, zodat verdachte ook de resterende gevangenisstraf van 400 dagen uit moet zitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655401-12 [P]

VI zaaknummer: 99-000039-28

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. J.J. Kuiper, advocaat te Heerhugowaard

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling behandeld.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 10 februari 2012 mevrouw [slachtoffer] met geweld van haar tas heeft beroofd.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is het met de officier van justitie eens dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 20 maart 2012;

- de aangifte van [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 februari 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (van het merk Björn Borg), met daarin onder andere

- een portemonnee, met daarin onder andere een pinpas en een identiteitskaart en een

OV-kaart en andere passen en kaarten

- leren handschoenen

- en een agenda,

toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte dreigend op die [slachtoffer] kwam aflopen en haar vervolgens stevig bij de schouders vastpakte en vervolgens met kracht een tas van de schouder van die [slachtoffer] aftrok;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman pleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij voegt daaraan toe dat het voor verdachte beter is wanneer hij niet alleen maar een straf hoeft uit te zitten, maar meteen in een gesloten setting behandeld kan worden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die leiden tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf met een deel daarvan voorwaardelijk van na te melden duur.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een straatroof. Verdachte heeft aangeefster op straat en in het donker bij haar schouders gepakt en haar tas van haar schouder getrokken.

Een dergelijke gewelddadige diefstal is voor dit slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen. Dit wordt verdachte zwaar aangerekend.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank oprecht berouw toont en zich bereid verklaart om in een gesloten setting van zijn drugsverslaving af te komen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2012 aangaande verdachte blijkt dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij na eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten niet gestopt is met het plegen van deze feiten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het feit, dat hij bekend heeft, gepleegd heeft om op die manier aan geld te komen om drugs te kopen. Verdachte is nog niet van zijn drugsverslaving af en geeft aan dat hij graag hulp wil om van de drugverslaving af te komen.

In het advies van het reclasseringsrapport d.d. 14 maart 2012, opgemaakt door L. Scheffers, reclasseringswerker, staat dat verdachte extreem verslavingsgevoelig is en dat een intensieve behandeling in een forensische verslavingskliniek geïndiceerd is. De gesloten forensische verslavingskliniek (FVK) Basalt te Almere verdient daarbij de voorkeur. De reclassering adviseert de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zodat verdacht de mogelijkheid heeft om zich door middel van een artikel 43 PBW-plaatsing (Penitentiaire Beginselenwet), aansluitend op zijn detentie te laten behandelen in een FVK. Het voorwaardelijk strafdeel met meldplicht dient om de gestarte behandeling in het kader van een artikelplaatsing te kunnen continueren en af te ronden na het onvoorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en zal een voorwaardelijk strafdeel opleggen, met als bijzondere voorwaarde het zich gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Reclassering Nederland.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht opnemen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zijn medewerking zal verlenen aan begeleiding.

7 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 november 2009 van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch is verdachte veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf. Verdachte is voorwaardelijke invrijheidstelling verleend per 4 oktober 2011 gedurende een proeftijd van 400 dagen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 400 dagen dient te worden toegewezen. De officier van justitie voert daartoe aan dat het verdachte niet gelukt is om binnen de gestelde proeftijd van 400 dagen geen nieuwe strafbare feiten te plegen. De officier van justitie meent dat verdachte nu de resterende gevangenisstraf moet uitzitten.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de resterende 400 dagen gevangenisstraf slechts voor een deel toe te wijzen. De verdachte heeft ter zitting toegelicht in welke situatie hij na zijn vrijlating is terechtgekomen en dat hij niet meer het overzicht had hoe uit de problemen te komen. Uiteindelijk heeft hij zijn heil weer in de drugs gezocht met als gevolg dat hij eerder besproken strafbaar feit heeft gepleegd. Hij ziet de verslavingskliniek als de enige mogelijkheid om zichzelf sterker te maken zodat hij naar andere oplossingen zoekt dan drugs als hij in de problemen komt.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd van 400 dagen schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld, als bewezen verklaard in onderhavige zaak en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank is van oordeel dat de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel dient te worden toegewezen, zodat verdachte de resterende gevangenisstraf van 400 dagen uit moet zitten. De rechtbank gaat er vanuit dat deze gevangenisstraf aansluitend ten uitvoer gelegd zal worden aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die bij dit vonnis zal worden opgelegd . De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte al tijdens zijn detentie wegens de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling een aanvang maakt met de behandeling bij de genoemde verslavingskliniek om zo de periode van detentie al intensief te gebruiken voor resocialisatie, mede gelet op de te verwachten duur van de behandelperiode.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.000,- voor het ten laste gelegde feit.

De officier van justitie vordert toewijzing van de gehele vordering.

De raadsman verzoekt de rechtbank het schadebedrag te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 750,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Voorts zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

9 Het beslag

De officier van justitie vordert teruggave aan verdachte van de onder nummers 1 tot en met 6 en 9 op de beslaglijst vermelde goederen. De officier van justitie vordert teruggave aan de rechthebbende van de onder nummers 7, 8, 10 en 11 op de beslaglijst vermelde goederen.

De raadsman sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

9.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 15, 15a, 15g, 15i, 15j, 24c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een behandelverplichting in FVK Basalt te Almere of een soortgelijke instelling vanaf het begin van de proeftijd voor de duur van maximaal één jaar;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 750,- vanwege immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 10 februari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 750,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 6 en 9;

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 7, 8, 10 en 11.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling welke verleend is op 4 oktober 2011 in de zaak onder parketnummer 99/000039-28, voor een periode van 400 dagen,

waarbij de rechtbank het als wenselijk beschouwt dat verdachte binnen de tenuitvoerlegging van de herroepen voorwaardelijke invrijheidstelling reeds op grond van artikel 43 van de Penitentiaire beginselenwet geplaatst zal worden in de hiervoor genoemde instelling FVK Almere of een soortgelijke instelling en dat de behandeling bij die plaatsing kan worden afgerond als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf gedurende maximaal een jaar;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter, mr. E.A. Messer en

mr. E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 april 2012.