Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1756

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
313218 / HA ZA 11-1687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ongerechtvaardigde verrijking of od Invensys jegens aandeelhouders Baan wegens renteloze lening aan Baan?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23b
Burgerlijk Wetboek Boek 2 92
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2012/856
JOR 2012/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 313218 / HA ZA 11-1687

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

VALUE8 N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2] ,

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. A.A.E. Rietveld te Bussum,

tegen

1. de naamloze vennootschap in liquidatie

BAAN COMPANY N.V.,

statutair gevestigd te Barneveld en kantoorhoudende te Baarn,

gedaagde,

niet verschenen

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVENSYS ADMINISTRATIE B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Baarn,

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Josephus Jitta te Amsterdam,

3. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

INVENSYS PLC.,

gevestigd en kantoorhoudende te Londen, Verenigd Koninkrijk

gedaagde,

advocaat mr. M.W. Josephus Jitta te Amsterdam.

Eisers zullen hierna gezamenlijk Value8 c.s. worden genoemd, gedaagde 1 Baan, gedaagde 2 Invensys Administratie, gedaagde 3 Invensys en gedaagden 2 en 3 gezamenlijk ook Invensys c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2012,

- de brief van Invensys c.s. van 21 februari 2012 en de brief van Value8 c.s. van 23 februari 2012, naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In de zomer van 2000 heeft Invensys Holdings Ltd. (hierna: Invensys Holdings), een dochtermaatschappij van Invensys, vergeefs geprobeerd om, door middel van een (vriendschappelijk) openbaar bod, minimaal 95% van de aandelen van Baan te verwerven, tegen een koopprijs van € 2,85 per aandeel.

2.2. Bij overeenkomst van 26 juni 2000 heeft Baan al haar activa en passiva verkocht aan Invensys Holdings, onder voorwaarde van goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan (hierna: de koopovereenkomst). Deze voorwaarde werd vervuld op 18 augustus 2000. De koopovereenkomst stelde de koopprijs op een bedrag van € 762 miljoen, maar bevatte een correctiemechanisme dat inhield dat de koopprijs zodanig zou worden aangepast dat Baan uiteindelijk precies in staat zou zijn om na ontbinding een liquidatieuitkering te doen aan haar aandeelhouders van € 2,85 per aandeel (zonder rente) (hierna: het correctiemechanisme).

2.3. Op 31 augustus 2000 vond de overdracht plaats. Daags na de overdracht is de vordering tot betaling van de koopprijs omgezet in een lening aan Invensys. Deze lening is per 1 april 2002 renteloos gemaakt.

2.4. Op 27 november 2001 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan besloten tot liquidatie van Baan, met benoeming van Invensys Administratie tot vereffenaar.

2.5. Op 17 juni 2002 heeft Invensys Holdings een persbericht uitgegeven, waarin werd medegedeeld dat aandeelhouders Baan hun aandelen alsnog aan Invensys Holdings konden verkopen voor € 2,85. Het persbericht vermeldde onder meer het volgende:

“Verschillende factoren buiten de invloedsfeer van Invensys vertragen het tijdstip van betaling van de beoogde uitkering aan aandeelhouders. De oorzaak daarvan is onder andere gelegen in het feit dat de Vennootschap als één van de gedaagde partijen betrokken is in een aantal gerechtelijke procedures in de Verenigde Staten en in Nederland. In het kader van de vereffening dienen eerst alle crediteuren te worden voldaan en komen aandeelhouders pas aan bod, indien na voldoening van de crediteuren een batig saldo resteert. Daarvan zal bij de vereffening van de Vennootschap inderdaad sprake zijn. Immers, Invensys dient de koopsom voor de activa en passiva zodanig aan te passen dat te zijner tijd per aandeel een liquidatie uitkering beschikbaar is van € 2,85. Die liquidatie uitkering kan echter pas worden uitbetaald, nadat de gerechtelijke procedures zijn afgerond. Dat kan nog aanzienlijke tijd duren. De procedures zijn niet van invloed op de liquidatie uitkering, noch op de hoogte van het exit-bod en/of de waarde van het aandeel Baan. Als gevolg van de wijzigingsformule die op de koopsom van toepassing is, zal het eigen vermogen per aandeel in de Vennootschap steeds

€ 2,85 blijven bedragen.”

2.6. Het zogenaamde exit-bod liep aanvankelijk tot 19 juli 2002 en na verlenging uiteindelijk tot 16 augustus 2002. Na sluiting van deze termijn hield Invensys Holdings 91,7% van de aandelen Baan.

2.7. De laatste gerechtelijke procedure tegen Baan eindigde in oktober 2007. Op 23 oktober 2009 heeft Invensys Administratie een plan van verdeling, een verslag van de vereffenaar en een liquidatiebalans bij het Handelsregister gedeponeerd. In oktober 2010, lopende een verzetprocedure ter zake van het plan van verdeling, is een tussentijdse liquidatie-uitkering gedaan van € 2,50 per aandeel. Nadat de verzetprocedure zonder succes was geëindigd bij de Hoge Raad, is op 12 augustus 2011 een slotuitkering gedaan van € 0,35 per aandeel.

3. Het geschil

3.1. Na wijziging eis ter comparitie vorderen Value8 c.s. , samengevat,:

- primair: verklaring voor recht dat Invensys, door met Baan een renteloze lening overeen te komen, ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Value8 c.s., en veroordeling van Invensys tot het betalen aan Value8 c.s. van schadevergoeding, op te maken bij staat;

- subsidiair: verklaring voor recht dat Baan en Invensys c.s., door een renteloze lening tussen Baan en Invensys overeen te (doen) komen, onrechtmatig jegens Value8 c.s. hebben gehandeld, en veroordeling van Baan en Invensys c.s. tot het betalen aan Value8 c.s. van schadevergoeding, op te maken bij staat.

3.2. Value8 c.s. leggen aan deze vorderingen vooraleerst ten grondslag dat zij aandeelhouders zijn, althans waren, van Baan, en dat zij ten gevolge van de renteloze lening een rentevergoeding over hun aandeel in de beschikbare liquidatieuitkering zijn mislopen. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen hebben Value8 c.s. aanvullend nog aangevoerd dat het aangaan van de renteloze lening tussen Baan en Invensys (of het renteloos maken van de lening) in strijd was en is met artikel 2:92 BW (gelijke behandeling van aandeelhouders door de vennootschap).

3.3. Invensys c.s. voeren verweer.

3.4. Partijen hebben gekozen voor toepassing van Nederlands recht op de door Value8 c.s. ingestelde vorderingen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De na comparitie aan de rechtbank toegezonden brieven

4.1. In hun hiervoor in 1.1 vermelde brieven hebben partijen opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal en aanvullende mededelingen gedaan. Deze opmerkingen en mededelingen zijn niet van invloed op de beslissingen die in dit vonnis worden genomen.

Toepasselijk recht

4.2. Gegeven de door partijen gedane rechtskeuze (hiervoor, 3.4) is Nederlands recht van toepassing op het gevorderde.

Baan

4.3. De rechtbank ziet aanleiding om eerst de vorderingen tegen Baan te beoordelen. Uit hetgeen Value8 c.s. in deze procedure naar voren hebben gebracht, kan niet worden afgeleid dat Baan nog bestaat, of op het moment dat vonnis werd gevraagd, nog bestond. Value8 c.s. onderkennen dat Baan na de slotuitkering van 12 augustus 2011 geen baten meer had, maar zij stellen dat Baan niettemin is blijven bestaan omdat nog geen rekening en verantwoording is afgelegd.

4.4. Voor zover Value8 c.s. met dit laatste doelen op de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording in de zin van artikel 2:23b lid 2 en 4 BW, miskennen zij dat de door Invensys Administratie op 23 oktober 2009 gedeponeerde liquidatiebalans en het daarbij behorende verslag (zie rechtsoverweging 2.7.) als rekening en verantwoording kwalificeren. Voor zover zij beogen te stellen dat deze rekening en verantwoording niet aan de wettelijke vereisten voldeden, geldt dat deze stelling niet en daarmee onvoldoende is onderbouwd. Daarbij komt dat een eventueel gebrekkige rekening en verantwoording in de zin van artikel 2:23b lid 2 en 4 BW niet verhindert dat de vereffening – conform het plan van verdeling – wordt voltooid, en daarmee de rechtspersoon ophoudt te bestaan (artikel 2:19 lid 6 BW).

4.5. Voor zover Value8 c.s. doelen op rekening en verantwoording in de zin van artikel 2:23b lid 10 BW (daargelaten of die verplichting in het onderhavige geval bestond of bestaat), miskennen zij dat het afleggen daarvan niet constitutief is voor het ophouden te bestaan van de rechtspersoon. In tegendeel: op het moment dat geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn, eindigt de vereffening (artikel 2:23b lid 9 BW) en daarmee de rechtspersoon (artikel 2:19 lid 6 BW). Pas daarna ontstaat eventueel op voet van artikel 2:23b lid 10 BW de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de voorheen bij de vereffening betrokken rechter.

4.6. In het onderhavige geval staat vast dat de slotuitdeling is gedaan op 12 augustus 2011, terwijl op diezelfde dag ook de dagvaarding in de onderhavige procedure aan Baan is uitgebracht, althans door de deurwaarder bij het laatste kantooradres van Baan is aangeboden, en aldaar in ontvangst is genomen. Er zijn geen feiten gesteld waaruit blijkt dat de dagvaarding pas werd betekend toen de slotuitkering al was voltooid (en Baan dus was opgehouden te bestaan), zodat de dagvaarding als geldig moet worden aangemerkt. Mr. Josephus Jitta heeft zich in deze procedure ter comparitie van partijen slechts (alsnog) als advocaat voor Baan gesteld voor het geval dat geoordeeld mocht worden dat Baan nog bestaat. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, zodat het verstek van Baan niet als gezuiverd geldt. Om diezelfde reden – niet meer bestaan van Baan – zijn Value8 c.s. niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen Baan.

Invensys c.s.

4.7. Tegenover het verweer van Invensys c.s. dat het renteloos maken van de lening geen gevolg heeft gehad voor de aandeelhouders van Baan (en dus ook uiteindelijk Value8 c.s.) omdat het correctiemechanisme uit de koopovereenkomst toch verhinderde dat uiteindelijk meer dan € 2,85 per aandeel (zonder rente) zou worden uitgekeerd, stellen Value8 c.s. dat het correctiemechanisme in redelijkheid niet geacht kan worden tot het moment van slotuitkering nog onverkort te hebben gegolden, nu dat correctiemechanisme was overeengekomen op basis van de in de koopovereenkomst expliciet benoemde veronderstelling dat de liquidatie van Baan binnen een jaar na koop zou worden voltooid, welke veronderstelling bij lange na niet bewaarheid is geworden. Bedoeld verweer van Invensys c.s. kan onbesproken blijven, omdat de vorderingen reeds om andere redenen niet kunnen worden toegewezen.

4.8. De vorderingen tegen Invensys c.s., voor zover gegrond op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad, stuiten ten minste af op het verweer van Invensys c.s. dat Value8 c.s. niet gerechtigd zijn tot de gestelde vorderingsrechten. Als onweersproken staat vast dat Value8 c.s. ten tijde van de verweten gedraging nog geen aandeelhouders waren van Baan, terwijl zij evenmin de vorderingsrechten waarvan zij stellen dat die voor de toenmalige aandeelhouders uit de verweten gedragingen voortvloeiden, op enig moment overgedragen hebben gekregen. Value8 c.s. stellen daartegenover dat de betreffende vorderingsrechten aan de aandelen verbonden waren en zijn, en daarmee dus ook met de aandelen aan hen zijn overgedragen. Deze opvatting vindt evenwel geen steun in het recht – daargelaten nog de vraag of deze opvatting, gegeven de hiervoor gedane vaststelling dat Baan en dus ook de aandelen Baan niet meer bestaan, in het onderhavige geval niet zou noodzaken tot de conclusie dat ook de bedoelde vorderingsrechten zijn opgehouden te bestaan.

4.9. Voor zover al het voorgaande niet tevens geldt voor zover de vorderingen zijn gestoeld op artikel 2:92 BW, geldt dat deze bepaling de aandeelhouders slechts aanspraken geeft jegens de betreffende vennootschap. In het onderhavige geval is dat Baan, maar zoals hiervoor (4.6) overwogen zijn de vorderingen tegen haar juist niet meer geldend te maken. Daarbij komt dat volgens de stellingen van Value8 c.s., de verweten gedragingen in eerste instantie niet zozeer een ongelijke behandeling van aandeelhouders meebrachten, alswel een bevoordeling van Invensys, die echter niet aandeelhouder was van Baan. Value8 c.s. stellen weliswaar daartegenover dat Invensys met Invensys Holdings moet worden vereenzelvigd, maar met de enkele genoemde omstandigheden dat Invensys Holdings dochtermaatschappij is van Invensys, dat zij op hetzelfde adres gevestigd zijn en dat op grond van de koopovereenkomst Invensys naast Invensys Holdings jegens Baan aansprakelijk was voor betaling van de koopprijs, hebben Value8 c.s. die stelling onvoldoende onderbouwd.

Proceskosten

4.10. Value8 c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.11. De kosten aan de zijde van Invensys c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 3.529,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 9.951,00

4.12. De kosten aan de zijde van de niet verschenen gedaagde Baan worden begroot op

nihil.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Value8 c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Invensys c.s. tot op heden begroot op € 9.951,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 april 2012 tot de dag van volledige betaling, en aan de zijde van Baan tot op heden begroot op nihil,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. L.A.C. de Vaan en mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.