Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW2100

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
16-601107-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreigingen en vernieling. Verklaringen afgelegd door verdachte ter terechtzitting ten aanzien van de feiten 2 en 3 niet aannemelijk. Volgt oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Afwijzing vordering tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601107-11 en 16/601251-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

raadsman mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging met bovenvermeld parketnummer behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: op 17 november 2011 in Houten een ruimte van het arrestantencomplex van de politie Utrecht heeft vernield;

- feit 2: op 27 april 2010 [aangever 2] heeft bedreigd;

- feit 3: op 27 april 2010 [getuige 1] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Daartoe baseert de officier van justitie zich op de aangifte van vernieling door [aangever 1] namens de politie Utrecht (feit 1), de bekennende verklaring van verdachte (feit 1), de aangifte van bedreiging door [aangever 2] en de verklaring van getuige [getuige 1], beide in combinatie met de deels bekennende verklaring van verdachte (feiten 2 en 3).

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten 1 en 2 en refereert zich ten aanzien van die feiten aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 3 ten laste gelegde.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit niets is gebleken dat verdachte bedreigingen heeft geuit die zouden zijn gericht tegen [getuige 1]. [getuige 1] is de enige die hierover heeft verklaard. Bij [getuige 1] heeft bovendien nooit de redelijke vrees kunnen ontstaan dat verdachte de vermeende bedreigingen zou uitvoeren. De redenering van de officier van justitie, inhoudende dat de combinatie van de verklaringen van [getuige 1], [aangever 2] en verdachte de conclusie rechtvaardigt dat ook de ten laste gelegde bedreiging van [getuige 1] door verdachte is geuit, is te kort door de bocht, aldus de raadsman. Verdachte heeft niet over het bedreigen van [getuige 1] verklaard. Bij de politie zijn over dat incident geen vragen aan verdachte gesteld. Naar de mening van de raadsman moet verdachte van het derde feit worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- de aangifte van [aangever 1] namens [slachtoffer] en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1].

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 27 april 2010 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van bedreiging. Aangever [aangever 2] heeft hierover verklaard dat hij als verpleegkundige werkzaam is op afdeling [naam], welke afdeling deel uit maakt van [naam]. [verdachte] (verder: verdachte) die op 26 april 2010 vrijwillig was ingesloten op zijn kamer, eiste op 27 april 2010 via de intercom dat de deur van zijn kamer zou worden geopend. Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat hij verdachte op afstand, via de intercom, te woord heeft gestaan. Volgens aangever [aangever 2] schreeuwde verdachte: “Maak die deur open stelletje teringlijers en als je niet opschiet maak ik jullie kapot”.

Aangever en enkele van zijn collega’s hebben zich vervolgens rondom de deur van de kamer van verdachte gegroepeerd teneinde hem naar buiten te begeleiden. Via het luikje in de deur heeft aangever contact gehad met verdachte. Volgens aangever [aangever 2] schreeuwde verdachte op dat moment: “Maak die tyfusdeur open, stelletje kankerhonden. Ik maak jullie stuk voor stuk af”. Aangever heeft hierover verklaard dat hij zich angstig voelde worden door deze bedreiging. Verdachte is vervolgens door aangever [aangever 2] naar buiten begeleid, waarbij aangever verdachte hoorde zeggen: “[aangever 2], ik snij je keel door”.

Getuige [getuige 1] was op 27 april 2010 werkzaam als begeleider op de afdeling waar verdachte als patiënt was opgenomen. [getuige 1] heeft verklaard dat hij verdachte met luide stem via de intercom hoorde schreeuwen: “Ik wil eruit teringlijers, klootzakken, kankerlijers, kankernazi’s”. Getuige [getuige 1] heeft voorts verklaard dat verdachte, nadat was besloten om hem vanuit zijn kamer naar buiten te begeleiden, met luide stem tegen [getuige 1] heeft geroepen: “[getuige 1], jij kale nazi. Ik ga je kapot maken”.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft op 27 april 2010 bij de politie over dit incident verklaard. Volgens verdachte wilde hij naar buiten om te roken. De deur van zijn kamer werd geopend door [aangever 2] (de rechtbank begrijpt: aangever [aangever 2]). Volgens verdachte was hij wat verhit. Verdachte heeft erkend dat hij de uitlatingen: “Maak die deur open stelletje teringlijers en als je niet opschiet maak ik jullie kapot” en “Maak die tyfusdeur open stelletje kankerhonden” heeft gedaan.

Nadere bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 2 en 3

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet meer weet wat hij allemaal heeft gezegd. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij woorden als ‘kanker’ en ‘kapotmaken’ heeft gebruikt. Ten slotte heeft verdachte ter terechtzitting ontkend dat hij [aangever 2] en [getuige 1] (de rechtbank begrijpt: aangevers [aangever 2] en [getuige 1]) heeft bedreigd.

De rechtbank acht de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd niet aannemelijk en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft, anders dan tijdens het onderzoek ter terechtzitting, op 27 april 2010 bij de politie een verklaring afgelegd waarin hij heeft erkend uitlatingen met een bedreigende strekking te hebben gedaan omdat hij zijn kamer wilde verlaten.

Daarnaast bevestigen de verklaringen die aangever [aangever 2] en getuige [getuige 1] over het incident hebben afgelegd elkaar op diverse onderdelen. Niet alleen komen die verklaringen overeen als het gaat om de door verdachte gebruikte woorden als ‘kanker’ en ‘nazi’, maar ook als het gaat over het moment waarop verdachte de uitlatingen zou hebben gedaan. Zowel aangever [aangever 2] als getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte zijn uitlatingen deed terwijl hij via de intercom vroeg om zijn kamerdeur te openen en daarna terwijl hij naar buiten werd begeleid. De uitlatingen van verdachte zijn aldus in een zeer kort tijdsbestek, volgend op elkaar, gedaan. Ook dat gegeven blijkt uit zowel de verklaring van aangever [aangever 2] als uit de verklaring van getuige [getuige 1].

De verklaringen van aangever [aangever 2] en getuige [getuige 1] in onderling verband en samenhang bezien, in combinatie met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, leiden ertoe dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de feiten zoals ten laste gelegd onder 2 en 3 heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook voor deze feiten veroordelen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 17 november 2011 te Houten opzettelijk en wederrechtelijk een muur en een stoel en een deur en een ruit van een ruimte van het Arrestantencomplex Politie Utrecht, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Utrecht, heeft beschadigd door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk één of meermalen met grote kracht die stoel tegen die muur en die deur en die ruit te slaan;

2.

(085974-10)

op 27 april 2010 te Den Dolder, gemeente Zeist, [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Maak die deur open stelletje teringlijers en als je

niet opschiet maak ik jullie kapot" en "Maak die deur open stelletje kankerhonden. Ik maak jullie stuk voor stuk af" en "[aangever 2] ik snij je keel door", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

(085974-10)

op 27 april 2010 te Den Dolder, gemeente Zeist, [getuige 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [getuige 1] dreigend de woorden toegevoegd :"[getuige 1], jij kale nazi. Ik ga je kapot maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van Reclassering Nederland en voorts dat verdachte zal meewerken aan een opname en behandeling bij Stichting Trajectum voor de duur van één jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de meeste van de strafbare feiten die verdachte heeft gepleegd voortkomen uit gevoelens van wanhoop en frustratie, in combinatie met het niet tijdig kunnen nemen van zijn medicijnen. Volgens de raadsman is het van groot belang dat verdachte zo snel mogelijk in contact wordt gebracht met hulpverlening.

De raadsman is van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een kleiner voorwaardelijk strafdeel dan door de officier van justitie is geëist, nu hij tot een andere conclusie komt ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3. Voor het overige kan de raadsman zich vinden in het voorstel van de officier van justitie.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een vernieling en twee bedreigingen gepleegd.

Deze bedreigingen heeft verdachte geuit tegen twee personeelsleden van de instelling waar verdachte op dat moment als patiënt verbleef. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij degenen heeft bedreigd die op dat moment met de zorg voor hem waren belast.

Ondanks zijn relatief jonge leeftijd heeft verdachte een fors strafblad. Verdachte is eerder veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten, mishandelingen en bedreigingen.

Ter terechtzitting is daarnaast gebleken dat verdachte zeer recent, op 20 februari 2012, door de politierechter in Arnhem is veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis in de zaak die bekend is onder parketnummer 05/702736-10.

Uit het over verdachte opgemaakt beknopte reclasseringsadvies van 30 november 2011 volgt dat er bij verdachte sprake is van ADHD in combinatie met forse gedragsproblematiek. Voorts is sprake van beperkingen in intellectueel functioneren, een gebrekkige gewetensfunctie, een zeer beperkte frustratietolerantie en een zwakke impulscontrole. Ten slotte zou ook sprake zijn van verslavingsproblematiek. De kans op recidive wordt onverminderd groot geacht door het onvoorspelbare gedrag en de zwakke impulscontrole van verdachte. Uit het rapport volgt ook dat de enkele begeleiding door de Reclassering in samenwerking met de casemanager van verdachte bij Centrum Maliebaan onvoldoende is om hem de zorg te bieden die hij nodig heeft. Een klinische opname en behandeling bij Trajectum zou hierin kunnen voorzien. Er is voor verdachte een plaats beschikbaar binnen één van de klinieken van Stichting Trajectum; een precieze opnamedatum is op dit moment nog niet bekend.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij graag geholpen wil worden. Op dit moment zijn er contacten met een casemanager van Centrum Maliebaan; de afspraken met deze casemanager worden door verdachte nagekomen.

De rechtbank acht het, gezien het vorenstaande, noodzakelijk dat verdachte een klinische behandeling bij een instelling als Stichting Trajectum of een soortgelijke instelling, zoals die is voorgesteld door de Reclassering, zal ondergaan.

De rechtbank vindt het daarnaast van belang dat deze klinische behandeling zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dit vonnis wordt gerealiseerd.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal dan ook een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opleggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding en klinische behandeling van verdachte mogelijk. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een voldoende passende strafrechtelijke reactie op de bewezen verklaarde feiten op.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging zal worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten. De tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke veroordeling zou aan een spoedige start van de klinische behandeling van verdachte in de weg staan. De rechtbank acht het van groter belang dat op een zo kort mogelijke termijn een aanvang kan worden gemaakt met de klinische behandeling van verdachte.

Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat verdachte onlangs nog door de politierechter in Arnhem is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, welke werkstraf ook nog door verdachte zal moeten worden verricht.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 63, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat verdachte gedurende deze proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan;

* dat verdachte wordt verplicht zich te melden bij Centrum Maliebaan zo dikwijls als die instelling dat nodig acht;

* dat verdachte wordt verplicht om te verblijven in en mee te werken aan een klinische behandeling bij Stichting Trajectum of in een voor de veroordeelde meest geschikte behandelsetting in een inrichting te bepalen door het NIFP/IFZ, dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een intramurale behandeling zal kunnen worden gegeven, met inachtneming van de mate van zorg en beveiliging die voor veroordeelde noodzakelijk is. De behandeling van veroordeelde zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 februari 2012.

Mr. Y.A.T. Kruijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.