Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2312

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
16-710739-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking van mensenhandel ten aanzien van twee personen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van mensenhandel ten aanzien van één persoon. Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vijf maanden ten aanzien van het slachtoffer schuldig gemaakt aan mensenhandel. Het slachtoffer was een kwetsbare en beïnvloedbare vrouw. Verdachte onderhield een relatie met haar en leefde met haar samen in zijn woning en hij heeft haar op die manier emotioneel afhankelijk van hem gemaakt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710739-11; 16/446345-08 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats] (Griekenland)

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, alsmede overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1];

Feit 2: zich samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [getuige 1];

Feit 3 primair: een werkgeversverklaring valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze werkgeversverklaring als echt en onvervalst te gebruiken;

Feit 3 subsidiair: gebruik heeft gemaakt van een valse/vervalste werkgeversverklaring;

Feit 4 primair: een werkgeversverklaring valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om deze werkgeversverklaring als echt en onvervalst te gebruiken;

Feit 4 subsidiair: gebruik heeft gemaakt van een valse/vervalste werkgeversverklaring.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt verdediging

Door de verdediging is bepleit dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) niet kan worden ontvangen in zijn vervolging. In deze zaak zijn ernstige inbreuken gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor er teveel rechten van verdachte zijn geschonden. De ernstige vormverzuimen kunnen niet meer, althans niet in voldoende mate, worden hersteld, aldus de verdediging. De verdediging heeft daartoe het volgende naar voren gebracht:

a. Er is sprake van een schending van het doorlaatverbod, opgenomen in artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering. De politie is verplicht om in te grijpen in gevallen waarin de gezondheid en/of veiligheid van personen in gevaar wordt gebracht. Het onderzoek heeft, nadat er op 19 juli 2010 twee aangiftes tegen verdachte werden gedaan, een jaar lang stil gelegen alvorens er enige actie werd ondernomen om verdachte aan te houden. De politie beschikte ten tijde van de aangiftes echter al over informatie waarmee direct een opsporingsonderzoek jegens verdachte had kunnen worden gestart. De politie heeft de vermeende uitbuitingssituatie nog een jaar laten doorlopen zonder dat daar een legitieme reden voor was. Het OM heeft deze strafzaak laten voortduren, omdat het het te druk had met andere, bijna vanzelfsprekend minder ernstige strafbare feiten en daardoor de betreffende aangeefsters niet in veiligheid gebracht. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM;

b. Er is sprake van schending van het beginsel ‘nemo debet bis vexari’. Aangenomen wordt dat dit beginsel inhoudt dat de overheid behoudens ‘nova’ slechts éénmaal van zijn door de wet toegekende machtsmiddelen gebruik mag maken. Dit beginsel kan als beginsel van behoorlijk procesrecht worden opgevat. Verdachte is op 4 oktober 2010 aangehouden op verdenking van bedreiging van één van de aangeefsters van mensenhandel, maar vervolgens niet gehoord over de mensenhandel doch enkel over de bedreiging en weer heengezonden. Deze aanhouding, aldus de raadsman, is slechts geschied om meer zicht te krijgen op de feitelijkheden omtrent de mensenhandelzaak. Daarmee is de aanhouding van verdachte op 28 juni 2011 onrechtmatig en zijn genoemde beginselen geschonden.

c. De politie en het OM hebben gehandeld in strijd met artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering door te verzuimen om ten spoedigste proces-verbaal op te maken van incidenten die thans in het dossier zijn opgenomen. De raadsman noemt ter onderbouwing een aantal processen-verbaal bevindingen. Deze processen-verbaal zijn, zo stelt hij, van weinig waarde, nu deze pas geruime tijd later zijn opgemaakt en kunnen niet bijdragen aan de waarheidsvinding. Verdachte is door dit onherstelbare vormverzuim direct in zijn belangen geschaad en het OM dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard;

d. De aangifte van [slachtoffer 1] is niet aan haar voorgelezen en door haar ondertekend, omdat aangeefster met onbekende bestemming was vertrokken. De aangifte van

[getuige 1] is niet aan haar voorgelezen, omdat het een woordelijke uitwerking betrof van de audio-opnamen. Gelet op de wijze waarop de verhoren zijn verlopen en de taalbarrière is het zeer aannemelijk dat bepaalde zaken verkeerd zijn begrepen en verkeerd zijn geverbaliseerd. Door te verzuimen de verklaringen voor te lezen en te laten ondertekenen, staat niet buiten kijf dat de aangiftes een juiste weergave van de verklaringen van aangeefsters bevatten;

e. De vorderingen ‘aanvraag tot verstrekking van historische gegevens’ ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering aan de rechter-commissaris zijn omkleed met de verdenking van mensenhandel, terwijl men in werkelijkheid wilde onderzoeken of verdachte zich schuldig had gemaakt aan hypotheekfraude of valsheid in geschrift. Het OM heeft de vorderingen verstrekking historische gegevens elke keer voorzien van het proces-verbaal dat centraal stond in het onderzoek naar de verdenking van mensenhandel. Het is aannemelijk dat de rechter-commissaris, als deze van de werkelijke bedoeling van de aanvraag en van de meest actuele stand van zaken op de hoogte was geweest, een negatieve beslissing zou hebben gegeven op de vorderingen wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Het OM heeft op onjuiste wijze gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid, er is sprake van détournement de pouvoir en er is sprake van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte door het OM.

Naar de mening van de verdediging zijn aldus meerdere beginselen van een behoorlijke procesorde geschaad en is de ernst van de optelsom van genoemde vormverzuimen zodanig groot dat aan het recht op een eerlijke behandeling doelbewust en met grove veronachtzaming tekort is gedaan. Verdachte is dusdanig in zijn belangen geschaad dat het OM niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard, aldus de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het aangevoerde overweegt de rechtbank als volgt.

Ad a. Schending van het verbod op doorlaten

Dit verweer treft geen doel. Uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat die bepaling niet in het leven is geroepen ter bescherming van enig belang van verdachte in het strafproces. Derhalve kan verdachte zich niet op de schending van bedoeld artikel beroepen ten betoge dat het OM niet-ontvankelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Ad b. Onrechtmatige aanhouding van verdachte op 28 juni 2011

Het onderzoek naar mensenhandel is gestart op 17 augustus 2010 en vrij snel daarna stilgelegd in verband met andere onderzoeken. Op 10 maart 2011 is het onderzoek voortgezet. Verdachte is tussentijds, op 4 oktober 2010, aangehouden op verdenking van bedreiging van zijn ex-partner, aangeefster [slachtoffer 1]. Verdachte is vervolgens gehoord door een hoofdagent uit het wijkteam over de bedreiging en daarna heengezonden. [slachtoffer 1] heeft van deze bedreiging destijds geen aangifte gedaan en op 5 oktober 2010 is, in overleg met de officier van justitie, de zaak geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

Het door de raadsman gestelde, namelijk dat het aannemelijk is dat die aanhouding is geschied om zo meer zicht te krijgen op de feitelijkheden omtrent de mensenhandelzaak, is door de raadsman op generlei wijze onderbouwd en blijkt ook nergens uit. De rechtbank acht het gestelde onaannemelijk en verwerpt het verweer van de raadsman.

Ad c. Handelen in strijd met artikel 152 van het WvSv

De door de raadsman bedoelde processen-verbaal bevindingen betreffen uitwerkingen van mutaties die dateren van vóór de start van het onderhavige opsporingsonderzoek naar mensenhandel of van geruime tijd voor de datum opmaken proces-verbaal. Mutaties worden in beginsel kort na het desbetreffende contact of incident (digitaal) vastgelegd en in het Bedrijfsprocessen Systeem (BPS) van de politie opgenomen. De raadsman doelt met zijn verweer kennelijk ook niet op de datum van deze mutaties.

In het kader van het later gestarte opsporingsonderzoek naar mensenhandel is de politie in BPS nagegaan of er mogelijk relevante informatie uit mutaties naar voren kwam. Die informatie is vervolgens ten behoeve van het onderzoek mensenhandel in een proces-verbaal bevindingen uitgewerkt en deze verbalen zijn toegevoegd aan het dossier dat aan de rechtbank is voorgelegd. Een uitdraai van de onderliggende mutaties bevindt zich niet bij de stukken. Door de verbalisanten is, op één uitzondering na, telkens aangegeven dat de bedoelde processen-verbaal bevindingen zijn gebaseerd op een eerdere mutatie en welke beperkingen dat met zich brengt voor wat betreft het nauwkeurig verslag doen van de gemuteerde gebeurtenis of situatie.

Op grond van bovenstaande feiten komt de rechtbank niet tot de conclusie dat er sprake is van schending van het bepaalde in artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

De bedoelde uitzondering betreft een proces-verbaal bevindingen van 24 mei 2011. Dit verbaal betreft de bevindingen van verbalisante op 17 juli 2010 tijdens een gesprek met aangeefster [slachtoffer 1], die vervolgens dezelfde dag aangifte heeft gedaan. Hoewel aannemelijk is dat ook dit proces-verbaal is opgemaakt op basis van een eerdere mutatie en is uitgewerkt ten behoeve van het onderzoek [naam], is dit niet gerelateerd. Gelet op de datum van het proces-verbaal en de datum van het incident kan niet anders dan worden geconcludeerd dat dit proces-verbaal niet ten spoedigste is opgemaakt. Dit is een vormfout. Gelet echter op de inhoud van bedoeld proces-verbaal, in relatie tot de inhoud van het proces-verbaal van aangifte en de op 17 juli 2010 gemaakte foto’s van aangeefster, ziet de rechtbank geen aanleiding aan deze constatering gevolgen te verbinden en zal de rechtbank het laten bij de enkele constatering dat er sprake is van een vormverzuim.

Voor wat betreft de waarde van de inhoud van de processen-verbaal merkt de rechtbank op dat de beoordeling van de bewijswaarde van de processen-verbaal aan de rechtbank is.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Ad d. Aangiftes niet ondertekend c.q. voorgelezen

De rechtbank heeft geconstateerd dat beide aangeefsters met behulp van een tolk in de Hongaarse taal zijn gehoord, dat de aangifte van [slachtoffer 1] niet door haar is ondertekend en dat de aangifte van [getuige 1] een woordelijke uitwerking van de audio-opnamen van haar aangifte betreft en dat deze uitwerking niet aan haar is voorgelezen noch door haar is ondertekend. De rechtbank constateert dat dit vormverzuimen zijn.

De raadsman stelt vervolgens dat ‘hierdoor niet buiten kijf staat dat de aangiftes een juiste weergave van de verklaringen van aangeefsters bevatten’.

Beide aangeefsters zijn echter naar aanleiding van hun aangifte en op verzoek van de raadsman, met behulp van een tolk in de Hongaarse taal en in aanwezigheid van de raadsman, nogmaals gehoord bij de rechter-commissaris. Beide aangeefsters hebben tegenover de rechter-commissaris aangegeven te volharden in de door hen bij de politie afgelegde verklaringen en beiden zijn bij de rechter-commissaris niet op de inhoud van hun eerdere aangifte teruggekomen. Gesteld noch gebleken is dat de verklaringen die door de aangeefsters bij de rechter-commissaris zijn afgelegd onjuist zouden zijn weergegeven.

De rechtbank zal aan de constatering dat er sprake is van vormverzuimen dan ook geen gevolgen verbinden.

Ad e. Vorderingen verstrekking historische gegevens

De rechtbank merkt allereerst op dat de beslissingen van de rechter-commissaris waar de raadsman op doelt, slechts ter marginale toetsing aan de rechtbank voorliggen.

Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat het onderzoek ‘[naam]’ zowel de mensenhandelzaak als de hypotheekfraudezaak tegen verdachte behelst. In het onderzoek naar de mensenhandel zijn financiële gegevens ook onderwerp van onderzoek, hetgeen logisch is nu mensenhandel een delict is dat naar zijn aard (voornamelijk) gericht is op geldelijk gewin. Uit het dossier blijkt voorts dat de verdenking van hypotheekfraude is gerezen in de loop van het onderzoek naar de mensenhandel, naar aanleiding van onderzoeksresultaten (taps) en dat dit heeft geleid tot een parallel lopend onderzoek naar de hypotheekfraude. Dit alles onder de noemer ‘[naam]’. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat regelmatig aan een vordering verstrekking historische gegevens (grotendeels) hetzelfde proces-verbaal aanvraag ten grondslag ligt, waarin het onderzoek vanaf de start (mensenhandel) wordt omschreven. Het door de raadsman aangehaalde concrete voorbeeld is in zoverre correct, dat de aanvraag bij oppervlakkige lezing van alleen het verzoek aan het einde van het aanvraag proces-verbaal, en gelezen los van de eerdere verzoeken, betrekking lijkt te hebben alleen op de verdenking ‘mensenhandel’. In dit concrete voorbeeld echter relateert het proces-verbaal in de toelichting op het verzoek ook de verdenking van hypotheekfraude.

Gegeven het hierboven geschetste onderzoekskader is de rechtbank niet gebleken dat de rechter-commissaris in de aanvragen ‘vordering tot verstrekking van historische gegevens’ onjuist dan wel onvolledig is voorgelicht, laat staan dat zulks doelbewust zou zijn gedaan ter misleiding van de rechter-commissaris omdat deze anders tot een andere (afwijzende) beslissing zou komen.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman op dit punt.

Ook bij elkaar opgeteld leiden de argumenten van de raadsman zoals hierboven onder a t/m e weergegeven niet tot de conclusie dat sprake is van dusdanige schendingen van de belangen van verdachte dat geconcludeerd moet worden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank stelt daarom vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden voor schorsing van de vervolging is.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, feit 2, feit 3 primair, feit 3 subsidiair, feit 4 primair en feit 4 subsidiair. De verdediging heeft daarbij gewezen op de in het ter terechtzitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vindplaatsvermeldingen

De vindplaatsvermeldingen in de voetnoten verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer 2010175757E, tenzij anders is vermeld. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Voor zover geschriften in de zin van

art. 344.1.5º Wetboek van Strafvordering (hierna aan te duiden als: overige geschriften) voor het bewijs gebruikt worden, worden deze uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [getuige 1], waarin zij verklaart over de omstandigheden waaronder zij voor verdachte en de medeverdachte als prostituee moest werken op [adres], niet voldoende wordt ondersteund door enig ander objectief bewijsmiddel in het dossier. Met name voor wat betreft de door haar gestelde toepassing van dwangmiddelen zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden dan haar eigen verklaring hieromtrent. Dit leidt ertoe dat niet dan wel in onvoldoende mate kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een niet (geheel) vrije keuze van aangeefster om een relatie als prostituee met verdachte (als souteneur) te starten dan wel in stand te houden en om in dat kader werkafspraken met verdachte te maken. Evenmin kan worden vastgesteld dat [getuige 1] door verdachte anderszins gedwongen of bewogen is zich beschikbaar te stellen in de zin van artikel 273f lid 1 sub 4 en sub 9 Wetboek van Strafrecht. Er kan dan ook niet in voldoende mate worden vastgesteld dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Ook is de rechtbank van oordeel dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat sprake was van het oogmerk van uitbuiting bij verdachte en dat verdachte uit die uitbuiting opzettelijk voordeel heeft getrokken.

De rechtbank zal verdachte dan ook wegens gebrek aan wettig bewijs van feit 2 vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft onder meer het navolgende verklaard –zakelijk weergegeven-:

[slachtoffer 1] is in november of december 2009 vanuit Hongarije, via Zwitserland, naar Nederland gekomen om in de prostitutie te komen werken. In Utrecht ontmoette ze [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) en ze sprak met hem over raamprostitutie. [slachtoffer 1] is toen voor twee tot drie maanden teruggegaan naar Hongarije en begin maart 2010 is ze weer naar Nederland gekomen. [slachtoffer 1] is met het vliegtuig naar Duitsland gekomen en met de bus naar Nederland gereisd, waar zij door [verdachte] werd opgehaald.

De eerste dag verbleef ze in een hotel en de tweede dag werd er een woning voor haar geregeld in [adres]. Na één of twee weken verhuisde ze naar de [adres]. In die woning op de [adres] is ze met [verdachte] gaan samenwonen. Ze vond [verdachte] wel leuk. Ze hadden elkaar een beetje aangetrokken en uiteindelijk hadden ze een relatie gekregen. Ze leefden als man en vrouw.

[slachtoffer 1] was met [medeverdachte] papieren gaan regelen voor een sofinummer. [verdachte] had geregeld dat [slachtoffer 1] op [adres] in Utrecht kon gaan werken en dat ze daar een kamer kon huren. [verdachte] had uitgelegd dat ze bij de office moest zijn voor het betalen van haar cabine en dat ze haar paspoort en identiteitsboek moest meenemen. Daarop kreeg ze een cabine waar ze kon werken. Afspraken over de tarieven werden al eerder gemaakt. [verdachte] had gezegd dat ze niet onder de vijftig euro moest gaan werken en dat dat voor vijftien tot twintig minuten was. [verdachte] had ook het advies gegeven dat ze zich liever met Nederlanders moest inlaten, omdat Nederlanders zich normaal gedragen en aardig zijn.

Voor de eerste week moest [slachtoffer 1] € 650 voor de kamer betalen. Ze had uitsluitend

’s nachts gewerkt. Ze had met [verdachte] de afspraak dat fifty fifty werd betaald, [verdachte] zou 50% krijgen en zij zou de andere helft houden. Ze zou zes dagen in de week werken en één dag in de week vrij zijn. [verdachte] zei dat hij altijd overzicht hield over haar en dat hij heen en weer reed op [adres]. [verdachte] had het geld van haar afgepakt en gezegd dat hij dat voor haar zou bewaren.

[slachtoffer 1] betaalde de helft van de huur van de woning aan de [adres]. [verdachte] vertelde dat de huur € 1400 was, maar achteraf bleek dat de huur € 900 was. Als hij vijf of tien euro in haar tas zag dan vroeg hij ook of ze dat aan hem wilde geven. Hij kwam elke keer weer in haar tas kijken.

Na ongeveer twee maanden had [verdachte] haar wel eens een klap gegeven. Twee keer had hij haar enkele klappen gegeven en had hij haar heen en weer geduwd. De derde keer had [verdachte] haar geslagen en geschopt. In totaal had [verdachte] haar vier keer mishandeld. De vierde keer was op de donderdag voor de aangifte (de rechtbank begrijpt: donderdag 15 juli 2010). [verdachte] begon tegen haar te schreeuwen. Hij begon haar te slaan. Hij had haar geslagen in haar gezicht en op haar lichaam. Hij had haar geschopt en al haar spullen uit de woning gegooid. Toen heeft hij haar in de auto gezet. Hij schreeuwde dat ze geluk had dat hij haar niet vermoordde. Hij bracht haar naar België en heeft haar in België uit de auto gegooid.

Alle ruzies begonnen vanwege het geld. [verdachte] vond dat ze te weinig verdiende. [verdachte] dreigde vaak dat hij haar zou vermoorden en dat als ze iets tegen hem zou doen hij haar, haar hele gezin of haar familie zou uitmoorden. Hij had haar simkaarten, telefoons en laptop kapot geslagen. Hij wilde dat niemand uit Hongarije haar zou kunnen helpen. In het begin had [slachtoffer 1] een privé- en een werktelefoon, maar die mocht ze niet behouden, omdat [verdachte] jaloers was. Hij had in haar werktelefoon nagekeken welke namen en telefoonnummers daarin stonden.

Als [slachtoffer 1] ging werken bracht [verdachte] haar naar het [naam] benzinestation dichtbij [adres] en daar belde hij een taxi, die [slachtoffer 1] verder naar haar werk bracht.

[verdachte] wilde haar niet zelf brengen, omdat er overal camera’s op [adres] hingen. Ze belde [verdachte] op als ze met haar werk klaar was en dan liet hij haar door een taxi weer ophalen. De ruzies gingen vaak over de werktijden, omdat [slachtoffer 1] niet om acht uur ’s avonds kon beginnen. Ze begon meestal om negen uur, tien uur, elf uur ’s nachts, maar als dat omstreeks elf uur was dan was [verdachte] boos. Ze werkte elke dag tot acht uur ’s ochtends.

[slachtoffer 1] verdiende gemiddeld € 400 tot € 500 per dag. Op topdagen verdiende ze € 600 tot € 700 per dag. [verdachte] gaf haar geld om condooms te kopen.

[slachtoffer 1] werkte ook als ze menstrueerde. Ze wilde dat niet. Vooral de eerste dag was dat pijnlijk voor haar. [verdachte] had een spons gekocht voor als ze ongesteld was, omdat ze wel moest werken van hem.

De rechtbank heeft kennis genomen van de in het dossier opgenomen foto’s van het letsel van [slachtoffer 1], genomen op 17 juli 2010. Verbalisant zag dat er blauwe verkleuringen zichtbaar waren op haar rechterwang, op de neusrug, haar linkerbovenarm, haar rug en haar linkerscheenbeen.

Getuige [getuige 1] verklaarde op 20 juli 2010 bij de politie dat zij [slachtoffer 1] in april/mei 2010 weer had gezien. De laatste twee maanden hadden ze dagelijks telefonisch contact onderhouden. [slachtoffer 1] had aan haar verteld dat [verdachte] haar had geslagen en geschopt. Haar hele zijkant was bont en blauw en paars. [getuige 1] had die blauwe plekken gezien. Op een dag had [slachtoffer 1] [getuige 1] opgebeld vanuit België en ze vertelde door de telefoon dat ze door [verdachte] in elkaar was geslagen en dat zij op straat was gegooid. [getuige 1] is toen naar België gegaan om [slachtoffer 1] op te halen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [verdachte] wordt genoemd, dat hij met [slachtoffer 1] in zijn woning aan de [adres] woonde en dat [slachtoffer 1] in de prostitutie werkte. [slachtoffer 1] betaalde de helft van de huur en een deel van de vaste lasten. In totaal was dat een bedrag van € 600. Verdachte had [slachtoffer 1] in totaal twee keer naar [adres] gebracht, omdat ze een lift vroeg. Hij had [slachtoffer 1] één keer naar haar ex-vriend in België gebracht.

Verdachte verklaarde dat hij en [slachtoffer 1] vaak ruzie hadden. Verdachte bevestigde dat de vrouw op de in het dossier opgenomen foto’s de [slachtoffer 1] was, waarover hij had verklaard.

De rechtbank overweegt dat ondanks het feit dat [slachtoffer 1] na haar aangifte aan de politie meldde dat de situatie tussen haar en verdachte was veranderd en dat ze daarom haar aangifte niet wilde doorzetten, zij op geen enkel moment zegt dat de eerder door haar afgelegde verklaring niet juist is. Bij de rechter-commissaris verklaart zij dat in het begin wel slechte dingen zijn gebeurd maar dat het nu al een jaar goed gaat. Zij verklaart dat de problemen waarover zij eerder had verteld niet meer bestaan en blijft consistent verklaren over de omstandigheden waaronder zij in de periode voordat zij aangifte deed in de prostitutie moest werken. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 1] op het punt van wat zich in België heeft afgespeeld en wat daaraan voorafgaand is gebeurd, ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1]. De combinatie van die verklaring en het bij aangeefster [slachtoffer 1] op 17 juli 2010 geconstateerde letsel en de verklaring van verdachte, die de verklaring van [slachtoffer 1] op meerdere feitelijkheden bevestigt, maar die feitelijkheden alleen anders waardeert, maakt dat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar vindt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte heeft gehandeld, zoals door [slachtoffer 1] aangegeven.

Een bewezenverklaring van artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte ten aanzien van aangeefster handelingen heeft verricht met het oogmerk van uitbuiting en met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen.

Een bewezenverklaring van artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte aangeefster met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen heeft aangezet tot prostitutie.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

De dwangmiddelen

Aangeefster verkeerde in een kwetsbare positie. Vast staat dat verdachte een (liefdes)relatie met haar onderhield. Ze was psychisch en sociaal kwetsbaar, en door haar liefde voor c.q. verliefdheid op verdachte was zij emotioneel van hem afhankelijk. Daarnaast sprak ze de Nederlandse taal niet en was ze niet bekend met de gebruiken in de Nederlandse samenleving en prostitutiewereld. Voor haar huisvesting en haar inkomsten was zij afhankelijk van verdachte. In die zin was sprake van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aangeefster te werk te stellen op de wijze waarop hij dat deed misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie en van zijn feitelijk overwicht op haar. Verdachte heeft bovendien, zoals weergegeven, [slachtoffer 1] bedreigd met geweld en ook daadwerkelijk geweld tegen haar gebruikt. Verdachte heeft derhalve (een aantal van) de in de wet vermelde dwangmiddelen gebruikt.

Handelingen

Verdachte heeft blijkens voornoemde bewijsmiddelen aangeefster vervoerd, gehuisvest en opgenomen in zijn woning, en haar aangezet tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

(Oogmerk van) uitbuiting

Oogmerk veronderstelt tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg.

Verdachte kreeg het grootste deel van het door [slachtoffer 1] verdiende geld. [slachtoffer 1] ontving op een gegeven moment helemaal geen geld voor haar prostitutiewerkzaamheden, omdat verdachte dit geld onder het mom van bewaren voor haar onder zich hield. De rechtbank leidt hieruit af, dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij de bovengenoemde handelingen verrichtte, maar haar daardoor ook daadwerkelijk uitbuitte. Aangeefster kon immers niet, zoals een mondige Nederlandse prostituee, over haar eigen verdiensten beschikken. Ondersteuning voor dat oordeel vindt de rechtbank bovendien in het feit dat verdachte [slachtoffer 1] verplichtte om veel te werken en ook te werken als ze ziek was of menstrueerde, terwijl zij dat eigenlijk niet wilde of niet kon, kennelijk alleen om meer geld voor hem te verdienen.

Voordeel trekken uit de uitbuiting en gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de prostitutie

Verdachte heeft van [slachtoffer 1] geldbedragen ontvangen tijdens de periode dat zij voor verdachte als prostituee werkte. Enerzijds een (groot) deel omdat dat was afgesproken, maar daarnaast ook (een deel van) het geld dat volgens afspraak aan [slachtoffer 1] zelf toekwam. Mede gelet op hetgeen hiervoor omtrent de uitbuiting van [slachtoffer 1] is overwogen, leidt dit tot de conclusie dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] (artikel 273f lid 1 sub 6), alsmede dat verdachte [slachtoffer 1], die geld aan hem afdroeg uit haar prostitutiewerkzaamheden, door het hanteren van de dwangmiddelen heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van dat prostitutiewerk (artikel 273f lid 1 sub 9).

Periode

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen voor de periode van 1 maart 2010 tot en met 19 juli 2010, omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster [slachtoffer 1] pas vanaf maart 2010 in Nederland daadwerkelijk in de prostitutie is gaan werken voor verdachte.

Alleen gepleegd

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte dit feit in nauwe en bewuste samenwerking met een andere persoon of andere personen heeft gepleegd. De rechtbank zal verdachte daarom van het medeplegen vrijspreken.

Gelet op voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde varianten van mensenhandel.

Bewezenverklaring feit 3 primair

Uit de gegevens van [bedrijf 1] blijkt dat verdachte via intermediair [naam] te Zeist een aanvraag tot het verkrijgen van een hypothecaire geldlening heeft ingediend, gericht op het verkrijgen van een lening ter grootte van € 163.000,00 ter financiering van de aankoop van het onroerend goed aan de [adres] te [woonplaats]. De aanvraag bestond onder meer uit een werkgeversverklaring van 5 juni 2009 , met daarop vermeld de volgende gegevens:

- werknemer: [verdachte], in dienst sinds 1 mei 2009;

- werkgever: [bedrijf 2], [adres], [adres];

- bruto jaarsalaris € 32.327,64;

- vakantietoeslag € 2.586,21;

- er zijn geen voornemens om het dienstverband binnenkort te beëindigen.

Ook is een werkgeversverklaring van 7 juli 2009 bij de aanvraag overgelegd, met daarop vermeld dezelfde als de hiervoor genoemde gegevens. Op deze werkgeversverklaring is aanvullend vermeld als aard van het dienstverband ‘een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of aangesteld in vaste dienst’.

Zowel de werkgeversverklaring van 5 juni 2009 als de werkgeversverklaring van 7 juli 2009 zijn ondertekend door [betrokkene 1].

[betrokkene 1], mede-eigenaar van [bedrijf 2], heeft verklaard dat zij de werkgeversverklaringen voor verdachte had opgesteld, omdat verdachte deze nodig had voor een lening voor de woning aan de [adres] in Utrecht.

[betrokkene 2], eigenaar van [bedrijf 2], verklaarde dat hij destijds door

[betrokkene 1] op de hoogte was gesteld van het feit dat er voor verdachte een werkgeversverklaring was opgesteld. Hij had tegen [betrokkene 1] gezegd dat zij de werkgeversverklaring maar moest invullen.

[bedrijf 1] heeft de gevraagde hypothecaire geldlening verstrekt op basis van de bij de aanvraag overgelegde bescheiden. Uit de hypotheekakte volgt dat verdachte op 16 juli 2009 de hypotheek heeft afgesloten bij [bedrijf 1] te Leeuwarden. Op 16 juli 2009 heeft verdachte ook de akte van levering getekend voor de woning aan de [adres] bij notaris [naam] in Zeist.

Uit de in het dossier opgenomen fiscale gegevens blijkt dat verdachte van 1 maart 2009 tot en met 31 mei 2009 bij [bedrijf 2] heeft gewerkt.

De boekhouder van [bedrijf 2] heeft verklaard dat verdachte op 1 maart 2009 tot en met 31 mei 2009 in dienst is geweest bij [bedrijf 2]. Weliswaar bevinden zich in zijn administratie ook nog salarisstroken van juni en juli 2009, maar deze beide salarisstroken zijn gecorrigeerd en wel in die zin dat er over deze maanden géén salaris is betaald, wel is er in juni 2009 vakantiegeld uitgekeerd.

De rechtbank maakt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen op dat verdachte ten tijde van het opmaken van de werkgeversverklaringen op 5 juni 2009 respectievelijk 7 juli 2009 niet meer werkzaam was bij [bedrijf 2]. Deze werkgeversverklaringen zijn derhalve valselijk opgemaakt nu de daarin vermelde gegevens ten tijde van het opmaken van de werkgeversverklaringen niet meer voor verdachte van toepassing waren. De beide werkgeversverklaringen zijn echter wel gebruikt voor de aanvraag van de hypothecaire geldlening en de geldlening is vervolgens mede op basis van deze werkgeversverklaringen aan verdachte verstrekt.

Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft derhalve geen verklaring gegeven voor het feit dat de werkgeversverklaringen met de vermelde gegevens zijn opgemaakt op het moment dat verdachte niet meer bij het restaurant werkzaam was, terwijl dit wel om een verklaring vraagt. Het standpunt van de advocaat van verdachte houdt in dat verdachte stelt dat het arbeidscontract op 31 mei 2009 weliswaar is geëindigd, maar dat nadien mondeling is afgesproken dat verdachte zijn werkzaamheden voor het restaurant zou blijven verrichten en dat hij dit ook werkelijk heeft gedaan, zij het niet meer op basis van de beëindigde schriftelijke overeenkomst maar op basis van een mondelinge overeenkomst.

Dit standpunt mist feitelijke grondslag. Verdachte heeft op dit punt immers helemaal niets verklaard en dus ook geen stelling genomen. Een dergelijke stelling zou overigens ook geen steun vinden in de gegevens van de belastingdienst en is in strijd met de verklaring van de boekhouder. Uit zijn verklaring blijkt immers dat over juni en juli 2009 uiteindelijk geen loon is betaald, waaruit volgt dat er geen betaalde arbeid is verricht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander of anderen de werkgeversverklaringen valselijk heeft opgemaakt/laten opmaken met het oogmerk om de werkgeversverklaringen voor de aanvraag van een hypothecaire geldlening vervolgens als echt en onvervalst te gebruiken.

Vrijspraak feit 4 primair en bewezenverklaring feit 4 subsidiair

Uit de gegevens van [naam] blijkt dat verdachte via intermediair [naam] te Zeist een aantal documenten ter verkrijging van een hypothecaire geldlening heeft ingediend bij [naam]. De documenten waren gericht op het verkrijgen van een geldlening ter financiering van de aankoop van onroerend goed op de [adres] in Utrecht. De aanvraag bestond onder meer uit een werkgeversverklaring van 20 april 2006 , met daarop vermeld de volgende gegevens:

- werknemer: [verdachte];

- werkgever: [bedrijf 3], [adres], [adres];

- bruto jaarsalaris € 31.020,00;

- vakantietoeslag € 2.481,60;

- vaste 13de maand € 2.585,00;

- er zijn geen voornemens om het dienstverband binnenkort te beëindigen;

- de werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst.

De werkgeversverklaring is ondertekend door [betrokkene 3].

[betrokkene 3] heeft verklaard dat zij de werkgeversverklaring had ingevuld en ondertekend voor een lening of hypotheek. Verdachte had haar zelf gevraagd om de werkgeversverklaring hiervoor op te stellen.

[naam] heeft de gevraagde hypothecaire geldlening verstrekt op basis van de bij de aanvraag overgelegde bescheiden. Uit de hypotheekakte volgt dat verdachte op

1 juni 2006 de hypotheek heeft afgesloten bij [naam] te Rotterdam. Op 1 juni 2006 heeft verdachte ook de akte van levering getekend voor de woning aan de [adres] bij notaris [naam] in Zeist.

Uit de in het dossier opgenomen fiscale gegevens blijkt dat verdachte van 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 bij [bedrijf 3] zou hebben gewerkt.

De gegevens van de belastingdienst duiden erop dat verdachte op het moment van invullen en ondertekenen van de werkgeversverklaring op 20 april 2006 werkzaam was bij [bedrijf 3]. Er is gelet hierop onvoldoende wettig bewijs dat, toen de werkgeversverklaring werd opgemaakt, al sprake was van onjuiste gegevens of van juiste gegevens die niet meer van toepassing waren, doordat verdachte inmiddels uit dienst was getreden. Hoewel verdachtes dienstverband kort na het opmaken van de werkgeversverklaring is beëindigd, is uit het dossier onvoldoende op te maken dat er op het moment van het opmaken van de verklaring reeds voornemens waren om het dienstverband binnenkort te beëindigen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gesproken kan worden van een valselijk opgemaakte werkgeversverklaring waarvan door verdachte gebruik is gemaakt als ware deze echt en onvervalst voor het verkrijgen van de hypothecaire geldlening.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het aan hem onder feit 4 primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt dat op het moment dat de hypotheek daadwerkelijk werd afgesloten en de akte van levering door verdachte werd getekend op 1 juni 2006 verdachte niet meer in dienst was bij [bedrijf 3]. Op 1 juni 2006 maakte verdachte dus gebruik van de op 20 april 2006 opgemaakte werkgeversverklaring, terwijl dit document op het essentiële onderdeel, dat er geen voornemens waren om het dienstverband binnenkort te beëindigen en de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had of was aangesteld in vaste dienst, niet meer geldend was. Daarmee was sprake van een op dat moment valse werkgeversverklaring, hetgeen verdachte op 1 juni 2006 ook bekend behoorde te zijn. De formele bekrachtiging bij de notaris heeft alleen kunnen plaatsvinden door [naam] eerder in het bezit stellen van die naar later bleek valse werkgeversverklaring.

Verdachte heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft derhalve geen verklaring gegeven voor het feit dat de werkgeversverklaring met de vermelde gegevens door hem is gebruikt op het moment dat verdachte niet meer bij [bedrijf 3] werkzaam was, terwijl dit wel om een verklaring vraagt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring als ware deze werkgeversverklaring echt en onvervalst, zoals onder feit 4 subsidiair tenlastegelegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 1 maart 2010 tot en met 19 juli 2010 te Utrecht en/of te België, (telkens) een ander te weten [slachtoffer 1]

(sub 1) door dwang en geweld en door bedreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd en overgebracht en gehuisvest en opgenomen, (telkens) met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1],

en

(sub 4) (telkens) onder onder sub 1 van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en

(sub 6) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en

(sub 9) (telkens) met een of meerdere van de onder sub 1 van dit artikel genoemde middelen, die [slachtoffer 1] heeft gedwongen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met of voor een derde,

immers heeft hij, verdachte (één of meermalen)

- die [slachtoffer 1] van woonruimte voorzien en

- een (liefdes)relatie met die [slachtoffer 1] aangegaan en onderhouden met die [slachtoffer 1] en

- met die [slachtoffer 1] op de [adres] aldaar feitelijk samengewoond en een gezamenlijke huishouding gevoerd en

- die [slachtoffer 1] voorgehouden de helft van de door die [slachtoffer 1] als prostituee verdiende inkomsten voor haar te bewaren en

- een groot deel van de door die [slachtoffer 1] als prostituee verdiende inkomsten beheerd en

- die [slachtoffer 1] voorgehouden dat zij (fictieve) schulden aan hem diende af te betalen en

- die [slachtoffer 1] tijdens de menstruatieperiode als prostituee laten werken ook indien zij dit zelf niet wilde (omdat het pijnlijk voor haar was) en

- die [slachtoffer 1] in een auto vervoerd naar een [naam] benzine station (in de buurt van [adres] waar die [slachtoffer 1] als prostituee werkte) waar vandaan hij, verdachte, die [slachtoffer 1] met de taxi naar [adres] liet vervoeren/brengen vanwege de op [adres] hangende camera's die hem, verdachte, registreerden ingeval hij die [slachtoffer 1] naar [adres] zou vervoeren en

- simkaarten en telefoons en laptops kapot geslagen/-gemaakt en

- die [slachtoffer 1] meermalen geschopt en geslagen en

- die [slachtoffer 1] naar België gereden en aldaar uit de auto gegooid en

- die [slachtoffer 1] de volgende woorden toegevoegd: "Ik vermoord je." en "Ik vermoord je familie." en

- voor die [slachtoffer 1] een kamer/een cabine op [adres] te Utrecht geregeld op welke kamer/welke cabine die [slachtoffer 1] als prostituee moest werken en

- aan die [slachtoffer 1] voorafgaand en (vervolgens) tijdens de door die [slachtoffer 1] verrichte prostitutiewerkzaamheden (werk)instructies betreffende het betalen en het tarief van de huur van haar kamer/haar cabine op [adres] gegeven en

- aan die [slachtoffer 1] voorafgaand aan en/of (vervolgens) tijdens de door die [slachtoffer 1] verrichte werkzaamheden de volgende woorden toegevoegd: "Je moet niet onder 50,00 Euro gaan werken." en "Je moet je met Nederlanders inlaten, want die zijn aardiger en gedragen zich normaal." en

- die [slachtoffer 1] onder druk gezet en

- die [slachtoffer 1] gezegd dat zij moest werken om geld te verdienen om van haar schulden af te komen/af te lossen en

- die [slachtoffer 1] er toe aangezet zes dagen van de week en gedurende vele uren per dag, als prostituee te werken en

- die [slachtoffer 1] er toe aangezet gedurende vele en lange dagen te werken, ook als zij dat zelf niet zo vaak en/of zo lang wilde en

- bepaald wanneer en hoe vaak [slachtoffer 1] diende te werken als prostituee en

- die [slachtoffer 1] gecontroleerd en in de gaten gehouden terwijl die [slachtoffer 1] als prostituee op [adres] aan het werk was en

- de privé- en werktelefoon van die [slachtoffer 1] gecontroleerd op namen en telefoonnummers van klanten en

- de tas van die [slachtoffer 1] gecontroleerd en

- een sponsje voor die [slachtoffer 1] gekocht zodat die [slachtoffer 1] tijdens de menstruatieperiode als prostituee kon doorwerken en

- door het verschaffen van voeding en onderdak en het geld van die [slachtoffer 1] te beheren en te bewaren en aangezien die [slachtoffer 1] taal niet, althans zeer beperkt spreekt en de Engelse taal zeer beperkt spreekt en aangezien die [slachtoffer 1] onbekend is met Nederlandse gebruiken die [slachtoffer 1] in een situatie gebracht waarin zij financieel en emotioneel afhankelijk van verdachte was en

- die [slachtoffer 1] een zeer groot deel van haar prostitutieverdiensten afgepakt en/of laten afgeven aan hem, verdachte en

- die [slachtoffer 1] slechts een (zeer) klein of gering deel van die verdiensten laten behouden en

- van die [slachtoffer 1] geld gekregen/ontvangen afkomstig uit haar verdiensten als prostituee.

3. Primair

op a. 5 juni 2009 en b. op 7 juli 2009 te IJmuiden en/of Leeuwarden en/of Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, een werkgeversverklaring - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk a. en b. op die werkgeversverklaring onder andere de naam en het adres van zijn, verdachtes, werkgever, zijnde Grieks [bedrijf 2], [adres] [adres] en b. de aard van zijn, verdachtes, dienstverband zijnde een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst en a. en b. zijn, verdachtes, inkomen zijnde bruto jaarsalaris 32.327,64 Euro en vakantietoeslag 2.586,21 Euro vermeld/laten vermelden, en a. en b. dat er geen voornemens zijn het dienstverband binnenkort te beëindigen, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

4. Subsidiair

in de periode van 20 april 2006 tot en met 13 juli 2006 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring ter verkrijging van een hypothecaire lening bij [naam], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken uit het verzenden/overhandigen/in bezit stellen van die werkgeversverklaring aan [naam] en bestaande die valsheid of vervalsing uit het vermelden/laten vermelden van onder andere de naam en het adres van zijn werkgever zijnde [bedrijf 3], [adres], [adres] en de aard van zijn, verdachtes, dienstverband zijnde een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst en dat er geen voornemens zijn het dienstverband binnenkort te beëindigen en zijn, verdachtes, inkomen zijnde bruto jaarsalaris 31.020 Euro en zijnde vakantietoeslag 2.481,60 Euro en vaste 13e maand 2.585,- Euro op die werkgeversverklaring.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Mensenhandel.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair:

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 46 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] ingediende vordering tot schadevergoeding geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden geheel toe te wijzen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat als de rechtbank tot het opleggen van een straf komt de door de officier van justitie gevorderde straf een veel te hoge straf is en deze straf aanzienlijk gematigd moet worden. Daarnaast is de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] ingediende vordering tot schadevergoeding niet op zijn plaats en naar de mening van de verdediging dient deze vordering te worden afgewezen.

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf verzocht om de proeftijd te verlengen, zodat er een stok achter de deur blijft bestaan.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer vijf maanden ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] schuldig gemaakt aan mensenhandel. Het slachtoffer was een kwetsbare en beïnvloedbare vrouw. Verdachte onderhield een relatie met haar en leefde met haar samen in zijn woning en hij heeft haar op die manier emotioneel afhankelijk van hem gemaakt. Het slachtoffer sprak de Nederlandse taal niet en was niet bekend met de in de Nederlandse samenleving aanvaarde normen en waarden. Daarnaast verkeerde zij financieel in een slechte positie. Verdachte was daarvan op de hoogte.

Verdachte heeft het slachtoffer geholpen om in Utrecht in de prostitutie aan de slag te gaan. Vervolgens heeft hij haar gedwongen om meer te werken dan zij aanvankelijk van plan was, ook tijdens ziekte en menstruatie. Het slachtoffer werd tijdens haar werkzaamheden als prostituee door verdachte gecontroleerd en in de gaten gehouden. Verdachte heeft het slachtoffer ook bedreigd en daadwerkelijk (grof) geweld jegens haar gebruikt.

Het slachtoffer moest een groot deel van de opbrengst aan verdachte afstaan. Verdachte hield haar voor dat zij daarmee haar schuld aan hem kon afbetalen, terwijl zij in feite geen (hoge) schulden bij verdachte had.

Juist omdat het hier om prostitutiewerkzaamheden ging, heeft verdachte door aldus te handelen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Dat zij aanvankelijk vrijwillig in de prostitutie is gaan werken, doet daaraan niet af. Immers, de omstandigheden waaronder zij in de prostitutie heeft gewerkt zijn niet de omstandigheden waarin een mondige prostituee werkzaam dient te zijn. Daarmee is er wel degelijk inbreuk op haar rechten gemaakt. Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die het slachtoffer zou ondervinden als gevolg van zijn handelen. Hij heeft zich louter laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent hem dit ernstig aan.

Dat verdachte het niet zo nauw neemt met de waarheid en vooral aan zijn eigen portemonnee denkt blijkt ook uit de overige bewezen verklaarde feiten, waarbij hij zich schuldig gemaakt heeft aan valsheid in geschrift en het gebruik van dergelijke geschriften. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen dat in de juistheid van bepaalde stukken in het financiële verkeer moet kunnen worden gesteld ernstig beschaamd.

Verdachte heeft ter zitting in het geheel geen verantwoordelijkheid genomen voor hetgeen hij heeft gedaan. Verdachte heeft totaal geen spijt en berouw getoond richting het slachtoffer [slachtoffer 1]. Gedurende het onderzoek ter zitting heeft hij volgehouden dat er niks aan de hand is geweest en dat hij niets fout heeft gedaan. Verdachte heeft daarmee totaal geen inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. De rechtbank acht daarom een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats om verdachte ervan te doordringen dat hij zich in de toekomst van het plegen van dit soort feiten dient te onthouden. De rechtbank overweegt daarbij ook dat het feit van de mensenhandel naar zijn aard een lucratief delict is, waardoor het niet ondenkbaar is dat verdachte zich wederom hiermee zal inlaten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 8 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor feiten als mensenhandel en valsheid in geschrift is veroordeeld, maar wel voor soortgelijke feiten als mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de ernst van de feiten een stevige straf rechtvaardigen, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, deels omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de aan hem ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [getuige 1]. Daarnaast rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een te hoge straf is. De rechtbank zal deze straf dan ook matigen en verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 43.000,00 voor feit 1, waarvan € 38.000,00 voor gederfde inkomsten en € 5.000,00 voor immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreekse schade heeft geleden.

De rechtbank acht aannemelijk dat het bedrag van € 100,- voor iedere gewerkte dag een minimum betreft. In dat verband verwijst de rechtbank naar hetgeen in de bewijsmiddelen is opgenomen over haar werktijden en de bedragen die zij gemiddeld per dag verdiende. Ook uit jurisprudentie op dit punt blijkt dat in mensenhandelzaken als (minimum)verdienste een bedrag van € 100,00 per gewerkte dag wordt aangehouden. De rechtbank acht daarom voor gederfde inkomsten over de bewezen verklaarde periode, zijnde een periode van 141 dagen, waarvan 6 werkdagen per week, zijnde totaal 121 dagen, een bedrag van € 12.100,00 voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van

€ 5.000,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en zij acht ook dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor de bovenomschreven schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Ervan uitgaande dat de schade per dag is ontstaan zal de rechtbank het toegewezen schadebedrag vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf een datum exact gelegen in het midden van de bewezen verklaarde periode, derhalve vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De rechtbank zal verdachte tevens veroordelen in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 76,00.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van

6 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 22 januari 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank heeft in het verhandelde ter terechtzitting geen aanleiding gezien hiervan af te wijken.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 36f, 57, 63, 225 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en onder 4 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Mensenhandel;

feit 3 primair: Medeplegen van valsheid in geschrift;

feit 4 subsidiair: Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 17.100,00, waarvan € 12.100,00 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 9 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 76,00;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], € 17.100,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 120 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 22 januari 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/446345-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 april 2012.