Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2276

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
SBR 11-3434
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:890, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2011 heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de wet Bibob aan eiseres een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een seksinrichting. Nu aannemelijk is dat een persoon met wie eiseres samenwerkt betrokken is bij mensenhandel en (nog steeds) sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres mocht verweerder de vergunning weigeren. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/3434

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. J.E. Groenenberg),

en

de burgemeester van de gemeente Amersfoort, verweerder,

(gemachtigden: mr. E.J. van Eyck en B. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2011 heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (hierna: Wet Bibob) aan eiseres een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een seksinrichting op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1283).

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 mei 2011 is het verzoek van eiseres afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Op 8 juni 2011 heeft eiseres een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (geregistreerd onder procedurenummer SBR 11/1932) en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij, totdat op het bezwaarschrift is beslist, wordt behandeld als ware zij in het bezit van de gevraagde exploitatievergunning, alsmede te bepalen dat verweerder een onafhankelijke commissie ter beoordeling van het bezwaarschrift instelt. Bij uitspraak van 8 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiseres na een inhoudelijke beoordeling afgewezen.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 21 september 2011 het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 6 juli 2011 ongegrond verklaard, tegen welk besluit eiseres beroep bij deze rechtbank heeft ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en daarbij met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat de kennisneming van het aanvullende Bibob-advies van 14 juni 2011 alsmede het Bibob-advies van 2 februari 2011 om gewichtige redenen tot de rechtbank beperkt dient te blijven.

De rechtbank heeft op 29 december 2011 beslist dat de beperking van de kennisneming van deze adviezen gerechtvaardigd wordt geacht. Op 3 januari 2012 is namens eiseres toestemming verleend om mede op grond van deze adviezen uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 januari 2012, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn ter zitting verschenen mr. E.J. van Eyck en B. Jansen, beiden werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Overwegingen

1. Op 7 september 2010 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om een exploitatievergunning ten behoeve van seksinrichting ‘Massagesalon Amersfoort Khorat Privé’ op het perceel. Op 27 januari 2011 heeft eiseres deze aanvraag gewijzigd in die zin dat de heer [X] niet langer als beheerder op de aanvraag wordt vermeld. Naar aanleiding van een tip van de Officier van Justitie op 17 november 2010 heeft verweerder het Landelijk Bureau Bibob (hierna: LBB) verzocht terzake daarvan een onderzoek in te stellen. Bij besluit van 6 april 2011 heeft verweerder in navolging op het advies van het LBB van 2 februari 2011 de gevraagde exploitatievergunning geweigerd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit gevaar heeft verweerder enerzijds gebaseerd op het vermoeden dat de heer [X] (hierna: [X]) bij het faillissement van zijn onderneming opzettelijk schuldeisers heeft benadeeld en anderzijds op het vermoeden dat de heer [Y] (hierna: [Y]) in verband is te brengen met het plegen van mensenhandel. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiseres zowel tot [X] als tot [Y] in een zakelijk samenwerkingsverband staat en om die reden in relatie staat tot de door hen gepleegde strafbare feiten.

2. Naar aanleiding van het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder het LBB verzocht een aanvullend advies uit te brengen. Onder verwijzing naar het aanvullend advies van het LBB van 14 juni 2011 heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de weigering de gevraagde exploitatievergunning te verlenen, gehandhaafd.

3. Op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amersfoort 2009-I (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen.

4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen voorzover zij daartoe bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Op grond van het derde lid, wordt de mate van het gevaar, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b betreft, vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Op grond van het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met het verslag van de hoorzitting omdat dit geen goede weergave vormt van hetgeen ter hoorzitting is besproken. In dit kader stelt de rechtbank vast dat van de hoorzitting een verslag is gemaakt, zodat aan de eisen van artikel 7:7 van de Awb is voldaan. Voorzover eiseres niet met het verslag kan instemmen, heeft zij dat in onderhavige procedure kenbaar kunnen maken, zodat de rechtbank deze kritiek kan betrekken in haar overwegingen. Deze beroepsgrond kan om die reden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit (zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 6 februari 2008, LJN BC3586).

6. Datzelfde geldt voor de beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten haar dit verslag voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit toe te zenden. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS (ABRvS 12 juni 1997, LJN ZF2796), waarnaar ook door eiseres in beroep is verwezen, is in de Awb niet neergelegd op welk moment het verslag aan belanghebbenden dient te worden toegezonden. Gelet op de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het evenwel voor de hand dat het verslag van de hoorzitting uiterlijk gelijktijdig met het bestreden besluit aan belanghebbenden wordt toegezonden. Indien het verslag van de hoorzitting voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit aan belanghebbenden wordt toegezonden, wordt hun daarmee de mogelijkheid geboden aan het desbetreffende bestuursorgaan kenbaar te maken of het verslag naar de mening van betrokkenen een juiste weergave van de hoorzitting bevat. Uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dat veelal ook de voorkeur genieten. In dat geval kan immers het bestuursorgaan bij het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift met eventuele opmerkingen ook nog rekening houden.

7. De rechtbank stelt in het onderhavige geval vast dat het verslag van de hoorzitting gelijktijdig met de bestreden beslissing aan eiseres is verzonden. Eiseres kan om die reden worden toegegeven dat verweerder, door eerst na het nemen van het bestreden besluit het verslag van de hoorzitting toe te zenden, niet zorgvuldig heeft gehandeld. Hierin is naar het oordeel van de rechtbank evenwel geen grond gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit, nu eiseres niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij hierdoor in haar processuele belangen is geschaad. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiseres bedoelde aspecten, te weten het bezwaar van eiseres dat verweerder dient aan te geven op welke wijze eiseres kan aantonen dat niet langer sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en de heren [X] en [Y]. Anders dan eiseres ziet de rechtbank in de late verzending van het verslag van de hoorzitting evenwel geen reden tot vernietiging van het bestreden besluit.

8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van de beslissing op bezwaar een zakelijk samenwerkingsverband bestond tussen eiseres en [Y]. Ter zitting heeft eiseres in dit kader toegelicht dat zij mondeling aan [Y] de toegang tot de seksinrichting heeft ontzegd en hij in het geheel geen bemoeienis meer zal hebben met de exploitatie van de seksinrichting.

9. Anders dan eiseres, en evenals de voorzieningenrechter, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [Y]. Daartoe overweegt zij als volgt. Verweerder heeft aan het bestreden besluit een zestal omstandigheden ten grondslag gelegd, waaronder de huurovereenkomst tussen eiseres en [Y], het feit dat [Y] boven de seksinrichting woont, het gegeven dat [Y] samen met eiseres een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen het besluit van verweerder de seksinrichting te sluiten en de aanwezigheid van [Y] in de seksinrichting tijdens diverse politiecontroles, die - in samenhang bezien - voldoende aanknopingspunten geven voor oordeel dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [Y]. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar betoog dat thans geen sprake meer is van een zakelijk samenwerkingsverband omdat zij na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2011 aan [Y] de toegang tot de seksinrichting heeft ontzegd, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat dit is geschied, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Voorts heeft de rechtbank bij dit oordeel van belang geacht dat [Y] nog altijd eigenaar en verhuurder is van het pand waarin eiseres de seksinrichting wenst te exploiteren en [Y] als zodanig boven de seksinrichting woont.

10. De rechtbank volgt eiseres voorts niet in het betoog dat verweerder haar dient voor te lichten op welke wijze zij thans aannemelijk kan maken dat niet langer sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband met [Y]. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit terecht gesteld dat het op de weg van eiseres ligt om dit betoog met bewijsmiddelen te onderbouwen. Nu immers vaststaat dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband, zal eiseres indien zij zich beroept op gewijzigde omstandigheden, dit betoog moeten onderbouwen. De bewijslast van dit betoog en het bijbehorende bewijsrisico ligt in dit geval bij eiseres. De rechtbank begrijpt niet op welke wijze er dan vervolgens sprake kan zijn van strijd met artikel 13 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM), dat bepaalt dat een ieder recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Bovendien staat tegen onderhavige uitspraak van de rechtbank een rechtsmiddel open.

11. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, nu verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter op 5 juli 2011 zou hebben toegezegd dat indien eiseres voldoet aan een aantal voorwaarden de exploitatievergunning zou worden verleend. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet van een dergelijke uitdrukkelijke, ondubbelzinnige toezegging door verweerder en evenmin heeft bedoelde passage in het proces-verbaal specifiek betrekking op het zakelijk samenwerkingsverband met [Y]. Ook deze beroepsgrond kan derhalve niet slagen.

12. Nu aannemelijk is dat [Y] betrokken is bij mensenhandel en (nog steeds) sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [Y], moet worden geconcludeerd dat eiseres in een relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Gelet hierop heeft verweerder de conclusie mogen trekken dat er ernstig gevaar bestaat dat de door eiseres gevraagde exploitatievergunning (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

13. Verweerder was dan ook bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder van zijn bevoegdheid in dit geval geen gebruik heeft mogen maken. Dit betekent dat de vergunning reeds hierom kon en mocht worden geweigerd. Onder deze omstandigheden behoeven de door eiseres aangevoerde beroepsgronden tegen het door verweerder gestelde samenwerkingsverband tussen eiseres en [A] geen bespreking.

14. Nu hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, is het beroep ongegrond. Onder deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavicevic, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.