Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1506

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
SBR 11/2413
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiser is disciplinair gestraft in verband met het vernietigen van de gehele voorraad vaccins. Er is sprake van plichtsverzuim. De straffen die zijn opgelegd zijn niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/2413

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. P. Bellod, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft verweerder eiser wegens plichtverzuim met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder k, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) disciplinair bestraft met de straf van schorsing zonder behoud van bezoldiging voor de duur van vijf dagen. Tevens heeft verweerder bij hetzelfde besluit eiser onder toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder h, van het ARAR de disciplinaire maatregel opgelegd van uitsluiting gedurende twee jaar van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximum salaris geldt. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is voor advies voorgelegd aan de VWS-commissie bezwaarschriften personeel Awb (hierna: de commissie). De commissie heeft eiser op 25 maart 2011 over zijn bezwaren gehoord. Op 7 juni 2011 heeft de commissie aan verweerder een advies uitgebracht.

Bij besluit van 4 juli 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Bellod voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door dr. ir. M.W. Weststrate, thans werkzaam als hoofd stafeenheid compliance bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM), en

mr. C.E. Wieringa-van Rees, werkzaam als senior adviseur rechtspositie bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is met ingang van 1 januari 2008 aangesteld als Coördinator Magazijn in tijdelijke dienst voor een proeftijd van twaalf maanden bij het Nederlands Vaccin Instituut (hierna: het NVI). Het NVI maakt onderdeel uit van het Ministerie van VWS. Eiser is met ingang van 1 januari 2009 in vaste dienst aangesteld.

2. Bij besluit van 24 februari 2009 is eiser wegens plichtsverzuim, bestaande uit het achteraf invullen van voorraadrapportages zonder dat de producten zijn geteld, bestraft met een schriftelijke berisping. Eiser is daarbij gewaarschuwd dat bij een volgend plichtsverzuim een zwaardere disciplinaire straf kan worden opgelegd.

3. In juni 2010 is vanuit het NVI aan verweerder toestemming gevraagd voor het vernietigen van de pandemie vaccins Pandemrix en Focetria. Op 17 juni 2010 heeft eiser een e-mail ontvangen van logistiek manager en zijn direct leidinggevende, [direct leidinggevende] (hierna: [direct leidinggevende]), met de tekst: “Toestemming om te vernietigen”. Als bijlage bij deze e-mail is een Excelbestand van 11 maart 2010 gevoegd met de gehele voorraad vaccins Pandemrix en Focetria, waarvan op dat moment van geen enkel vaccin de expiratiedatum was verlopen. Uit de door [direct leidinggevende] aan eiser doorgestuurde e-mailwisseling met [directeur Publieke gezondheid] (voormalig directeur directie Publieke gezondheid van VWS) inzake de aanvraag voor de vernietiging van de vaccins valt op te maken dat de toestemming om vaccins te vernietigen uitsluitend betrekking had op de vaccins waarvan de expiratiedatum was verlopen.

4. Naar aanleiding van voornoemde e-mail van [direct leidinggevende] heeft eiser de complete aanwezige voorraad vaccins Pandemrix en Focetria buiten de koeling gezet. Vervolgens heeft eiser het aanvraagformulier “ vernietigen FOR-20470” ingevuld en voorgelegd aan zijn leidinggevende ter ondertekening.

5. Op 24 juni 2010 is de aanvraag vernietiging FOR-20470 ondertekend door ad interim logistiek manager, [logistiek manager] (hierna: [logistiek manager]), die [direct leidinggevende] verving tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Omdat, naar het oordeel van [logistiek manager], de vaccins te lang in een ongekoelde ruimte hebben gestaan, waardoor de vaccins onbruikbaar waren geworden, heeft [logistiek manager] toestemming gegeven de hele voorraad vaccins te vernietigen.

6. Eiser is tijdens een gesprek op 28 juli 2010 met [logistiek manager] op zijn handelen aangesproken. Van dit gesprek is een verslag gemaakt.

7. Bij brief van 23 augustus 2010 heeft verweerder eiser op de hoogte gebracht van het voornemen om hem vanwege plichtsverzuim met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder h en k, van het ARAR een disciplinaire straf op te leggen, bestaande uit een schorsing zonder behoud van bezoldiging gedurende vijf dagen en het uitsluiten voor een periode van twee jaar voor indeling in een hogere salarisschaal. Volgens verweerder is voldoende komen vast te staan dat eiser alle vaccins buiten de koeling heeft geplaatst zonder de expiratiedata in acht te nemen en dat eiser de voor vernietiging van de vaccins geldende procedure niet heeft gevolgd. Bij brief van 1 september 2010 heeft eiser zijn bedenkingen tegen dit voornemen kenbaar gemaakt.

8. Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft verweerder conform het voornemen eiser disciplinair bestraft met een schorsing zonder behoud van bezoldiging gedurende vijf dagen en uitsluiting gedurende twee jaar van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximum salaris geldt.

9. Het door eiser tegen het besluit van 7 oktober 2010 gemaakt bezwaar is door verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie van 7 juni 2011, bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

10. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het ARAR is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, zijn de disciplinaire straffen, welke kunnen worden opgelegd:

(…);

h. uitsluiting voor de tijd van ten hoogste vier jaren van indeling in een salarisschaal waarvoor een hoger maximumsalaris geldt, indien zodanige indeling anders volgens de daarvoor geldende regeling zou hebben plaatsgevonden;

(…);

k. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging;

(…).

11. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. De bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, zal moeten vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit een tweetal vormen van plichtsverzuim ten grondslag heeft gelegd. Enerzijds dat eiser de gehele voorraad vaccins voor vernietiging in aanmerking heeft gebracht zonder zich te vergewissen van de precieze inhoud van de e-mail van 17 juni 2010, terwijl hij wist of behoorde te weten dat expiratiedatum van een groot deel van de vaccins nog niet was verstreken of binnen korte termijn zou verstrijken en eiser tevens wist dat plaatsing buiten de koeling tot onbruikbaarheid van de vaccins zou leiden. Anderzijds dat eiser heeft gehandeld in strijd met de voor vernietiging van vaccins geldende procedure.

Ten aanzien van het voor vernietiging in aanmerking brengen van de gehele voorraad vaccins.

13. Eiser voert aan dat er op verschillende niveaus niet juist is gehandeld, terwijl de schuld van de vernietiging van de gehele voorraad pandemische vaccins Pandemrix en Focetria uitsluitend bij hem wordt gelegd. Hij heeft slechts de instructie van zijn direct-leidinggevende [direct leidinggevende] opgevolgd. Deze instructie was onvoldoende duidelijk. [direct leidinggevende] heeft nagelaten eiser er op te wijzen dat slechts een gedeelte van de vaccins die op de bijgevoegde Excellijst stonden vermeld, mocht worden vernietigd. Gelet hierop is eiser van mening dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

14. De rechtbank overweegt dat het in beginsel op de weg van eiser had gelegen om niet alleen de opdracht van [direct leidinggevende] in de e-mail van 17 juni 2010 te lezen, maar ook de daaraan voorafgaande e-mailwisseling, waaruit afgeleid kon worden dat er slechts toestemming was verleend om de batches te vernietigen waarvan de expiratiedatum was verlopen. Echter gelet op de stellige opdracht van [direct leidinggevende] met de tekst “toestemming om te vernietigen” en het door haar bij deze e-mail gevoegde Excelbestand van de voorraad Pandemrix en Focetria met expiratiedata die allemaal in de toekomst waren gelegen, kan het eiser niet verweten worden dat hij dacht dat de gehele voorraad vaccins vernietigd zou moeten worden. Op basis van deze opdracht mocht eiser er vanuit gaan dat alle in het excelbestand genoemde vaccins, zonder enig voorbehoud, voor vernietiging in aanmerking kwamen.

15. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bovengenoemd handelen van eiser, dat grotendeels het gevolg is van de onduidelijke en onvolledige informatieverstrekking door [direct leidinggevende], geen plichtsverzuim oplevert in de zin van artikel 80, tweede lid, van her ARAR.

Ten aanzien van het handelen in strijd met de voor de vernietiging van vaccins geldende procedure.

16. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser heeft erkend dat hij, zonder voorafgaande toestemming van [logistiek manager], de gehele voorraad vaccins buiten de koeling heeft gezet. Verder stelt de rechtbank vast dat deze handelswijze van eiser niet in overeenstemming is met de geldende standaard operationele procedure (hierna: SOP). Blijkens de SOP-22265, die ziet op het vernietigen van grondstoffen, tussen- en eindproducten, had eiser na ontvangst van de e-mail van [direct leidinggevende] van 17 juni 2010 eerst de aanvraagformulieren “vernietigen FOR 204070” moeten invullen en moeten laten accorderen door de op die formulieren genoemde personen. Eerst na volledige ondertekening van deze formulieren had eiser enige actie ten aanzien van het uit de koeling zetten van de vaccins mogen ondernemen om vervolgens deze vaccins fysiek ter vernietiging aan te bieden aan het RIVM. Hoewel eiser, zoals ook blijkt uit zijn opleidingsdossier, bekend was met deze standaardprocedure, heeft eiser ervoor gekozen deze procedure niet na te leven, hetgeen door eiser ook niet is ontkend. Ter zitting heeft eiser als toelichting voor zijn handelwijze verklaard dat hij ervan overtuigd was dat hij op correcte wijze uitvoering gaf aan de opdracht van [direct leidinggevende]. De tevens door eiser ter zitting gegeven verklaring dat in twee van de tien gevallen de geldende standaardprocedure binnen het NVI niet wordt nageleefd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat eiser in dit geval niet volgens de standaardprocedure had behoren te handelen.

17. Ten aanzien van eisers betoog dat de schade voorkomen had kunnen worden als [logistiek manager] de aanvraagformulieren “vernietigen FOR-20470” volledig had laten accorderen door de overige op het formulieren genoemde personen, overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vaccins, gelet op de kwetsbaarheid van de gebruikte stoffen, maximaal 10 tot 15 minuten buiten de koeling houdbaar blijven. Nu de vaccins reeds door eiser buiten de koeling waren geplaatst voordat eiser de vereiste formulieren ter accordering aan [logistiek manager] had aangeboden en de vaccins, gelet op de informatie van verweerder, op het moment van aanbieding van de formulieren al niet meer bruikbaar waren, had de schade niet voorkomen worden door ingrijpen van de overige op de formulieren vermelde personen. Dit betoog van eiser faalt derhalve.

18. Gelet op deze gedragingen van eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er is sprake is van plichtsverzuim wegens het niet naleven van de geldende procedure voor het vernietigen van de vaccins. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan eiser dit plichtsverzuim niet ten volle kan worden toegerekend.

19. Ten aanzien van de opmerking van verweerder ter zitting dat eiser bewust naar [logistiek manager] is gegaan om de betreffende formulieren te laten accorderen, omdat [logistiek manager] nog niet op de hoogte was van de standaardprocedure met betrekking tot het vernietigen van de vaccins, merkt de rechtbank op dat daarvoor in de dossierstukken geen enkel aanknopingspunt is te vinden. Gelet op het feit dat [logistiek manager] op dat moment eisers direct-leidinggevende was, acht de rechtbank het logisch dat eiser de formulieren juist aan [logistiek manager] heeft aanboden. Bovendien had van [logistiek manager], in zijn functie als verantwoordelijke, ook al was hij nog maar kort bij verweerder in dienst, verwacht mogen worden dat hij, bij onbekendheid met de procedure, zelf navraag had gedaan over de te volgen procedure bij de andere personen die tot accordering bevoegd zijn. Verweerder is hier naar het oordeel van de rechtbank te gemakkelijk aan voorbij gegaan.

20. Nu er sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim, was verweerder bevoegd tot oplegging van een disciplinaire straf.

21. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechterlijke toetsing van een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf vervolgens is gericht op de vraag of de opgelegde straf niet onevenredig is aan het plichtsverzuim. In de beoordeling van de evenredigheid dienen niet alleen de belangen van de werkgever, maar tevens die van de ambtenaar te worden betrokken. Deze afweging wordt door de rechtbank marginaal getoetst evenals de evenredigheid tussen het vastgestelde plichtsverzuim en de opgelegde straf. Het is namelijk een discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan om al dan niet een straf op te leggen en te bepalen welke straf passend is.

22. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder opgelegde disciplinaire maatregelen, gelet op de kostbare voorraad vaccins die verloren is gegaan en het onomkeerbare gevolg van eisers handelen, in verhouding zijn met het door eiser gepleegde plichtsverzuim. Gelet op de relatief milde straffen die verweerder heeft opgelegd, waarvan alleen de straf van inhouding van bezoldiging gedurende vijf dagen voor eiser directe financiële gevolgen heeft, ziet de rechtbank, ondanks de rol van de leidinggevenden, geen aanleiding de strafmaat van eiser als onevenredig te kwalificeren. De rechtbank hecht er in dit kader wel aan op te merken dat niet goed valt te begrijpen dat verweerder alleen eiser verantwoordelijk heeft gehouden voor het verloren gaan van de gehele voorraad vaccins en dat (kennelijk) alleen eiser daarvoor disciplinair is gestraft, terwijl, zoals hierboven door de rechtbank is geconcludeerd, met name [direct leidinggevende] hierin ook een belangrijk aandeel heeft gehad.

23. Gelet op het bovenstaande leiden de door eiser aangevoerde gronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en mr. G.C. van Gelein Vitringa-Boudewijnse, leden, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2012.

griffier voorzitter

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.