Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2436

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
16/711536-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op klaarlichte dag in een kapperszaak in een drukke straat een vuurwapen op de eigenaar, die aan het werk was, gericht en meerdere malen geschoten. Het slachtoffer is daarbij in zijn benen geraakt en heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank acht verdachte schuldig aan zware mishandeling met voorbedachte raad en veroordeelt hem tot zes jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711536-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Primair: heeft geprobeerd al dan niet samen met een ander of anderen [slachtoffer] opzettelijk en

met voorbedachten rade van het leven te beroven;

Subsidiair: al dan niet samen met een ander of anderen [slachtoffer] opzettelijk en met

voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

meer subsidiair: heeft geprobeerd al dan niet samen met een ander of anderen [slachtoffer]

opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsman van de verdachte heeft ter zitting bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van rechten tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces. De raadsman heeft betoogd dat de politie kennelijk zelfstandig iemand de status van anonieme (bedreigde) getuige heeft verleend en dat dit in strijd is met de artikelen 226 a tot en met f van het Wetboek van Strafvordering, nu het aan de rechter-commissaris is om te beslissen of sprake is van een reëel te achten bedreiging waardoor de identiteit van de getuige verborgen dient te worden gehouden en de procespartijen tevens moeten worden gehoord omtrent de eventuele toewijzing van de status van een anonieme bedreigde getuige.

De officier van justitie bestrijdt dat er een dusdanig ernstige inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte dat dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

De rechtbank stelt het volgende vast. Bij proces-verbaal met nummer 2011191684 van 26 augustus 2011 heeft de verbalisant A.J. Nonkes gerelateerd dat hij op 26 augustus 2011 werd gebeld door een politiemedewerkster welke hem mededeelde dat er een man aan de balie was verschenen die kon vertellen wie de schutter was geweest van het schietincident op de Damstraat op 25 augustus 2011. Deze man wilde anoniem blijven. Deze man heeft telefonisch aan verbalisant Nonkes onder meer het volgende medegedeeld: "Ik weet wie gisteren op de Damstraat heeft geschoten. De man heet [verdachte], maar ze noemen hem [bijnaam]. Zijn vader heeft op [adres] gewoond. [bijnaam] komt daar veel vaker. Ik heb hem daar gisteren ook nog gezien". Verbalisant Nonkes heeft niet naar de persoonsgegevens van deze man gevraagd. De informatie die deze man verstrekt heeft is meegenomen in het onderzoek naar de verdachte.

De rechtbank overweegt het volgende.

In geval van onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek biedt artikel 359a Wetboek van Strafvordering als meest vergaande sanctie de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit artikel, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium).

De door de raadsman genoemde omstandigheden leveren geen schending van beginselen van een behoorlijke procesorde op. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaring van de anoniem gebleven man niet voor het bewijs wordt gebruikt. Er staat geen rechtsregel in de weg aan het gebruik van deze informatie ten behoeve van het politie-onderzoek. De raadsman heeft in dat verband ook niet aangegeven in welk opzicht de verdachte door deze gang van zaken in zijn belangen wordt geschaad.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen sprake is van een situatie waarbij met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan Het verweer wordt daarom verworpen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

De rechtbank stelt verder vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de schutter is geweest. In het geval de rechtbank toch tot een veroordeling komt dan is de verdediging van mening dat de rechtbank enkel tot een veroordeling ter zake van een poging tot zware mishandeling kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] heeft in zijn aangifte verklaard dat er op 25 augustus 2011 een man, die al drie à vier jaar in zijn zaak komt om te provoceren en te treiteren, zijn kapsalon in Utrecht binnenkwam. Deze man zei tegen de aangever: "Ik kom zo samen met mijn broer bij jou terug om met jou te praten en om het weer goed te maken". Even later kwam de man terug met een vuurwapen en liep naar de aangever toe. De aangever heeft verklaard dat de man het wapen omhoog bracht en het met de loop tegen de linkerzijde van zijn hoofd drukte. De aangever weerde onmiddellijk af met zijn arm en bracht de arm van de man naar beneden. De man schoot vervolgens, waardoor de aangever in één van zijn benen werd geraakt. De aangever heeft verklaard dat daarna zijn hand losraakte van de hand van de man met het wapen en dat de man vervolgens in het andere been van de aangever schoot. De aangever heeft een schotwond in zijn linker bovenbeen en een schotwond in zijn rechter kuit opgelopen. De aangever heeft daarna kans gezien zich naar de toiletruimte te begeven.

De getuige [getuige] heeft gezien dat een man de kapperszaak binnenkwam en een wapen op het hoofd van [slachtoffer] richtte. Vervolgens heeft hij gezien dat [slachtoffer] met zijn handen de hand van de man met daarin het wapen wegduwde of sloeg. De getuige heeft voorts gezien dat de man weer op [slachtoffer] richtte, maar nu op zijn benen. Daarna hoorde de getuige een schot en zag hij dat [slachtoffer] werd geraakt in zijn been. De getuige zag dat [slachtoffer] naar het toilet toeliep en daar probeerde te schuilen. De getuige zag vervolgens dat de man terug liep naar de voordeur. De man kwam weer terug lopen en zei "waar is hij, waar is hij" en schoot vervolgens nog een keer in de vloer. Hierna liep de man naar buiten en ging hij weg in de richting van de Vleutenseweg.

De politie heeft op 20 september 2011 een foto van de verdachte getoond aan de aangever. De aangever heeft de man op de foto herkend als de man die op hem geschoten heeft.

Een kogel is dwars door het linkerbeen van het slachtoffer gegaan en heeft aan allebei de kanten een gat achtergelaten. Het slachtoffer is geopereerd aan zijn linkerbeen, waarbij er een buisje in de in- en uitgang van de wond is geplaatst zodat het vuil eruit kon. In zijn rechterbeen is het slachtoffer in zijn kuit geraakt, dat heeft een vleeswond opgeleverd die gehecht is. Ondanks dat de wond in het linkerbeen van het slachtoffer twee maal per dag werd gespoeld en verbonden is de wond gaan ontsteken. Ook de wond aan het rechterbeen van het slachtoffer is gaan ontsteken. Er zijn belangrijke zenuwen in het been van het slachtoffer beschadigd en pas na een jaar kan gezegd worden hoe het in de toekomst zal gaan met lopen. Het slachtoffer kan weer een beetje lopen. Als hij dat doet heeft hij 's avonds veel pijn, maar hij kan niet meer op zijn benen staan.

Niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven wilde beroven. De verdachte heeft weliswaar in eerste instantie het wapen op het hoofd van het slachtoffer gericht, de verdachte heeft echter uiteindelijk in de richting van de benen van het slachtoffer geschoten, waarbij het slachtoffer ook in zijn benen is geraakt. Dat het slachtoffer de arm van de verdachte naar beneden heeft weten te brengen, wil niet zeggen dat het opzet van de verdachte gericht was op schieten op het hoofd van het slachtoffer en daarmee op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om nadat zijn arm naar beneden was gebracht door het slachtoffer alsnog op vitale delen van het lichaam van het slachtoffer te schieten. De verdachte heeft dat niet gedaan en richtte op de benen van het slachtoffer toen hij tweemaal schoot. De rechtbank gaat ervan uit dat het opzet van de verdachte dan ook niet gericht was op de dood van het slachtoffer, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. De rechtbank gaat ervan uit dat het opzet van de verdachte gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voor het bewijs van voorbedachte rade is volgens vaste jurisprudentie vereist dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de omstandigheid dat de verdachte eerder die bewuste dag bij het slachtoffer in de kapsalon is geweest en heeft gezegd dat hij later terug zou komen en uit het feit dat de verdachte een vuurwapen bij zich had, meerdere malen op het slachtoffer heeft gericht en meerdere malen op het slachtoffer heeft geschoten, leidt de rechtbank af dat de verdachte opzettelijk en na een moment van kalm overleg en bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering van zijn plan heeft gehandeld. Er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de verdachte als het ware onvoorbereid heeft getroffen en hem gebracht tot een onmiddellijk gevolgde daad. De rechtbank acht aldus bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat er zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden op grond waarvan met voldoende zekerheid zou kunnen worden geconcludeerd dat er betreffende het aan de verdachte ten laste gelegde feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte, zijn broer, die zich op het moment van de schietpartij in de nabije omgeving van de kapperszaak bevond. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Met betrekking tot het letsel van het slachtoffer overweegt de rechtbank dat er (nog) geen uitzicht op een volkomen genezing is en dat het slachtoffer zijn beroep vooralsnog niet meer kan uitoefenen.

4.4 Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd.

De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 25 augustus 2011 te Utrecht aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel ([ernstig] letsel en een schotwond), heeft toegebracht, door opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg) met een (vuur)wapen meermalen te schieten in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] als gevolg waarvan een kogel die [slachtoffer] in diens been heeft geraakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad.

5.2 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat, wanneer de rechtbank toch tot een veroordeling komt voor het ten laste gelegde, de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft op klaarlichte dag in een kapperszaak in een drukke straat een vuurwapen op de eigenaar, die aan het werk was, gericht en meerdere malen geschoten. Het slachtoffer is daarbij in zijn benen geraakt en heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Op het moment van het schietincident waren er ook klanten aanwezig in de kapsalon. Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van het slachtoffer en daarnaast op het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en de klanten die op dat moment in de kapperszaak aanwezig waren. Het slachtoffer ondervindt nog dagelijks de gevolgen van het delict. Het slachtoffer heeft nog veel pijn en kan nog niet goed op zijn benen staan. Hierdoor kan het slachtoffer zijn beroep als kapper niet meer uitoefenen en heeft hij zijn kapperszaak dan ook moeten verkopen. Aangezien het personeel niet meer durfde te blijven werken en ook de klanten niet meer durfden te komen, heeft het slachtoffer de kapsalon met veel verlies moeten verkopen. Naast de ernstige medische en financiële consequenties voor het slachtoffer, zijn de psychische gevolgen ook groot. Het slachtoffer en zijn gezin leven nog steeds in angst, hetgeen hen in hun vrijheid beperkt. Het spreekt voor zich dat een dergelijk feit dat plaatsvond in een publieke gelegenheid zeer schokkend voor de ooggetuigen is en het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid versterkt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 6 december 2011, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, weliswaar voor het plegen van andersoortige strafbare feiten, maar het heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Nu de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren noodzakelijk is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.635,04 voor het ten laste gelegde, waarvan € 135,- voor geleden materiële schade en € 3.500,- voor geleden immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde en acht de verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder de verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f en 303 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte;

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad;

- verklaart de verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.635,04, waarvan € 135,04 ter zake van materiële schade en € 3.500,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 3.635,04 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 46 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)

Beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslaggenomen voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1, 2, 3, 4 en 5.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Prinsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 april 2012.