Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1734

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
769379 UC EXPL 11-12882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling van invaliditeitspensioen dat volgens SBB ten onrechte aan gedaagde is uitgekeerd.

Gezien de omstandigheden handelt SBB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar door gedaagde te houden aan zijn verplichting tot terugbetaling van het invaliditeitspensioen dat hem over de periode april 2002 tot en met oktober 2008 onverschuldigd is uitbetaald. Voor de kantonrechter weegt zwaar dat gedaagde na april 2002 er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor het invaliditeitspensioen en dat het voor hem, gelet op de toepasselijke CAO’s, allerminst duidelijk was dat hij geen recht op invaliditeitspensioen had. Het voortduren van dat vertrouwen kon hij bovendien gerechtvaardigd ontlenen aan de jaarlijkse opgave die hij van SBB ontving van het hem jaarlijks uitgekeerde invaliditeitspensioen. Bovendien is hij op basis van dat vertrouwen een langdurige hypothecaire verplichting aangegaan bij de vaststelling waarvan rekening gehouden is met het invaliditeitspensioen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 308
Burgerlijk Wetboek Boek 3 309
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 203
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/141
NJF 2012/244
PJ 2012/142
JAR 2012/141

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Kantonrechter

Locatie Utrecht

zaaknummer: 769379 UC EXPL 11-12882 HS

vonnis d.d. 4 april 2012

inzake

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen SBB,

eisende partij,

gemachtigde: Boeder Agin Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 14 september 2011.

Voorafgaand aan de comparitie van partijen heeft [gedaagde] bij brief van 15 november 2011 zijn standpunt nader uiteen gezet en stukken in het geding gebracht.

Op 8 december 2011 heeft de comparitie van partijen plaats gevonden.

Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Daarna heeft SBB een akte genomen en [gedaagde] een tweetal antwoordaktes.

Hierna is uitspraak bepaald op heden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1. SBB heeft gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling van EUR 19.030,62 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2011 en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:

- hoofdsom: 14.875,03

- incassokosten 2.655,19

- rente 1.500,40.

De hoofdsom heeft betrekking op het invaliditeitspensioen dat SBB vanaf december 2000 tot en met oktober 2008 aan [gedaagde] heeft voldaan. Het totale brutobedrag is over die periode EUR 22.760,52 en het nettobedrag is EUR 14.825,03. Bij brief van 27 november 2008 heeft het BPF Bouw (de pensioenuitvoerder) het bedrag gespecificeerd en [gedaagde] verzocht tot terugbetaling daarvan in maandelijkse termijnen van EUR 150,00.

2.2. [gedaagde] heeft de vordering inhoudelijk gemotiveerd betwist. Hij heeft gewezen op het feit dat hem bij brief van 12 december 2000 van SFB Pensioenen B.V., de instelling die destijds met de uitvoering van het Invaliditeitspensioen is belast en de rechtsvoorganger van SBB, is medegedeeld dat aan hem een ingevolge het reglement Invaliditeitspensioen een invaliditeitspensioen is toegekend. Hij heeft (onder meer) een beroep op verjaring gedaan.

Voor de beoordeling van het beroep op verjaring is artikel 3:309 BW van belang. Daarin is bepaald dat een vordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van 5 jaar na de aanvang van de dag waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden.

Ten aanzien van de aanvang van de verjaringstermijn van 5 jaar stelt SBB dat zij in november 2008 met het bestaan van haar vordering bekend is geworden en vervolgens

27 november 2008 [gedaagde] schriftelijk heeft verzocht tot terugbetaling van EUR 14.825,03.

2.3. [gedaagde] heeft niet betwist dat SBB pas in november 2008 er achter kwam dat zij naar haar mening ten onrechte invaliditeitspensioen heeft uitgekeerd. Maar hij heeft wel gewezen op het feit dat hij jaarlijks van SBB een fiscale jaaropgave ontving van het uitgekeerde invaliditeitspensioen en verondersteld mag worden dat de verschuldigdheid van het invaliditeitspensioen in dat kader door SBB gecontroleerd werd. Tevens heeft hij er op gewezen dat hij bij brief van 8 april 2002 van SFB op de hoogte gesteld is van het feit dat hij over de periode vanaf december 2000 tot en met maart 2002 ten onrechte invaliditeitspensioen ontvangen heeft en dat hij bij brief van 10 april 2002 door SFB verzocht is tot terugbetaling van EUR 1.880,62.

[gedaagde] heeft bij antwoord gesteld dat hij naar aanleiding van het verzoek van 10 april 2002 contact heeft opgenomen met de heer [A] van het SFB die hem telefonisch meedeelde dat de brief op een vergissing beruste en terugbetaling niet meer aan de orde is. Van die mededeling van [A] heeft [gedaagde] een aantekening op de brief van 10 april 2002 van SFB gemaakt.

SFB heeft deze feitelijke stellingen van [gedaagde] niet betwist.

2.4. Uit deze stellingen volgt dat SFB reeds op 8 april 2002 er van op de hoogte was ten onrechte aan [gedaagde] invaliditeitspensioen werd uitgekeerd. Deze wetenschap van SFB is tevens toe te rekenen aan SBB die SFB later als uitvoerder van het invaliditeitspensioen is opgevolgd.

Dit betekent in ieder geval dat op 8 april 2007 de vordering uit onverschuldigde betaling van het invaliditeitspensioen over de periode december 2000 tot maart 2002 is verjaard.

2.5. Uitgaande van het door [gedaagde] niet betwiste feit dat SBB, althans Cordares die voor SBB de administratie verzorgde, in november 2008 tot de ontdekking kwam dat aan [gedaagde] vanaf december 2000 ten onrechte invaliditeitspensioen is uitgekeerd, is de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van het invaliditeitspensioen over de periode april 2002 tot en met oktober 2008 in november 2008 gaan lopen. Dit heeft tot gevolg dat de vordering niet is verjaard gelet op de daarna door SBB gestuurde betalingsverzoeken en de voor SBB verrichte incasso-activiteiten.

2.6. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft zich te beroepen op de regeling van verjaring van periodieke vorderingen als bedoeld in artikel 3:308 BW gaat dat beroep niet op.

Het feit dat het invaliditeitspensioen periodiek, te weten per maand, is uitbetaald, en mitsdien kan worden aangemerkt als een periodieke vordering, betekent niet dat ook de vordering uit onverschuldigde betaling vanwege het ontbreken van een invaliditeitspensioenregeling, als een periodieke vordering aangemerkt dient te worden. Elke mogelijk onverschuldigd gedane betaling van invaliditeitspensioen staat wat betreft de toepasselijkheid van artikel 3:309 BW op zich zelf. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op artikel 3:308 BW niet op gaat.

2.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of het invaliditeitspensioen onverschuldigd aan [gedaagde] betaald is.

SBB heeft de onverschuldigdheid van de betaling als volgt onderbouwd. Zij stelt dat op de arbeidsverhouding van [gedaagde] destijds de CAO UTA-personeel Bouwbedrijven van toepassing was omdat [gedaagde] werkzaam was als uitvoerder.

In artikel 18 a van de CAO-UTA is bepaald dat de werkgever ten behoeve van de werknemers die op of na 25 januari 1994 een recht verwerft op een WAO-uitkering, een aanvullende verzekering afsluit. In de CAO-UTA is niet bepaald dat de in artikel 18a CAO-UTA genoemde werknemers recht hebben op een invaliditeitspensioen.

Dat recht is wel geregeld in artikel 31c lid 1 CAO Bouwbedrijf. Maar volgens SBB gold die CAO niet voor [gedaagde] vanwege zijn functie. Evenmin volgt de toepasselijkheid van het invaliditeitspensioen uit de verplichtstellingsbeschikking.

Dat artikel 31c lid 1 CAO Bouwbedrijf niet voor [gedaagde] gold, blijkt ook uit het feit dat de werkgever wel een aanvullende verzekering zoals in artikel 18 a lid 1 CAO-UTA heeft afgesloten ten behoeve van [gedaagde], maar ten behoeve van [gedaagde] geen premie heeft ingehouden of betaald voor het invaliditeitspensioen als bedoeld in artikel 31c lid 1 CAO Bouwbedrijf.

2.8. [gedaagde] heeft gesteld dat hij op het moment van indiensttreding onder de CAO Bouwbedrijf (1997) viel en dat hij op die grond wel aanspraak kon maken op een invaliditeitspensioen. [gedaagde] heeft deze stelling niet nader onderbouwd. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij onder de UTA-CAO viel. Uit de CAO’s die destijds bij indiensttreding golden heeft de kantonrechter niet kunnen opmaken dat voor [gedaagde], die als uitvoerder onder de CAO-UTA viel, een regeling inzake invaliditeitspensioen gold. [gedaagde] kan niet in zijn stelling worden gevolgd dat voor de werknemers die onder de UTA-CAO vielen ook de CAO Bouwbedrijf gold. Bovendien heeft [gedaagde] ook geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat premie voor het invaliditeitspensioen op zijn loon is ingehouden.

Dit betekent dat [gedaagde] niet als deelnemer aangemerkt kan worden van het invaliditeitspensioen. Het invaliditeitspensioen is dus onverschuldigd aan hem uit betaald.

2.9. Vervolgens is de vraag aan de orde of SBB gerechtigd is om het bedrag dat zij onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald, kan terug vorderen.

Voor de beantwoording van deze vraag is in de eerste plaats de rechtsverhouding tussen SBB en [gedaagde] van belang. Die rechtsverhouding vloeit voort uit de op de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] van toepassing zijnde CAO die met zich brengt dat SBB verantwoordelijk is voor de uitvoering van de voor [gedaagde] geldende pensioenregelingen, waaronder bijvoorbeeld het ouderdomspensioen. Die rechtsverhouding wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De gelding van de redelijkheid en billijkheid strekt zich ook uit over het invaliditeitspensioen dat SBB aan [gedaagde] heeft betaald hoewel het invaliditeitspensioen niet een van de voor [gedaagde] geldende pensioenregelingen was.

2.10. Voor de beoordeling of de volledige terugvordering van SBB de toets der redelijkheid en billijkheid kan doorstaan is een aantal gezichtspunten van belang:

- SBB is verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de voor [gedaagde] geldende pensioenregelingen;

- Deze verantwoordelijkheid van SBB brengt met zich dat zij gehouden is om zorgvuldig te beoordelen of [gedaagde] voor een invaliditeitspensioen in aanmerking komt alvorens, zelfstandig en zonder een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde], tot betaling daarvan over te gaan;

- De van SBB te verlangen zorgvuldigheid wordt mede bepaald door de aard van de regeling waarvan haar de uitvoering is toevertrouwd in welk kader van belang is dat het hier gaat om een Collectieve Arbeidsovereenkomst op de inhoud en toepasselijkheid waarvan [gedaagde] geen invloed heeft gehad en waarvan de inhoud bovendien op het punt van de toepasselijkheid van het invaliditeitspensioen lastig te doorgronden is;

- SBB in strijd met de door haar te betrachten zorgvuldigheid [gedaagde] gedurende 8 jaar gerechtigd beschouwde tot betaling van invaliditeitspensioen terwijl zij reeds in 2002 tot de conclusie was gekomen dat [gedaagde] niet voor een invaliditeitspensioen in aanmerking kwam, welke conclusie zij snel daarna weer introk met de mededeling aan [gedaagde] dat er van een vergissing sprake was;

- [gedaagde] van de betaling van het invaliditeitspensioen geen enkel verwijt gemaakt kan worden, integendeel, hij mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij gerechtigd was tot het invaliditeitspensioen zeker nadat SBB hem in april 2002 telefonisch meedeelde dat de terugvordering van het invaliditeitspensioen op een vergissing berustte;

- Het was voor [gedaagde] niet op een eenvoudige wijze vast te stellen dat hij niet voor een invaliditeitspensioen in aanmerking kwam;

- [gedaagde] in 2000 bij het afsluiten van zijn hypotheek, en dus het aangaan van zijn woonlasten, opgave heeft gedaan van en rekening heeft gehouden met het invaliditeitspensioen;

- [gedaagde] gelet op de door hem in het geding gebrachte gegevens slechts een zeer bescheiden inkomen geniet.

2.11. Onder deze omstandigheden handelt SBB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar door [gedaagde] te houden aan zijn verplichting tot terugbetaling van het invaliditeitspensioen dat hem over de periode april 2002 tot en met oktober 2008 onverschuldigd is uitbetaald. Voor de kantonrechter weegt zwaar dat [gedaagde] na april 2002 er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor het invaliditeitspensioen en dat het voor hem, gelet op de toepasselijke CAO’s, allerminst duidelijk was dat hij geen recht op invaliditeitspensioen had. Het voortduren van dat vertrouwen kon hij bovendien gerechtvaardigd ontlenen aan de jaarlijkse opgave die hij van SBB ontving van het hem jaarlijks uitgekeerde invaliditeitspensioen. Bovendien is hij op basis van dat vertrouwen een langdurige hypothecaire verplichting aangegaan bij de vaststelling waarvan rekening gehouden is met het invaliditeitspensioen.

2.12. Het feit dat SBB voorafgaand aan de procedure bereid is gebleken om met [gedaagde] een betalingsregeling te treffen van EUR 150,00 per maand doet aan dit oordeel niet af. Evenmin noopt de door SBB naar voren gebrachte solidariteitsgedachte tot een ander oordeel. Dit zou mogelijk anders zijn indien de personen die gerechtigd zijn tot een invaliditeitspensioen, schade lijden indien de onderhavige schuld niet wordt voldaan. Dat deze situatie zich voordoet is door SBB niet gesteld.

3. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt SBB tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.