Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1748

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
295684 - HA ZA 10-2327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 295684 / HA ZA 10-2327

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

de vennootschap naar Chileens recht

CHILEAN LUMBER COMPANY S.A.,

gevestigd te San Bernardo, Chili,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje,

tegen

de vennootschap naar Engels recht

ARKANS LIMITED,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. M.H.G. Plieger.

Partijen zullen hierna CLC en Arkans genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 juni 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2011

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende akte overlegging producties en akte vermindering eis.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds 2006 exporteerde CLC hout naar Nederland in samenwerking met en door tussenkomst van Arkans. CLC kocht het hout bij derden in en leverde het aan Arkans. Arkans verkocht het hout door aan derden. Directeur van CLC is de heer [directeur CLC] (hierna: [directeur CLC]). Enig bestuurder en aandeelhouder van Arkans is de heer [bestuurder Arkans] (hierna: [bestuurder Arkans]).

2.2. De houtaankopen door CLC werden in rekening-courant met Arkans geboekt. Volgens de jaarrekening van Arkans over 2008 bedroeg de rekening-courantvordering van CLC op Arkans ultimo 2008 een bedrag van € 266.306,--.

2.3. In 2009 (en deels in 2010) hebben [directeur CLC] en de heer [A] (hierna: [A]) werkzaamheden (voor Arkans) verricht teneinde de verkoop van hout in Nederland te stimuleren.

2.4. In 2006 heeft Arkans een ondernemersrekening bij ABN Amro Bank N.V. geopend. Hierop werden de gelden van afnemers van Arkans ontvangen. Hoewel de ondernemersrekening geen gezamenlijke rekening van Arkans en CLC was, hebben partijen wel afgesproken dat [bestuurder Arkans] namens Arkans alleen betalingsopdrachten aan de bank mocht geven met toestemming van [directeur CLC].

2.5. Omstreeks juli of augustus 2010 heeft [bestuurder Arkans] [directeur CLC] toestemming gevraagd om van de ondernemersrekening van Arkans een bedrag van € 35.000,-- over te boeken naar CLC en € 15.000,-- naar [bestuurder Arkans]. [directeur CLC] heeft deze toestemming geweigerd. Daarop heeft [bestuurder Arkans] (zonder toestemming) de bank op 25 augustus 2010, toen het saldo op de ondernemersrekening circa € 58.000,-- bedroeg, opdracht gegeven om een bedrag van ruim € 48.000,-- naar zijn privérekening te laten overboeken. Kort daarna heeft [bestuurder Arkans] bijna € 5.000,--, eveneens zonder autorisatie van [directeur CLC], van de ondernemersrekening afgehaald.

2.6. Op 24 september 2010 heeft CLC Arkans laten weten haar rekening-courant met Arkans op te zeggen en heeft Arkans verzocht het uit hoofde daarvan verschuldigde bedrag van € 390.960,65 (met rente en kosten) uiterlijk op 27 september 2010 aan CLC te betalen. Bij brief van 30 september 2010 heeft CLC Arkans tot 8 oktober 2010 de tijd gegeven om voor betaling van voornoemd bedrag zorg te dragen. Arkans heeft hier geen gehoor aan gegeven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. CLC vordert, na eiswijziging, samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Arkans te veroordelen tot betaling van:

1. een bedrag van € 324.765,-- aan hoofdsom;

2. een bedrag van € 4.000,-- aan buitengerechtelijke kosten;

3. een bedrag van € 14.415,-- aan contractuele rente over 2009;

4. een bedrag van € 11.908,-- aan contractuele rente van 1 januari 2010

tot 15 oktober 2010;

5. de wettelijke handelsrente over het onder 1 tot en met 4 gevorderde vanaf

15 oktober 2010;

6. de kosten van het geding, inclusief beslagkosten, en de nakosten,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.2. CLC legt aan haar vordering tot betaling van de hoofdsom, samengevat, het volgende ten grondslag. Tussen CLC en Arkans bestond een samenwerkingsverband waarbinnen CLC houten vloerdelen aan Arkans leverde en (voor)financierde. CLC kocht het hout bij derden in en betaalde deze (doorgaans) ook. De door CLC (voor)gefinancierde aankopen werden in de rekening-courant met Arkans geboekt. CLC heeft op 24 september 2010 de rekening-courantverhouding met Arkans opgezegd en het uit hoofde daarvan door Arkans verschuldigde bedrag opgeëist. Arkans weigert nakoming daarvan.

in reconventie

3.3. Arkans vordert samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. alle door CLC ten laste van Arkans gelegde conservatoire beslagen op te

heffen en CLC te veroordelen om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, aan (bepaalde) derden schriftelijk te bevestigen dat de beslagen zijn opgeheven;

2. CLC te verbieden opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van Arkans, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. CLC te veroordelen tot betaling van de door Arkans geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

4. de kosten van het geding, inclusief nakosten.

3.4. Arkans legt aan haar vordering tot opheffing van de gelegde beslagen onder meer ten grondslag dat indien de vorderingen van CLC worden afgewezen, er geen reden is de beslagleggingen in stand te laten terwijl Arkans financieel belang bij opheffing heeft, onder meer ten behoeve van haar verdediging, mocht CLC in hoger beroep gaan van een afwijzend vonnis. Aan de gevorderde schade legt Arkans ten grondslag dat CLC is tekort geschoten in haar verplichting om hout aan Arkans te leveren.

in conventie en in reconventie

3.5. Partijen hebben over en weer gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de ander. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Zoals de rechtbank reeds bij incidenteel vonnis van 2 maart 2011, gewezen tussen CLC en Arkans, heeft beslist, is op de rechtsverhouding tussen partijen Nederlands recht van toepassing.

4.2. Arkans heeft zich primair tegen de vordering van CLC verweerd met de stelling dat van een rekening-courant verhouding tussen CLC en Arkans geen sprake is. Zij stelt dat haar relatie met CLC (overwegend) rechtspersonenrechtelijk van aard is. CLC zou geen vordering op Arkans hebben nu CLC als (feitelijk) aandeelhouder de verplichting had om hout ter beschikking te stellen aan Arkans waar als tegenprestatie slechts een winstaandeel tegenover stond. Volgens Arkans moeten de houtleveranties als inbreng, althans als achtergesteld (risicodragend) kapitaal worden beschouwd.

4.3. Dit verweer faalt. Vast staat dat CLC geen aandeelhouder van Arkans is. Zelfs al zou dat anders zijn, dan is dit op zichzelf onvoldoende om de houtleveranties als inbreng of (achtergesteld) kapitaal te beschouwen of om vorderingen uit hoofde daarvan een achtergesteld karakter te geven. Daarnaast heeft Arkans ter comparitie van partijen de rekening-courantverhouding met CLC erkend. Zo heeft Arkans ter comparitie bevestigd dat het hout dat CLC binnen het samenwerkingsverband tussen partijen aan Arkans leverde, doorgaans door CLC werd betaald en vervolgens in rekening-courant met Arkans werd geboekt. Daarnaast stelde CLC ook gelden beschikbaar aan Arkans ten behoeve van de financiering van haar bedrijfsuitoefening. Betalingen die Arkans bij verkoop van het door CLC geleverde hout van haar afnemers ontving, strekten vervolgens (deels) in mindering op de rekening-courantschuld aan CLC. Bovendien heeft Arkans ter comparitie verklaard dat de jaarrekening 2008, waarin een rekening-courantpost tussen Arkans en CLC is verwerkt, door haar is goedgekeurd. Met het voorgaande kan Arkans geacht worden de rekening-courantverhouding, en daarmee vorderingen uit hoofde daarvan, te hebben erkend en kan zij daarop niet meer terugkomen. De overige door Arkans in dit licht aangevoerde, maar door CLC gemotiveerd betwiste stellingen kunnen dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

4.4. Arkans heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat CLC geen opeisbare vordering op haar heeft nu CLC niet bevoegd was de rekening-courantverhouding met Arkans op te zeggen, althans niet op de korte (opzeg)termijn van acht dagen. Volgens Arkans vloeide uit de overeenkomst tussen partijen geen opzeggingsbevoegdheid voort. Partijen beoogden voor onbepaalde tijd samen te werken en CLC was verplicht Arkans te blijven financieren zolang de samenwerking voortduurde. De opzegging is volgens Arkans in strijd met de omstandigheden van het geval nu deze inhield dat de houtleveranties door CLC werden gestaakt, hetgeen het einde van de bedrijfsactiviteiten van Arkans betekende en tot schade voor Arkans en haar crediteuren heeft geleid.

4.5. Ook dit verweer faalt. Het enkele feit dat partijen in hun onderlinge rechtsverhouding niets over een opzegging hebben afgesproken, brengt niet met zich dat CLC niet bevoegd zou zijn de rekening-courantverhouding op te zeggen of het uit hoofde daarvan verschuldigde op te eisen. Uitgangspunt is dat financieringen in rekening-courant, waarbij geen afspraken zijn gemaakt over de duur ervan, opzegbaar zijn mits daarbij, gelet op de omstandigheden van het geval, een redelijke termijn in acht wordt genomen. De bezwaren van Arkans tegen de gehanteerde opzegtermijn zien echter niet zozeer op de opzegging van de rekening-courant maar zijn juist gericht tegen de beëindiging van de samenwerking en daarmee het staken van de houtleveranties. Naar het oordeel van de rechtbank kon evenwel, in het licht van de omstandigheden van het geval en gelet op de wederzijdse belangen, in redelijkheid niet van CLC worden verlangd de samenwerking met en daarmee de houtleveranties aan Arkans nog langer voort te zetten toen bekend was geworden dat de enig bestuurder en aandeelhouder van Arkans, [bestuurder Arkans], zonder de afgesproken autorisatie door [directeur CLC], eigenmachtig (nagenoeg) alle op de ondernemersrekening van Arkans staande gelden ten eigen bate aan Arkans had onttrokken. Immers, met een continuering van de houtleveranties zou de vordering van CLC op Arkans, die (zoals hierna zal blijken) op dat moment reeds substantieel was, alleen nog maar meer toenemen terwijl nakoming ervan door Arkans, uit de opbrengst van de verkoop van die houtleveranties, gelet op die geldonttrekkingen minst genomen twijfelachtig was. Op grond van het voorgaande was de door CLC gehanteerde termijn bij de opzegging van de rekening-courantverhouding, althans de opeising van het uit hoofde daarvan verschuldigde bedrag, eveneens gerechtvaardigd. Dit geldt temeer nu Arkans zelf heeft gesteld dat CLC verplicht was Arkans te financieren zolang de samenwerking voortduurde.

4.6. Arkans heeft voorts de door CLC gestelde omvang van de rekening-courantvordering betwist. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Nu vast staat dat Arkans de jaarrekening over 2008 heeft goedgekeurd, moet in beginsel worden aangenomen dat de vordering in rekening-courant van CLC op Arkans per ultimo 2008 het in de jaarrekening 2008 genoemde bedrag van € 266.306,-- bedroeg. Arkans heeft echter gemotiveerd gesteld dat dit bedrag met € 129.256,27 naar beneden moet worden bijgesteld. Daartoe voert zij aan dat in de rekening-courantpost ten onrechte een factuur voor een partij hout is verdisconteerd die in 2009 aan de leverancier is geretourneerd en door deze is gecrediteerd. Het betreft een factuur van 22 december 2008 (door Arkans als productie D bij conclusie van antwoord in conventie overgelegd). De creditering zou ten onrechte niet in de jaarrekening 2008 zijn verwerkt, aldus Arkans. CLC heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat de betreffende partij hout is geretourneerd en door de leverancier is gecrediteerd. Volgens haar dient dit echter niet tot een correctie van de rekening-courantschuld per ultimo 2008 te leiden nu de factuur van 22 december 2008 daarin nooit is verwerkt. Facturen worden namelijk pas in rekening-courant geboekt als de leveranties hebben plaatsgevonden, hetgeen voor deze partij hout pas 29 januari 2009 het geval was. Nu de leverancier de factuur vervolgens heeft gecrediteerd, is die verder ook niet verwerkt in de rekening-courantvordering van CLC op Arkans, aldus CLC. Omdat CLC dit verweer eerst ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft gevoerd en Arkans (derhalve) geen gelegenheid heeft gehad haar betwisting van die stellingname nader te onderbouwen, stelt de rechtbank Arkans daartoe alsnog in de gelegenheid. De rechtbank laat Arkans in dit verband toe stukken, waaronder kopieën uit de grootboekrekening over 2008, te overleggen ter onderbouwing van haar stelling dat voornoemde factuur van 22 december 2008 in de rekening-courant met CLC is verwerkt.

4.7. Ter onderbouwing van de hoogte van haar rekening-courantvordering op Arkans heeft CLC voorts een overzicht overgelegd van 15 oktober 2010 dat zij aanduidt met Fecha de Contabilización (hierna: “Fecha”). Het betreft een intern stuk van CLC dat, volgens CLC, (onder meer) een opgave bevat van kosten die in 2009 en 2010 door CLC zijn gemaakt ten behoeve van Arkans en in de rekening-courant met Arkans moeten worden verwerkt. De kosten zien vooral op salaris en reis- en verblijfkosten van [A]. Arkans heeft ter comparitie van partijen erkend dat [A] in 2009 en deels in 2010 werkzaamheden voor Arkans heeft verricht. Zij betwist echter dat de in de Fecha opgevoerde kosten daarvan voor haar rekening komen. Verder betwist Arkans dat CLC alle door haar in de Fecha opgevoerde kosten aangaande [A] daadwerkelijk heeft gemaakt. Daarop heeft CLC haar stellingen niet, althans onvoldoende nader onderbouwd. Zo kan de rechtbank zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet uit de door CLC bij conclusie van antwoord in reconventie overgelegde producties afleiden op grond waarvan Arkans verplicht zou zijn de in rekening gebrachte kosten voor [A] te dragen. Bovendien laat CLC na duidelijk te maken waarom salariskosten over de periode maart 2010 tot en met augustus 2010 voor rekening van Arkans zouden moeten komen terwijl CLC ter comparitie heeft verklaard dat [A] slechts tussen februari 2009 en februari 2010 werkzaamheden voor Arkans heeft verricht. Zou [A] nadien nog diensten voor Arkans hebben verricht, dan is niet gesteld of gebleken waarom een volledige doorbelasting van zijn salaris aan Arkans gerechtvaardigd is. Ook blijkt uit de door CLC overgelegde producties niet dat CLC de in de Fecha opgevoerde kosten voor [A] daadwerkelijk heeft voldaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, mede in het licht van de onbetwist gebleven stelling dat ook [bestuurder Arkans] en [directeur CLC] van Arkans geen salaris ontvingen voor hun werkzaamheden, de door CLC opgevoerde kosten aangaande [A] bij de (verdere) beoordeling van de hoogte van de rekening-courantvordering buiten beschouwing laten.

4.8. De rechtbank laat eveneens buiten beschouwing de door CLC in de Fecha opgevoerde maar door Arkans betwiste post 50 (groot € 21.447,29), nu uit de door CLC overgelegde productie 25 niet kan worden afgeleid dat CLC dit bedrag ten behoeve van Arkans heeft betaald. Ten aanzien van de overige in de Fecha opgenomen rekening-courantposten overweegt de rechtbank dat Arkans deze niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Deze zullen daarom worden meegenomen bij de beoordeling van de hoogte van de rekening-courantschuld van Arkans aan CLC. Het betreft de posten 3

(€ 4.800,--), 4 (€ 585,60) en 42 (€ 16.092,26). Dit is in totaal een bedrag van € 21.477,86. Daarop strekken in mindering de posten 22 (€ 10.000,--), 27 (€ 15.000,--), 32 (€ 21.238,--), 56 (€ 30.000,--) en 57 (€ 10,--), tezamen een totaalbedrag van € 76.248,--. Het voorgaande leidt, onder voorbehoud van hetgeen hiervoor in 4.6. is overwogen, tot de (voorlopige) slotsom dat de rekening-courantschuld van Arkans per 15 oktober 2010

(€ 266.306,--, vermeerderd met € 21.477,86 en verminderd met € 76.248,-- =) € 211.535,86 bedraagt.

4.9. Arkans heeft nog een beroep op verrekening gedaan met haar vordering op CLC uit hoofde van geleden schade. Dit beroep wordt gepasseerd nu Arkans bij haar verrekeningsberoep nalaat duidelijk te maken waarop deze schade ziet en deze derhalve niet (op eenvoudige wijze) is vast te stellen. Voor zover Arkans hiermee de door haar in reconventie gevorderde schade beoogt aan te duiden, volgt uit het hierna in 4.13. overwogene, dat voor aansprakelijkheid van CLC voor die eventuele schade geen grond bestaat.

4.10. CLC heeft, na wijziging van eis, de contractuele rente over de (nog vast te stellen) hoofdsom gevorderd tot 15 oktober 2010 van 5%. Deze is voor toewijzing vatbaar nu Arkans de verschuldigdheid van contractuele rente en de hoogte van het door CLC gestelde rentepercentage niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist. De per 15 oktober 2010 gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW wordt afgewezen nu aan de voorwaarden daarvoor niet is voldaan. Als vaststaand heeft immers te gelden dat tussen CLC en Arkans een rekening-courantverhouding bestond. Daarbij vindt een automatische verrekening plaats van over en weer verschuldigde bedragen en is op ieder ogenblik slechts het actuele saldo verschuldigd. Van een afgesproken som voortvloeiend uit een handelsovereenkomst is derhalve geen sprake. Arkans is wel de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de nog nader vast te stellen hoofdsom verschuldigd per 15 oktober 2010, de datum waarop zij geacht kan worden met de betaling daarvan in verzuim te zijn.

4.11. De rechtbank houdt haar beslissing ten aanzien van de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring, buitengerechtelijke kosten, de beslag- en proceskosten alsmede de wettelijke rente daarover voorlopig aan totdat de hoogte van de hoofdsom is vastgesteld.

in reconventie

4.12. Uit het hiervoor in conventie overwogene volgt dat CLC een opeisbare vordering op Arkans heeft die voor toewijzing gereed ligt zodra de omvang, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.6. is overwogen, nader is vastgesteld. Nu daarmee de rechtsgrond voor het beslag in stand is gebleven, zullen de gevorderde opheffing en het gevorderde verbod worden afgewezen. Hetgeen Arkans overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

4.13. Arkans vordert voorts een veroordeling van CLC tot vergoeding van de schade die zij lijdt vanwege het staken van de houtleveranties. Ook deze vordering wordt afgewezen. Immers, zoals hiervoor in 4.5. is overwogen, kon de door Arkans gewenste voortzetting van houtleveranties op krediet in redelijkheid niet langer van CLC worden verlangd. Weliswaar heeft Arkans gesteld dat een opdrachtgever van Arkans bereid zou zijn geweest om een partij hout voor te financieren, maar tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door CLC heeft Arkans deze stelling onvoldoende nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Het voorgaande brengt tevens met zich dat CLC vanaf het moment van opzegging, althans opeising, niet in enige leveringsverplichting is tekortgeschoten. Voor de door Arkans gevorderde schade bestaat derhalve geen grond. De gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure zal daarom worden afgewezen.

4.14. Arkans zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CLC worden begroot op EUR 452,-- aan salaris advocaat en op nihil aan verschotten.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 2 mei 2012 voor het nemen van een akte door Arkans waarbij de in rechtsoverweging 4.6. bedoelde stukken, inclusief een toelichting, in het geding worden gebracht. CLC zal op de rolzitting van 30 mei 2012 bij akte mogen reageren,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

5.3. wijst de vorderingen af,

5.4. veroordeelt Arkans in de proceskosten, aan de zijde van CLC tot op heden begroot op € 452,-- aan salaris advocaat,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens, mr. L.A.C. de Vaan en mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.?