Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2165

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
16-513979-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdenking van het medeplegen van een overval op een supermarkt, subsidiair medeplichtigheid. Verdachte is niet één van de drie overvallers. Deze vaststelling staat echter op zichzelf niet in de weg aan een bewezenverklaring van het medeplegen van die overval, zoals onder primair ten laste is gelegd of aan de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een of meer van de medeverdachten bij de overval. Evenmin wordt bewezen geacht dat verdachte voor de overval informatie over de code van een toegangsdeur of de beveiligingscamera’s van de supermarkt aan de overvallers heeft verstrekt, en als zodanig medeplichtig aan de overval zou zijn geweest. De rechtbank spreekt verdachte dan ook van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/513979-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres],

[adres]

raadsman: mr. D.C. Dorrestein, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 14 oktober en 27 oktober 2011, 20 januari en (inhoudelijk) op 29 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

op 7 juli 2011 te De Bilt, samen met anderen een gewapende overval heeft gepleegd op de [bedrijf 1] aldaar, waarbij geweld is gebruikt tegen [aangever 1] en [aangever 2].

Subsidiair is ten laste gelegd de medeplichtigheid aan de onder primair ten laste gelegde gewapende overval door het opzettelijk verschaffen van inlichtingen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte van het primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat zij daarvoor onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig acht.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het feit dat verdachte slechts een paar dagen voor de overval bij de [bedrijf 1] in De Bilt is gaan werken, hij veel interesse toonde in het reilen en zeilen van de winkel, waaronder de werking van beveiligingscamera’s en de code van de achterdeur, het feit dat verdachte de avond vóór de overval verkeerde in gezelschap van de medeverdachten, hij in de nacht vóór de overval door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanuit Utrecht naar zijn huis in De Bilt is gebracht, de telecomgegevens van de telefoon van verdachte, zijn zus en zijn vader, het feit dat verdachte zich had “verslapen” op de ochtend van de overval en daardoor te laat op zijn werk kwam en de verklaring van de getuige [medeverdachte 1].

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de medeplichtigheid wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. Voorts heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte ter zitting gevorderd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde feit en wijst daarbij op het feit dat verdachte ten tijde van de betreffende overval thuis was, hetgeen wordt bevestigd door de verklaringen van zijn vader en zus. Voorts is er geen enkel technisch bewijs aangetroffen, zoals DNA-sporen of vingerafdrukken, waaruit de directe betrokkenheid van verdachte zou blijken. Dat de telefoon die verdachte de nacht vóór de overval in gebruik had, een mast in de buurt van de [bedrijf 1] aanstraalt is logisch, nu verdachte vlakbij die [bedrijf 1] woonachtig is.

Voorts kan naar de mening van de verdediging uit de resultaten van het telecomonderzoek niet geconcludeerd worden dat verdachte in de ochtend kort vóór de overval telefonisch contact heeft gehad met de medeverdachte [medeverdachte 2].

Evenmin kan een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten worden aangetoond, hetgeen wel noodzakelijk is om medeplegen te kunnen bewijzen. Het enkele feit dat verdachte de avond vóór de overval heeft doorgebracht met de medeverdachten is voor het bewijs van medeplegen volstrekt onvoldoende.

Verdachte dient dan ook van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

Ook de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid kan naar de mening van de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Verdachte ontkent dat hij informatie heeft gegeven over de beveiliging bij de [bedrijf 1]. Het is compleet uit de lucht gegrepen dat verdachte bij de [bedrijf 1] is gaan werken alleen met het doel om dergelijke informatie in te winnen. Verdachte is ook gewoon blijven werken bij de [bedrijf 1] ná de overval.

Volgens de verdediging baseert de officier van justitie zich voornamelijk op de verklaring van de getuige [getuige 1]. Haar verklaring is echter gebaseerd op onderbuikgevoelens en verdachtmakingen. Iedere onderbouwing van haar stellingen ontbreekt en staat in schril contrast met de verklaring van de aangever, die vanaf het begin tevreden was over verdachte. De verklaringen van [getuige 1] staan geheel op zichzelf en worden op geen enkele manier ondersteund door andere bewijsmiddelen.

In het dossier is ook geen enkel bewijs dat verdachte informatie heeft verstrekt. De verdediging wijst er op dat, hoewel verdachte de code van de achterdeur van de [bedrijf 1] wist, de overvallers gewoon door de voordeur van de [bedrijf 1] zijn binnengekomen.

De verdediging is dan ook van oordeel dat verdachte van het subsidiair ten laste gelegde eveneens dient te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Op donderdag 7 juli 2011 heeft een gewapende overval op de vestiging van de [bedrijf 1] in De Bilt aan de [adres] plaatsgevonden, waarbij drie overvallers, voorzien van bivakmutsen en wapen, de winkel zijn binnengedrongen. De overval heeft kort geduurd en de overvallers zijn vervolgens weggerend. Omstreeks 07.54 komt een melding van de overval binnen bij de politie.

Verdachte woont vlak bij de [bedrijf 1] in De Bilt. Verdachte heeft verklaard, en dat is door zijn vader (getuige [getuige 2] bevestigd, dat hij op 7 juli 2011 door zijn vader tussen 07.30 en 07.55 uur is gewekt, zich snel heeft aangekleed omdat hij zich had verslapen en kort daarna de woning heeft verlaten om naar zijn werk bij de [bedrijf 1] te gaan. De overval had net plaatsgevonden toen hij bij de [bedrijf 1] arriveerde en korte tijd later arriveerde de politie. Getuige [getuige 1] verklaart dat verdachte op de dag van de overval niet op tijd was en dat hij er uitzag alsof hij zich had verslapen.

Aan de hand van verschillende getuigen-verklaringen is te reconstrueren dat twee overvallers eerst een stuk hebben gerend en vervolgens in een auto zijn gevlucht. De derde overvaller –niet zijnde verdachte- is minder dan een half uur na de overval in de omgeving aangehouden. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet één van de drie bedoelde overvallers in de [bedrijf 1] was.

Deze vaststelling staat echter op zichzelf niet in de weg aan een bewezenverklaring van het medeplegen van die overval, zoals onder primair ten laste is gelegd of aan de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid.

De rechtbank overweegt over de mogelijke strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij de overval voorts als volgt.

Verdachte heeft de avond en nacht van 6 op 7 juli 2011 doorgebracht in Utrecht in een woning aan de [adres]. Hij verbleef daar in het gezelschap van onder meer zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Deze medeverdachten zijn bij vonnis van heden elk veroordeeld voor het medeplegen van voormelde overval.

Zoals hiervoor reeds aangegeven bevond verdachte zich echter al enige uren voor het tijdstip waarop de overval plaatsvond thuis.

Voorts blijkt uit de verklaring van een getuige dat verdachte drie dagen vóór de overval bij het desbetreffende [bedrijf 1]-filiaal is gaan werken als vakantiekracht. De deur van de opslagruimte van de [bedrijf 1] kan alleen van binnen uit met een code worden open gemaakt, anders gaat een alarm af. Verdachte heeft de code van die deur aan een collega gevraagd en vervolgens gekregen. Ook hoorde verdachte dat de camera’s in de opslagruimte niet werkten.

Uit het dossier is echter niet gebleken dat dergelijke, mogelijk als inside-informatie aan te merken, informatie omtrent de beveiliging bij de [bedrijf 1] is verstrekt aan één of meerdere daders van de overval. Evenmin is gebleken dat dit door verdachte zou zijn gedaan. De rechtbank wijst erop dat uit de wijze waarop de overval heeft plaatsgevonden kan worden afgeleid dat daarbij in ieder geval geen gebruik is gemaakt van bij verdachte bestaande wetenschap omtrent de codes. De overvallers zijn immers niet via de deur van de opslagruimte bij de [bedrijf 1] binnen gekomen, maar naar binnen gerend via de door de bedrijfsleider geopende winkeldeur. Voorts merkt de rechtbank op, dat uit de verklaring van een medewerkster van de [bedrijf 1] is gebleken dat dergelijke codes eigenlijk zonder problemen en al snel aan de werknemers werden verstrekt.

Op basis van de telecomgegevens kan worden vastgesteld dat er via het toestel in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 2] op de ochtend van de overval rond 05.40 drie keer gebeld is naar het toestel van de zus van verdachte en rond 07.45 uur (zeer kort voor de overval) drie keer naar de telefoon van de vader van verdachte. Deze contacten zouden kunnen wijzen op het uitwisselen van informatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2].

Verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij wel eens gebruik maakte van de telefoons van zijn vader en zus. Deze vader en zus wonen bovendien op hetzelfde adres als verdachte. Verdachte heeft echter ontkend dat hij ook op de ochtend van 7 juli van deze telefoons gebruik heeft gemaakt. Bewijsmiddelen van het tegendeel bevinden zich niet in het dossier. Daarbij komt dat uit telecomgegevens tevens blijkt dat verdachte die ochtend ook van zijn eigen telefoon gebruik maakte. De rechtbank acht derhalve onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte op laatstgenoemde tijdstippen ook daadwerkelijk telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2].

De verklaring van getuige [medeverdachte 1], die heeft verklaard over de betrokkenheid als medeplichtige van verdachte, acht de rechtbank, nu deze onvoldoende wordt verankerd in andere objectieve bewijsmiddelen, onvoldoende betrouwbaar om een veroordeling van verdachte op te baseren.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een of meer van de medeverdachten bij de overval. Evenmin wordt bewezen geacht dat verdachte voor de overval informatie over de code of de camera’s aan de overvallers heeft verstrekt, en als zodanig medeplichtig aan de overval zou zijn geweest. De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit vrijspreken.

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.000 ter zake van als gevolg van de overval door hem geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag van het ontstaan van die immateriële schade, in casu 7 juli 2011.

Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan,

zal de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

5. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 april 2012.