Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1154

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
303345 - HA ZA 11-529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door het versturen van een factuur en, later, van twee brieven is de verjaring gestuit (r.o. 4.1-4.5).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Burgerlijk Wetboek Boek 3 318
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 82
Burgerlijk Wetboek Boek 6 83
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/110 met annotatie van H.J. Bos
JBO 2012/23 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 303345 / HA ZA 11-529

Vonnis van 21 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIGTEVECHT BEHEER B.V.,

gevestigd te Nigtevecht,

eiseres,

advocaat mr. drs. M.H.G. Plieger te Nieuwegein,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [vestigingsplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [vestigingsplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.L.A. Verleun te Mijdrecht.

Eiseres zal hierna Nigtevecht Beheer genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden]. genoemd worden en afzonderlijk [gedaagde 1] repectievelijk [gedaagde 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 maart 2011

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie van 15 augustus 2011

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Nigtevecht Beheer is gelieerd aan Betonfabriek Nigtevecht BV, die in Nigtevecht (aanvankelijk gemeente Nigtevecht, later gemeente Loenen en sinds 2011 gemeente Stichtse Vecht) een betonfabriek exploiteert (hierna: de betonfabriek). Directeur van Nigtevecht Beheer is de heer [X] (hierna: [X]).

2.2. [gedaagden]. exploiteert onder de naam Firma [gedaagde 1] een sloopbedrijf en ijzerhandel in [vestigingsplaats] aan de [adres].

2.3. Het terrein waarop de betonfabriek staat grenst gedeeltelijk aan het terrein van [gedaagden]. In 1999 grensden beide terreinen ook gedeeltelijk aan het perceel gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats], eigendom van [bedrijf 3], waarop een oliehandel werd gedreven (hierna: het perceel). Nadat [X] had vernomen dat de belastingdienst executoriaal beslag had gelegd op het perceel heeft hij het plan opgevat om het perceel te kopen teneinde het door de betonfabriek te laten gebruiken. [X], die bevriend was met [gedaagden]., wist dat [gedaagden]. voor uitbreiding van zijn bedrijf interesse had in een deel van het perceel en de daarop staande loods. In verband hiermee heeft [X] aan [gedaagden]. voorgesteld om het perceel gezamenlijk te kopen, waarbij 2/3 deel zou toekomen aan de betonfabriek en 1/3 deel aan [gedaagden]. [gedaagden]. heeft dit voorstel aanvaard.

2.4. In een brief van 16 september 1999 aan Ernst & Young Belastingadviseurs, heeft de heer [A] namens partijen een bod op het perceel uitgebracht. In de brief staat het volgende:

“[…] Betreft: bod op loods ter grootte van ca. 180 m2 met ondergrond en verdere aanhorigheden staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan de [adres] achter nr. 6 (kadastraal bekend gemeente Nigtevecht sectie A, nr. 1297, groot ca. 2.00 are ged.) en het bedrijventerrein met 3 tanks en verdere opstallen staande en gelegen te Nigtevecht aan de [adres] achter nr. 6 (kadastraal bekend sectie A, nr. 1297, groot 68.63 are […] en sectie N, nr. 889, groot 0.80 are).

In mijn hoedanigheid als adviseur van de heer [X], handelend namens Nigtevecht Beheer B.V. te Nigtevecht en de heer en mevrouw [gedaagde 1], handelend namens handelsbedrijf in Non-Ferro [gedaagde 1] te [vestigingsplaats] is mij verzocht het na langdurige onderhandelingen tot stand gekomen bod op boven gemelde onroerende zaken aan u als vertegenwoordiger van verkoper over te brengen.

[…]

Cliënten zijn bereid de getaxeerde waarde van f. 515.000 te betalen onder de volgende voorwaarden:

- […]

- de kosten van schoonmaak van de bodemverontreiniging als resultante van de rapportage van het in opdracht van verkoper c.q. fiscus thans uitgevoerde deskundigenonderzoek (rapportage wordt verwacht in oktober 1999) en een aan de hand van dit onderzoek uitgebrachte uitvoeringsofferte komen in mindering op de gemelde f. 515.000, met dien verstande, dat indien deze kosten hoger uitvallen dan de koopsom het bod vervalt en partijen opnieuw zullen onderhandelen.

- […]”

2.5. De belastingdienst heeft dit bod aanvaard. Eind 1999 zijn partijen en de belastingdienst een koopprijs van nul gulden overeengekomen. Een relatief klein gedeelte van het perceel, waarop zich een woning bevond, maakte geen onderdeel uit van de koopovereenkomst. Dit gedeelte is eigendom gebleven van [bedrijf 3]

2.6. [X] en [gedaagden]. wilden op het voor de betonfabriek respectievelijk het voor de firma [gedaagde 1] bestemde deel van het perceel bedrijfspanden bouwen. In het kader van de herinrichting moest de bodem eerst gesaneerd worden. Het bedrijf Chemielinco heeft met betrekking tot het perceel een saneringsplan opgesteld. In het saneringsplan van 15 maart 2000 staat het volgende:

“[…]

Opdrachtgevers: - Nigtevecht Beheer

- firma [gedaagde 1]

Contactpersoon: Dhr. [X] […]

2.4 Toekomstige terreingebruik

In bijlage I, kaart 6 is een overzicht weergegeven van de toekomstige terreininrichting en nieuwbouw. Het westelijke terreindeel zal in gebruik worden genomen als bedrijfsterrein van Betonfabriek Nigtevecht. In dit kader zal ook nieuwbouw plaatsvinden, in de vorm van bedrijfspanden met een betonnen vloer. […] Het onbebouwde deel zal van asfaltverharding worden voorzien. Het oostelijke terrein deel zal in gebruik worden genomen als bedrijfsterrein van de firma [gedaagde 1] te [vestigingsplaats]. Dit terrein deel zal gedeeltelijk van klinkerverharding worden voorzien en voor een deel zal hier nieuwbouw plaatsvinden in de vorm van een bedrijfspand met een betonnen vloer. De huidige asfaltverharding van het meest westelijke terreindeel zal gehandhaafd blijven. In de langs de noordelijke en westelijke perceelsgrenzen gelegen sloten zullen na de waterbodemsanering riolering worden aangelegd en worden gedempt met zand tot maaiveldhoogte.

[…]

3.2 IBC-sanering bodem

In overleg met de afdeling bodem van de Dienst Water en Milieu van de provincie Utrecht wordt hier gekozen voor een IBC-variant (Isoleren, Beheren en Controleren). De IBC- sanering van de bodem omvat het wegnemen van de contactmogelijkheden met de verontreiniging met minerale olie middels het aanbrengen van een bovenafdichting op het gehele terrein. Bovenafdichting zal bestaan uit (gesloten) verharding. Door het aanbrengen van de verharding wordt voorkomen dat verspreiding van deze verontreiniging kan plaatsvinden.

[…]

3.3 Sanering waterbodem

De verontreinigde sliblaag in de sloten aan de noordelijke en westelijke perceelsgrenzen wordt verwijderd door middel van ontgraving. Voordat de graafwerkzaamheden kunnen plaatsvinden zullen de sloten worden afgedamd en leeggepompt. Vervolgens wordt de aanwezige sliblaag over de gehele lengte ontgraven. […] De sloten aan de noordelijke en westelijke perceelsgrenzen worden na het aanleggen van riolering aangevuld met zand.

[…]

3.5 Nazorgplan

In de periode dat het terrein in haar huidige situatie blijft gehandhaafd, zal een nazorgprogramma dienen plaats te vinden. In onderhavig saneringsplan is onderstaand nazorgplan geformuleerd, met de volgende onderdelen:

- de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater rondom de verontreinigingsvlek ter plaatse van een viertal peilbuizen zal worden vastgesteld na het uitvoeren van de bodemsaneringsmaatregelen oftewel de nulsituatie.

- […]

- Vervolgens wordt een voorstel gedaan naar de provincie voor een monitoringprogramma van het grondwater;

[…]

4.1.2 Aanvragen beschikking saneringsplan

Voordat met de bodemsanering een aanvang kan worden gemaakt, dient een goedkeurende beschikking te worden aangevraagd en verkregen. Het saneringsplan wordt door de opdrachtgever ingediend bij het bevoegd gezag inzake de wet bodembescherming (Wbb), de provincie Utrecht ten behoeve van een beschikking.

[…]

4.1.3 Overlegstructuur

Voorafgaand aan de uitvoering worden afspraken met de opdrachtgever gemaakt met betrekking tot de begeleiding van de werkzaamheden. Er wordt ondersteuning verleend bij de aanbesteding van het werk. Voor de werkzaamheden dient een gekwalificeerde aannemer te worden gezocht.

[…]

4.2.2 Aanwezigheid van tanks

De nog op het terrein aanwezige ondergrondse brandstoftanks worden geïnspecteerd en schoongemaakt door een KIWA-erkend bedrijf. Tanks worden afgevoerd naar een wettelijk erkend verschrotingsbedrijf.

[…]

5 TIJDSPLANNING

Het saneringsplan dient goedgekeurd worden door het bevoegd gezag door middel van een beschikking. Naar verwachting zullen de saneringswerkzaamheden medio 2000 beginnen. De functionele sanering van de bodem en de sanering van de waterbodem vindt gelijktijdig plaats. De duur van de bodemsanering wordt geschat op 2 maanden. De duur van de grondwatermonitoring wordt vooralsnog gesteld op een periode van 5 jaar. […]”

2.7. Bij brief van 5 april 2000 heeft de heer [Z] van Chemielinco aan [X] geschreven:

“[…] Hierbij ontvangt u ter ondertekening bladzijde 6 en 11 van het meldingsformulier in het kader van de beschikkingsaanvraag bij de provincie voor het saneringsplan betreffende de uitvoering van een IBC-sanering op het terrein aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Gaarne zo spoedig mogelijk retour naar ondergetekende. […]”

Bladzijde 6 van het meldingsformulier is ondertekend door zowel [X] als [gedaagde 1].

2.8. Bij beschikking van 23 mei 2000 heeft de provincie Utrecht ingestemd met het saneringsplan, op voorwaarde dat uiterlijk één jaar na het inwerkingtreden van de beschikking conform het saneringsplan van Chemielinco met de sanering zou worden begonnen. In deze beschikking staat het volgende:

“[…] Gedeputeerde staten van Utrecht hebben op 12 april 2001 melding als bedoeld in artikel 28 van de Wet bodembescherming (Wbb) ontvangen van [vestigingsplaats] Beheer/firma [gedaagde 1] te [vestigingsplaats]. De melder is voornemens de bodem ter plaatse van de [adres] te [woonplaats] te saneren. De aanleiding tot saneren van de bodem is de voorgenomen herinrichting van de locatie.

[…]

4.4 Saneringsplan

Op de locatie zal een bovenafdichting worden aangebracht waardoor direct contact met de verontreiniging en infiltratie van regenwater wordt voorkomen. Aangezien in nader onderzoek is aangetoond dat geen verspreiding via het grondwater plaatsvindt kan worden volstaan met het monitoren van het grondwater middels een viertal peilbuizen. De frequentie van de monitoring zal in het evaluatierapport nader worden bepaald. […]”

2.9. In een brief van [X] en [gedaagde 1] van 20 juni 2001 aan B&W van de gemeente Loenen staat het volgende:

“[…] In vervolg op de commissie RO vergadering van 20 juni 2000 en de naar aanleiding daarvan door u opgestelde en door ons verwerkte uitgangspunten, bijgaand de bouwaanvragen van Nigtevecht[bedrijf 2] als ook van de Fa. [gedaagde 1] voor de te realiseren bedrijfsruimten voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten. […] Rest ons nog te melden dat de bodemsaneringswerkzaamheden naar verwachting a.s. augustus afgerond zijn. Wij verzoeken u deze aanvragen in behandeling te nemen zoals eerder besproken en hopen de vergunningen binnen afzienbare tijd in ontvangst te mogen nemen. […]”

Deze brief is namens [gedaagde 1] ondertekend door [gedaagde 2].

2.10. Voor de uitvoering van de saneringswerkzaamheden is opdracht gegeven aan de firma [bedrijf 3] (niet te verwarren met [bedrijf 3], van wie het perceel is gekocht). De sanering heeft plaatsgevonden in 2001. Hierna is het perceel in twee delen gesplitst (2/3 deel voor Nigtevecht Beheer en 1/3 deel voor [gedaagden].) en vervolgens geleverd en kadastraal genummerd als 1605 respectievelijk 1606. In 2002 zijn erfafscheidingen geplaatst. De facturen van Chemielinco en de kosten verband houdend met de saneringswerkzaamheden en de erfafscheidingen zijn betaald door Nigtevecht Beheer.

2.11. In augustus 2002 heeft [X] een kostenoverzicht aan [gedaagden]. verstrekt. In dit kostenoverzicht staat het volgende:

Onderstaand de kosten t/m deze maand welke door Nigtevecht[bedrijf 2] voor gezamenlijke rekening zijn betaald.

“[…] Sanering (2/3 - 1/3)

Jaar nr leverancier factuur Werkzaamheden Euro's

2000 1 Chemielinco 19 april Opstellen saneringsplan 4.084,02

2001 2 [bedrijf 3] 12 febr. Voorbereiden sloten reinigen; slopen hekwerk en bomen 4.116,78

3 Chemielinco 2 mei Begeleiding en rapportage (eerste deel) 5.944,52

4 [bedrijf 3] 1 juni Sloten leeghalen naar tussenopslag 964,28

5 [bedrijf 3] 5 dec. Afvoeren slib e.d. 1.200,30

6 [bedrijf 3] 5 dec. Fokker/Ganzewinkel/Teeuwissen (tanken reinigen) 3.635,11

7 [C] 24 okt Afvoer slib naar Mourik/afvoer puin tankeiland 1.012,75

8 Mourik 22 nov. Reinigen grond 2.113,62

Subtotaal 8.987,36

2002 9 Dorpshuis 13 maart Buurt info-avond 180,60

Totaal 2000/2001/20002 3.251.98

1/3 7.750,66

p.s.: nog te verwachten: tweede deel definitieve afronding Chemielinco

Afscheiding (1/2 - 1/2)

Jaar nr leverancier werkzaamheden Euro's

2002 10 betonfabriek 14 mrt [H]/[gedaagde 1]: 35 betonplaten hekwerk @ 67,= 2.345,00

Betonfabriek/[gedaagde 1]:

10 betonfabriek 14 mrt 6 betonplaten (werk Joost) pm

11 Krobo 19 april HEA profielen t.b.v. afscheiding 2.436,00

12 [bedrijf 3] 14 mei Plaatsen afscheiding 15 stramienen 2.256,75

10 betonfabriek 14 mrt. 30 betonplaten @ 67,= 2.412,00

totaal 9.449,75

1/2 4.724,88

De kopie-facturen van de diverse leveranciers heb ik ter controle bijgesloten. […]”

2.12. Nigtevecht Beheer heeft kopieën in het geding gebracht van vier facturen van de firma [bedrijf 3], één factuur van [C] en één factuur van Mourik. Uit de facturen blijkt dat zij betrekking hebben op werkzaamheden in het kader van de sanering van het perceel. De facturen zijn gesteld in guldens. Omgerekend naar euro's komen de op de facturen vermelde bedragen exclusief BTW overeen met de bedragen die zijn vermeld op het kostenoverzicht van Nigtevecht Beheer uit augustus 2002, met uitzondering van de twee facturen van de firma [bedrijf 3] van 5 december 2001. Eén factuur van die datum bedraagt f. 3.677,80 exclusief BTW. Dit is gelijk aan € 1.668,91. Ter zake van deze factuur heeft Nigtevecht Beheer € 1.200,30 exclusief BTW in rekening gebracht. De andere factuur van 5 december 2001 bedraagt f. 13.500,73. Daarvan heeft Nigtevecht Beheer € 3.636,11 exclusief BTW (f. 8.011,09) aan [gedaagden]. in rekening gebracht. Nigtevecht Beheer heeft ook een brief in het geding gebracht waarop namens de firma [bedrijf 3] is verklaard dat al haar facturen, dus ook de vijfde, door Nigtevecht Beheer is betaald.

2.13. In februari 2003 heeft [X] aan [gedaagden]. een factuur gedateerd 18 februari 2003 van Nigtevecht Beheer verstrekt, waarop is vermeld:

“[…] Factuurnummer 03.116

Conform de u verstrekte opstelling van augustus 2002 brengen we u in rekening:

Uw deel van de saneringskosten terrein [adres] € 7.750,66

uw deel terreinafscheiding 4.724,88

€ 12.475,54

BTW 19% 2.370,35

Totaalbedrag € 14.845,89

2.14. Op 12 maart 2003 heeft [gedaagde 2] aan [X] geschreven:

“[…]

Vraag 1) Wij willen een schoon grond verklaring

2) de Rekening van Chemielinco Niet de offerte

3) Als wij onze grond laten schonen betaal jij dan je 2/3 mee?

[…]

Ik wil van de jou de rekening zien van Chemielinco.

Wij willen betalen: de erfafscheiding en de rek van Chemielinco voor ons deel”

2.15. [gedaagden]. heeft in het geding gebracht een factuur van 12 maart 2003 van de firma [gedaagde 1], gericht aan Nigtevecht Beheer, waarop staat:

“[…]

Betreft; uw deel saneringskosten van terrein [adres]

Kosten incl. € 1266,46 BTW € 7.932,07

af; opbrengst oud ijzer - 129,96

teveel berekent op uw rek: 03.116 bij 201,00

Totaal € 8.003,11

[…]”

2.16. [gedaagden]. heeft ook een overzicht in het geding gebracht dat is gesteld op briefpapier van de firma [gedaagde 1] en is gedateerd op 12 maart 2003, waarop staat:

“[…]

opbrengst oud ijzer van de tanks op het terrein

van [bedrijf 3]; 10740 kg à f 0,04 p/kg € 194,94

Opbrengst 1/3 € 64,98

2/3 -129,96

[…]”

2.17. Op 4 april 2003 heeft [gedaagde 2] een kostenopstelling van de firma [gedaagde 1] aan [X] verstrekt, waarop staat:

“[…] Betreft kosten door ons gemaakt bij het ontruimen van het [bedrijf 3] terrein.

Stalletje gesloopt:

02-02-2000 GRM 6260kg á f 290,00 p/t f […] € 823,79

09-02-2000 GRM 12180kg “” […] 1602,84

11-02-2000 GRM 15360kg “” […] 2021,32

16-01-2001 Dusseldorp afvoern Olie […] 50,44

maart 2000 Grote tanks Gedemonteerd: Joost […] 1191,17

Marcel […] 952,95

Philip […] 290,42

Dirk […] 444,70

27-03-2002 Hogenhoud Kraan i.v.m. tanken sloop […] 298,58

13-04-[woonplaats] Lengtes voor tussenwand en […] 208,64

01-05-2000 [bedrijf 1] huren Kraan voor tnaken

en bomen van Rietkerk […] 319,92

11-09-2000 [bedrijf 1] kraanhuur voor wanden Gr. Br. N. […] 359,91

Bij [bedrijf 3]; Pad in tuin aangelegd;

08-02-2001 afwateringsmaterialen [bedrijf 5] […] 165,63

08-02-2001 zand bij [bedrijf 6] […] 22,69

08-02-2001 Karwei materialen […] 44,49

27-02-2001 Hoogenhoud Kraanhuur voor tuin Gr. […] 418,50

26-03-2001 Kadaster […] 476,92

28-02-2001 Werkzaamheden Joost […] 1.065,25

11-04-2002 2 Zeecontainers door fa. Saan 278,46

Transportkosten door [gedaagde 1] […] 226,89

[M] zuurstof voor slopen febr. en maart […] 634,69

totale kosten incl. BTW f. 26.220,20 € 11.898,21

1/3 = f 8.740,07 € 3966,07

2/3 = 17.480,13 € 7932,14”

2.18. In een brief van 9 april 2003 heeft [X] namens Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. het volgende geschreven:

“[…] Beste Piet en Ank

Op mijn kostenopstelling augustus 2002 is door jullie niet gereageerd; ervan uitgaand dat jullie akkoord waren gaf ik 21 februari 2003 mijn factuur voor het Fa. [gedaagde 1]-deel van de tot op dat moment door mij betaalde sanering-en erfafscheidingskosten. Gevolg: een enorme scheldkanonnade, waarna Ria en ik besloten te vertrekken.

Zes weken later, 4 april brengt Ank me een brief met o.a. de mededeling enkel de erfafscheiding en rekeningen van het milieuadviesbureau Chemielinco voor wat betreft jullie deel te willen betalen en niet de saneringskosten. Ook krijg ik een kostenopstelling met verdeling 1/3-2/3 met diverse rekeningen/bonnen.

Het gebeuren van 21 februari bevestigde m’n eerder gevoel n.l. dat jullie mij wantrouwen; triest en teleurstellend en reden voor mij om het verloop van het geheel en de gemaakte afspraak tussen ons, onderstaand te herhalen.

Het vervuilde bedrijfsterrein en de loods werden mij in september 1999 door [bedrijf 3] aangeboden volgens de taxatie belastingdienst. Gezien onze goede relatie en jullie belang heb ik Piet - op basis van dezelfde taxatie - de loods welke al door jullie deels werd gebruikt, te koop aangeboden. Het bedrijfsterrein zouden we dan gezamenlijk kopen op basis van diezelfde taxatie t.w. hfl. 400.000,=. Van het bedrijfsterrein zouden jullie dan het direct aan de loods liggend oostelijk deel met inrit nemen en Nigtevecht Beheer het grotere, westelijk deel met groene strook en west-inrit. De bodemsaneringskosten zouden we proportioneel, op basis van het terreinoppervlak delen. Hiermee gingen jullie akkoord.

We zouden nog proberen het toen nog onbekende bedrag aan bodemsaneringskosten in mindering te brengen op de taxatie/vraagprijs van het bedrijfsterrein en er werd onder andere op deze voorwaarden een gezamenlijk bod uitgebracht. De belastingdienst, schuldeiser [bedrijf 3], ging op 23 september 1999 met ons bod akkoord. In oktober 1999 verscheen de in opdracht van verkoper/belastingdienst gemaakte bodemsanering begroting waaruit bleek dat de door hen begrote saneringskosten net zo hoog waren als ons, door hen eerder geaccepteerd bod. Het bedrijfsterrein werd dientengevolge door ons beiden voor nihil gulden - geaccepteerd bod minus de bodem saneringskosten - gekocht op 5 nov. 1999. Nu bleven alleen de werkelijke, nog te maken, grondsaneringskosten voor ons over.

Wat betreft grondsanering is de provincie Utrecht de bepalende overheid welke dan moet instemmen met het door ons te laten maken bodemsaneringsplan voor het gekochte terrein. Gezien het terreingebruik en de lagere kosten is toen gekozen de provincie een saneringsplan ter goedkeuring voor te leggen op basis van IBC- sanering (Isoleren, Beheren en Controleren) waarvan de begroting hfl. 200.000,= was.

Wij hebben het adviesbureau Chemielinco te Utrecht op basis van hun offerte opdracht verleend tot het maken van het saneringsplan welk op 3 april 2000 werd uitgebracht. In mei 2000 ontvingen wij de provinciale beschikking ‘instemming saneringsplan’ en er moest zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk een jaar na het inwerking treden van de goedkeurende beschikking met de sanering worden begonnen.

Later dat jaar gaven wij gezamenlijk de Fa. [bedrijf 3] te Weesp opdracht de saneringswerkzaamheden als vermeld in het saneringsplan uit te voeren. Dit is voor het gehele terrein gebeurd onder milieukundige begeleiding, toezicht en verantwoording van het adviesbureau Chemielinco. Aansluitend is het terrein gedeeld: ca 1/3 in jullie en ca. 2/3 in Nigtevecht Beheer eigendom.

Nu recentelijk de (deels provisorische) terreinverharding op ons terreindeel is aangebracht (3.2 van het saneringsplan) kan Chemielinco haar werkzaamheden voortzetten. Binnenkort worden er vier monitoringspeilbuizen- waarvan twee op jullie terreindeel- geplaatst (zie kaart 7) waarna het monitoring- en nazorgdeel van onze opdracht aan hen, kan worden uitgevoerd.

Al deze (mijn) inspanningen- naar het zich laat aanzien- leiden er waarschijnlijk toe dat de saneringskosten inclusief advieskosten slechts 16% van ons bod van hfl. 400.000,= gaan bedragen. De prijs van ca. hfl. 66/m2 voor het vervuilde ca. 6000 m2 grote bedrijfsterrein komt dan op ca. hfl. 11/m2 (hfl. 66.000:6000 m2) maar dan wel gesaneerd!

De reden waarom jullie nu menen 1/3 deel van de saneringskosten - met uitzondering van de advieskosten- niet te moeten betalen, ontgaat me. Wel de lusten (ca. 2000 m2 bedrijfsterrein voor nihil met vanaf dag één het gebruik van het verharde deel van het terrein), maar niet de (sanering) lasten!

Ik hoop de situatie duidelijk te hebben uitgelegd en verwacht nakoming van afspraak.

[…]

P.S.:

Je meldde terecht dat er € 402,= teveel aan erfafscheidingsplaten was berekend.

Abusievelijk berekenden we maar de helft van de afscheidingsplaten [H][bedrijf 3]/[gedaagde 1]. Bijgaand de correctie.

Bijlagen: - factuur

- twee kopiefacturen van Chemielinco.”

2.19. De factuur van Nigtevecht Beheer die als bijlage bij de brief van 9 april 2003 was gevoegd is gedateerd 8 april 2003. Ter correctie van de in februari 2003 in rekening gebrachte kosten ter zake van de erfafscheiding is op deze factuur aanvullend een bedrag van € 1.156,09 inclusief BTW in rekening gebracht.

2.20. De rechtsopvolger van Chemielinco, CSO Adviesbureau voor [bedrijf 4] (hierna: CSO), heeft op 2 februari 2005 een factuur aan Nigtevecht Beheer gestuurd ter hoogte van € 3.536,99 inclusief BTW met als onderwerp: “Tweede tussentijdserekening: 25% van het offerte bedrag, bodemsanering [adres] te [vestigingsplaats].” Nigtevecht Beheer heeft deze factuur betaald.

2.21. Op 20 april 2006 heeft CSO een factuur aan Nigtevecht Beheer gestuurd ter hoogte van € 5.867,89 inclusief BTW (€ 4.931,-- exclusief BTW) met als onderwerp: “Milieukundige begeleiding en evaluatie bodemsanering [adres] te [vestigingsplaats]”. Deze factuur is door Nigtevecht Beheer betaald.

2.22. CSO heeft in 2006 een evaluatierapport opgesteld. In een beschikking van 13 juni 2006, gericht aan Nigtevecht Beheer en de firma [gedaagde 1] en verzonden aan [X], heeft de provincie Utrecht gemeld dat zij uit het evaluatierapport van CSO heeft geconcludeerd dat de sanering voldoet aan het bepaalde in haar beschikking van 23 mei 2000, met dien verstande dat in de komende jaren nog monitoring van de grondwaterverontreiniging moest plaatsvinden.

2.23. Bij brief van 25 juli 2006 heeft [X] namens Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. geschreven:

“[…] Bijgaand de deze maand ontvangen aan u en ons gerichte provinciale ‘Beschikking evaluatierapport bodemsanering [adres]a en bij nr. 6 te Nigtevecht, […].

Recentelijk is het evaluatierapport opgesteld door […] CSO te Bunnik.

[…]

De CSO-factuur ad. € 4.931,00 (ex BTW) voor deze werkzaamheden is bijgevoegd.

[…]

Naar aanleiding van uw brief (kopie bijgevoegd) d.d 12 maart 2003 hebben wij u op 9 april 2003 geantwoord, echter daar is door u - ruim drie jaar later - nooit op gereageerd. Nogmaals, puntsgewijs komen wij terug op de vragen en toezegging van uw brief.

1. […]

2. de rekeningen van Chemielinco zijn bij onze brief d.d 9 april 2003 opnieuw verstrekt.

3. Als op basis van het Chemielinco IBC-Bodemsaneringsplan en genoemde provinciale beschikking, alsnog grond geschoond moet worden, betalen wij conform onze mondelinge afspraak van destijds ons deel (2/3) zoals u 1/3 meebetaalt.

4. Uw wil (!) tot betalen van de advieswerkzaamheden (Chemielinco) en de geplaatste erfafscheiding (facturen d.d. 18 febr. en 8 april 2003) is toegezegd, echter nooit uitgevoerd.

Bijgaand de factuur waarin wij uw 1/3 deel doorberekenen van deze Chemielinco/CSO advies werkzaamheden. Uw betalingen zien wij tegemoet.

Verwachtend dat de afspraken nagekomen worden en onder voorbehoud van alle rechten tekenen wij, […]”

2.24. De factuur van Nigtevecht Beheer van 25 juli 2006 tot doorberekening van 1/3 deel van de factuur van CSO waarnaar in de brief van Nigtevecht Beheer van dezelfde datum is verwezen (1/3 x € 4.931,-- exclusief BTW), bedraagt € 1.955,97 inclusief BTW.

2.25. In een brief van 19 mei 2010 heeft [X] namens Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. geschreven:

“[…] Betr.: brief provincie Utrecht afd. Handhaving d.d. 22 april 2010

[…]

Naar aanleiding van onze brief dd. 11 mei jl. inzake het bovengenoemde, is uwerzijds - op ons verzoek - overleg gevoerd met de heer Kunst van CSO Adviesbureau. Daar wij op dezelfde brief van u geen afwijzende reactie ontvingen, is CSO conform deze brief en de u bekende offerte opdracht verleend voor € 1275,00. […] De datum uitvoering is woensdag 26 mei as. in de middag […] waardoor het nog mogelijk is om het college voor de door de provincie gestelde datum, de resultaten van deze monitoringsronde te overhandigen.”

2.26. CSO heeft vervolgens nog twee facturen aan Nigtevecht Beheer gezonden van in totaal € 1.275,-- exclusief BTW (€ 612,-- + € 663,--). Deze facturen zijn door Nigtevecht Beheer betaald. [gedaagden]. heeft vervolgens op 4 juni 2010 in verband met deze facturen

€ 442,-- aan Nigtevecht Beheer betaald.

2.27. Op 14 september 2010 heeft de provincie Utrecht een “beschikking evaluatieverslag grondwater sanering [adres]a/bij [adres] te [vestigingsplaats]” aan Nigtevecht Beheer gezonden. In deze beschikking staat het volgende:

“[…] 3. Monitoringsresultaten 2003, 2006 en 2010

De resultaten van de monitoring, samen met de gegevens uit voorgaande jaren, beschouwen wij als evaluatieverslag van de grondwatersanering. Het evaluatieverslag van de grondwatersanering hebben wij beoordeeld aan de eisen die artikel 39c van de wet bodembescherming stelt.

Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de uitgevoerde grondwatermonitoring:

- in 2003, 2006 en 2010 is het grondwater in de peilbuizen 300, 301, 302 en 303 bemonsterd en geanalyseerd op minerale olie en vluchtige aromaten.

Tijdens de 3 meetrondes werden de bij beschikking vastgestelde signaalwaarden voor minerale olie en vluchtige aromaten in het grondwater niet overschreden.

Er heeft in een periode van zeven jaar geen aantoonbare verspreiding van de verontreiniging in het grondwater plaatsgevonden.

4 Conclusie

Grondwater

Het evaluatieverslag voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 39c van de Wbb. De sanering van het verontreinigde grondwater is uitgevoerd overeenkomstig de saneringsvariant, zoals vastgelegd in het bij beschikking goedgekeurde aanvullende monitoringsverslag. Er is in voldoende mate aangetoond dat er sprake is van een stabiele eindsituatie. […]”

2.28. In een brief van 9 mei 2011 heeft heer [D], werkzaam als uitvoerder bij de firma [bedrijf 3], aan Nigtevecht Beheer geschreven:

“[…] In 2001 hebben wij (Fa. [bedrijf 3]) saneringswerkzaamheden uitgevoerd aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Dit op uurtariefbasis in opdracht van Nigtevecht Beheer en de firma [gedaagde 1] en volgens de richtlijnen van adviesbureau Chemielinco. Tijdens de werkzaamheden is er ter plekke regelmatig overleg geweest met de opdrachtgevers en met Chemielinco. […]”

2.29. In een brief van 2 september 2011 heeft de heer [O] aan Nigtevecht Beheer geschreven:

“[…] Ten tijde van het tot stand komen van het saneringsplan begin 2000 was ik werkzaam bij Chemielinco als hoofd Bodemsanering. In deze functie was ik rechtstreeks betrokken bij het opstellen van het saneringsplan. Persoonlijk heb in deze periode ter plaatse overleg gevoerd met beide (gezamenlijke) opdrachtgevers [X] en [gedaagde 1]. Beide opdrachtgevers gezamenlijk hebben Chemielinco als adviseur gemachtigd om meldingen te verrichten en afspraken te maken met het bevoegd gezag Wet Bodembescherming, de provincie Utrecht.

[…]”

3. Het geschil

3.1. Nigtevecht Beheer vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden]. tot betaling van:

- € 19.065,30 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2011 tot de dag der voldoening

- € 4.628,58 terzake van de vanaf 2 augustus 2006 tot en met 16 maart 2011 verschenen wettelijke rente

- € 63,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2011 tot de dag der voldoening

- € 1.158,-- terzake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2011

- de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2. Aan deze vorderingen legt Nigtevecht Beheer deels nakoming ten grondslag van de verbintenis van [gedaagden]. tot betaling van 1/3 deel van de kosten die verband houden met de sanering van het perceel. Voorts legt zij hieraan ten grondslag nakoming van de verbintenis tot betaling van de volledige kosten van de erfafscheiding tussen het terrein van [gedaagden]. en dat van [bedrijf 3], en van de helft van de kosten van de erfafscheiding tussen de terreinen van Nigtevecht Beheer en [gedaagden].

3.3. [gedaagden]. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Nigtevecht Beheer, althans afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van Nigtevecht Beheer in de kosten van deze procedure. [gedaagden]. neemt in verband hiermee primair het standpunt in dat de vorderingen van Nigtevecht Beheer zijn verjaard en subsidiair dat er geen overeenkomst is op grond waarvan hij een verplichting jegens Nigtevecht Beheer heeft. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagden]. wel een bedrag aan Nigtevecht Beheer verschuldigd is beroept hij zich op verrekening met zijn factuur van

12 maart 2003 (€ 8.003,11).

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verjaring

4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden]. is dat de vorderingen van Nigtevecht Beheer zijn verjaard. Op grond van artikel 3:307 Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot betaling door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging (met name door het instellen van een eis, zie artikel 3:316 BW), door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht tot nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 BW). De erkenning van het recht tot de bescherming waarvan een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent (artikel 3:318 BW). Door stuiting van de verjaring gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen.

4.2. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden]. een deel van de kosten die verband houden met de sanering van het perceel en het plaatsen van de erfafscheidingen aan Nigtevecht Beheer moet vergoeden staat vast dat partijen geen betalingstermijn zijn overeengekomen. Dit brengt mee dat de vordering van Nigtevecht Beheer in gedeelten opeisbaar is geworden nadat Nigtevecht Beheer de op de hiervoor genoemde werkzaamheden betrekking hebbende facturen heeft betaald (artikel 6:38 BW). Vaststaat dat Nigtevecht Beheer alle kosten die verband houden met de sanering en de erfafscheidingen facturen heeft betaald. De eerste factuur van Chemielinco dateert van 19 april 2000. De verjaringstermijn voor die kosten is in het jaar 2000 gaan lopen. De meeste overige facturen dateren uit het jaar 2001. De verjaringstermijn voor de kosten die in de 2001 zijn gemaakt is in dat jaar gaan lopen.

4.3. In augustus 2002 heeft Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. een kostenoverzicht verstrekt waarop alle kosten verband houdend met de sanering en de erfafscheidingen zijn gespecificeerd. Daarbij waren kopieën gevoegd van de facturen van de bedrijven die in verband met de sanering en de erfafscheiding werkzaamheden hebben verricht (zie 2.11). In februari 2003 heeft [X] een factuur van Nigtevecht Beheer gedateerd 18 februari 2003 aan [gedaagden]. overhandigd ter hoogte van € 14.845,89 inclusief BTW (zie 2.13). Op deze factuur is verwezen naar het in augustus 2002 verstrekt kostenoverzicht, terwijl de hoogte van de factuur aansluit bij de saldi op dat kostenoverzicht. Onder deze omstandigheden kan de factuur worden beschouwd als een schriftelijke mededeling waarin Nigtevecht Beheer als schuldeiser zich ondubbelzinnig haar recht tot nakoming voorbehoudt, waardoor de verjaring is gestuit. Kort daarna, op 12 maart 2003, heeft [gedaagde 2] aan [X] geschreven: “Wij willen betalen: de erfafscheiding en de rek van Chemielinco voor ons deel”. Deze schriftelijke mededeling is een erkenning in de zin van artikel 3:318 BW die tot gevolg heeft gehad dat de verjaring ter zake van de kosten van de erfafscheiding en de facturen van Chemielinco (opnieuw) is gestuit.

4.4. In de brief van 9 april 2003 van Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. is verwezen naar de factuur van Nigtevecht Beheer van 18 februari 2003 (zie 2.18). Ook is daarin vermeld dat [gedaagden]. ermee akkoord is gegaan dat de bodemsaneringskosten proportioneel, op basis van het oppervlak, zouden worden gedeeld en dat [X] nakoming van de afspraak verwacht. Voorts is bij die brief een aanvullende factuur gevoegd ter hoogte van € 1.156,09 inclusief BTW, met betrekking tot de kosten ter zake van de erfafscheiding. Ook deze brief is een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 BW, waardoor de verjaring (opnieuw) is gestuit.

4.5. In de brief van Nigtevecht Beheer aan [gedaagden]. van 25 juli 2006 is verwezen naar haar brief van 9 april 2003, naar de afspraak tot verdeling van de kosten (2/3 - 1/3) en naar de erkenning door [gedaagden]. (brief van 12 maart 2003) van de verschuldigdheid ter zake van de eerste factuur van Chemielinco en de erfafscheiding (zie 2.23). Bij de brief van 25 juli 2006 is een kopie gevoegd van de factuur van CSO van 20 april 2006 (€ 4.931,-- exclusief BTW). Ook is daarbij gevoegd de factuur van Nigtevecht Beheer van 25 juli 2006 tot doorberekening van 1/3 deel van die factuur van CSO (zie 2.24). Ter afsluiting van deze brief heeft Nigtevecht Beheer geschreven: “Uw betalingen zien wij tegemoet.” en “Verwachtend dat de afspraken nagekomen worden en onder voorbehoud van alle rechten tekenen wij,[…]”. Gelet op deze omstandigheden moet de brief van 25 juli 2006 eveneens worden beschouwd als een schriftelijke mededeling van Nigtevecht Beheer waarin zij zich ondubbelzinnig haar recht heeft voorbehouden op nakoming van de gedeeltelijke vergoeding van de kosten die verband houden met de sanering en het plaatsen van de erfafscheiding. Als gevolg hiervan is de verjaring eind juli 2006 wederom gestuit en is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. De dagvaarding tegen [gedaagden]. is op

7 maart 2011 uitgebracht, vóór het verstrijken van de verjaringstermijn. Het verweer van [gedaagden]. dat de vorderingen van Nigtevecht Beheer zijn verjaard wordt dan ook verworpen.

Kosten saneringsplan en saneringswerkzaamheden

4.6. Het standpunt van [gedaagden]. met betrekking tot de kosten van het opstellen van het saneringsplan van Chemielinco, de begeleiding van de sanering door Chemielinco/CSO en de saneringswerkzaamheden zelf komt er op neer komt dat hij niet met Nigtevecht Beheer heeft afgesproken 1/3 deel van die kosten aan Nigtevecht Beheer te vergoeden. Dit verweer wordt verworpen.

4.7. [gedaagden]. voert aan dat hij al snel heeft aangegeven dat hij niet zou bijdragen aan de kosten van onderzoeken en werkzaamheden die alleen maar verband hielden met het terrein van Nigtevecht Beheer. Hieruit kan worden afgeleid dat [gedaagden]. eerder wel met Nigtevecht Beheer heeft afgesproken 1/3 van de kosten voor zijn rekening te nemen, maar dat hij daarop later op terug heeft willen komen. Deze conclusie vindt steun in de navolgende omstandigheden.

4.8. Partijen hebben gezamenlijk een bod op het perceel uitgebracht en hebben afgesproken dat 2/3 deel zou toekomen aan Nigtevecht Beheer en 1/3 deel aan [gedaagden]. Op dat moment wisten zij dat de bodem vervuild was en moest worden gesaneerd. Hun gezamenlijke bod hield in dat de koopprijs van f. 515.000,-- (f. 400.000,-- voor de grond en f 115.000,-- voor de loods op het door [gedaagden]. gewenste deel) moest worden verlaagd met de geraamde kosten van sanering van de bodem. Op grond van een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de belastingdienst werden die kosten geschat op een bedrag dat (ongeveer) even hoog was als het bedrag van f. 515.000,--. Naar aanleiding daarvan hebben partijen elk hun deel van het perceel voor nul gulden gekocht. Op dat moment was nog niet bekend dat het grootste deel van de saneringswerkzaamheden op het terrein van Nigtevecht Beheer moest plaatsvinden.

4.9. [gedaagden]. heeft samen met Nigtevecht Beheer Chemielinco opdracht gegeven tot het opstellen van een saneringsplan met betrekking tot het perceel. Dit blijkt uit het saneringsplan (zie 2.6) en de brief van het toenmalige hoofd Bodemsanering van Chemielinco van 2 september 2011 (zie 2.29). Het perceel is gesaneerd conform het saneringsplan van Chemielinco.

4.10. Voorafgaand aan de sanering heeft Chemielinco een goedkeurende beschikking aangevraagd bij de provincie Utrecht. In verband daarmee had [gedaagde 1] een medewerker van Chemielinco gemachtigd (zie 2.7). Nigtevecht Beheer en [gedaagden]. waren van plan ieder op haar/zijn deel van het perceel (een) bedrijfsgebouw(en) neer te zetten. In verband daarmee hebben partijen bij de gemeente Nigtevecht een bouwvergunning aangevraagd (zie 2.9). Uit de beschikking van de provincie Utrecht van 23 mei 2000 blijkt dat de aanleiding tot het saneren van de bodem de voorgenomen herinrichting van de locatie was (zie 2.8). De provincie Utrecht stelde in 2000 bovendien de voorwaarde dat het verontreinigingsniveau conform het saneringsplan van Chemielinco gedurende een aantal jaren zou worden gemeten/gemonitord. In het kader daarvan dienden twee peilbuizen te worden geplaatst op het perceel van Nigtevecht Beheer en twee op dat van [gedaagden]. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden]. belang had bij de sanering en bij de begeleiding door Chemielinco van het gehele saneringstraject.

4.11. De sanering bestond kort gezegd uit de verwijdering van olietanks uit de grond (op het gedeelte van Nigtevecht Beheer), verharding van de bodem op het gedeelte van Nigtevecht Beheer en de verwijdering van verontreinigd slib uit de sloten van Nigtevecht Beheer en [gedaagden]. rondom het perceel. Volgens [D], uitvoerder bij de firma [bedrijf 3], waren Nigtevecht Beheer en de firma [gedaagde 1] de opdrachtgevers voor de door dat bedrijf uitgevoerde saneringswerkzaamheden en heeft hij tijdens die werkzaamheden ter plekke met beide partijen overleg gevoerd (zie zijn brief van 9 mei 2011, 2.28).

4.12. Dat [gedaagden]. “al snel”heeft aangegeven niet te willen bijdragen in de kosten vindt geen steun in de overgelegde stukken. [X] heeft in zijn brief van 9 april 2003 aan [gedaagden]. geschreven: “Op mijn kostenopstelling augustus 2002 is door jullie niet gereageerd;”. In februari 2003, toen [X] tijdens een bezoek aan [gedaagden]. de factuur van 18 februari 2003 overhandigde, zijn partijen in grote ruzie uit elkaar gegaan en de vriendschap tussen hen is op dat moment geëindigd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [gedaagden]. pas toen aan eiser heeft meegedeeld niet alle kosten te willen vergoeden. Door middel van de brief van 12 maart 2003 heeft [gedaagden]. aan Nigtevecht Beheer meegedeeld alleen de kosten verband houdend met het saneringsplan van Chemielinco en de kosten voor de erfafscheiding te willen vergoeden (zie 2.14). Niet gesteld of gebleken is dat partijen vervolgens hebben afgesproken dat Nigtevecht Beheer álle kosten voor haar rekening zou nemen en evenmin dat Nigtevecht Beheer zich bereid heeft verklaard genoegen te nemen met alleen vergoeding van de kosten van Chemielinco en de erfafscheidingen.

4.13. Volgens Nigtevecht Beheer heeft zij de factuur van [gedaagden]. van 12 maart 2003 (zie 2.15) niet ontvangen. Wel heeft zij op 4 april 2003 de kostenopstelling van [gedaagden]. ontvangen met betrekking tot de werkzaamheden van laatstgenoemde in het kader van de verwijdering van de olietanks die zich bevonden op het door Nigtevecht Beheer gekochte deel van het perceel (zie 2.17). Deze stukken lijken in strijd te zijn met de brief van [gedaagden]. van 12 maart 2003. De in verband met de verwijdering van de olietanks gemaakte kosten heeft [gedaagden]. blijkens de hier bedoelde stukken voor 2/3 deel in rekening gebracht bij Nigtevecht Beheer. Indien [gedaagden]. van mening was dat zij in het geheel niet hoefde bij te dragen aan de kosten die betrekking hadden op het terrein van Nigtevecht Beheer had het voor de hand gelegen dat zij die volledig (en niet voor 2/3) bij Nigtevecht Beheer in rekening had gebracht. In ieder geval bevestigen deze stukken de stelling van Nigtevecht Beheer dat voor de verdeling van de kosten moet worden uitgegaan van 2/3 ten laste van Nigtevecht Beheer en 1/3 ten laste van [gedaagden]. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat [gedaagden]. in 2010 naar aanleiding van de hem door Nigtevecht Beheer toegezonden laatste facturen van CSO van in totaal € 1.275,-- exclusief BTW, een bedrag van € 442,-- , ongeveer 1/3 van die kosten, aan Nigtevecht Beheer heeft betaald.

4.14. De conclusie op grond van het voorgaande luidt dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden]. voor 1/3 deel bijdraagt in de kosten in verband met de sanering en dat zij daarover later geen andersluidende afspraak hebben gemaakt.

4.15. Het totaalbedrag van de door Nigtevecht Beheer betaalde facturen van Chemielinco/CSO bedraagt € 22.856,09 inclusief BTW. Daarvan bedraagt 1/3 deel

€ 7.618,69. [gedaagden]. dient hiervan nog € 7.176,69 te vergoeden (€ 7.618,69 - € 442,--). Van dit bedrag maakt onderdeel uit het door Nigtevecht Beheer afzonderlijk gevorderde bedrag van € 63,75. De laatste twee facturen van CSO ter hoogte van € 612,-- en € 663,-- , beide exclusief BTW, bedragen in totaal € 1.517,25 inclusief BTW. Een derde deel daarvan is € 505,75. Het verschil tussen dit bedrag en het al door [gedaagden]. betaalde bedrag van

€ 442,-- is € 63,75.

4.16. De voor rekening van Nigtevecht Beheer gekomen kosten met betrekking tot de uitvoering van de sanering bedragen in totaal € 13.223,44 exclusief BTW (€ 4.116,79 +

€ 964,28 + € 1.200,30 + € 3.635,11 + € 1.012,75 + € 2.113,62 + € 180,60). Inclusief BTW is dit € 15.735,89. Daarvan dient [gedaagden]. 1/3 deel, € 5.245,30, te vergoeden.

Erfafscheidingen

4.17. Op het perceel is een erfafscheiding geplaatst tussen de terreinen van Nigtevecht Beheer en [gedaagden]. en tussen een deel van de terreinen van [gedaagden]. en van [bedrijf 3] (het niet verkochte gedeelte). De kosten voor het plaatsen van deze erfafscheidingen zijn voor rekening van Nigtevecht Beheer gekomen. Zij neemt het standpunt in dat [gedaagden]. de kosten voor de erfafscheiding tussen het terrein van Nigtevecht Beheer en [gedaagden]. voor de helft voor zijn rekening moet nemen en de kosten voor de andere erfafscheiding volledig. [gedaagden]. heeft dit standpunt niet uitdrukkelijk betwist. Voor zover zij met haar integrale afwijzing van de vorderingen van Nigtevecht Beheer bedoeld heeft dat er geen afspraak van die strekking is gemaakt wordt dat verweer als onvoldoende gemotiveerd verworpen. [gedaagde 2] heeft immers in haar brief van 12 maart 2003 aan [X] heeft geschreven: “Wij willen betalen: de erfafscheiding […]”.

4.18. Van de kosten van Nigtevecht Beheer in verband met de erfafscheiding tussen de terreinen van partijen (€ 6.702,75) dient [gedaagden]. de helft, € 3.351,38, te vergoeden. De kosten voor de erfafscheiding tussen het terrein van [gedaagden]. en dat van [bedrijf 3], € 2.345,00, komen geheel voor rekening van [gedaagden]. Totaal dient [gedaagden]. ter zake van de erfafscheidingen € 5.696,38 te betalen.

Tussenconclusie

4.19. [gedaagden]. is aan Nigtevecht Beheer in totaal een bedrag van € 18.118,37 verschuldigd:

- Chemielinco/CSO € 7.176,69

- uitvoering sanering 5.245,30

- erfafscheidingen 5.696,38

Totaal € 18.118,37

Beroep op verrekening

4.20. Volgens [gedaagden]. heeft hij een vordering op Nigtevecht Beheer van € 8.003,11 ter zake van werkzaamheden in het kader van de sanering van het perceel. Dit bedrag bestaat uit € 7.932,07 (vermeld op het kostenoverzicht dat op 4 april 2003 aan Nigtevecht Beheer is verstrekt), verminderd met € 129,96 (2/3 van de opbrengst van € 194,94 van oud ijzer van de tanks; zie 2.16) en vermeerderd met € 201,00. Met betrekking tot dit laatste bedrag staat op de factuur van Nigtevecht Beheer van 12 maart 2003: “teveel berekent op uw rek: 03.116”. Aan het einde van zijn brief van 9 april 2003 heeft [X] PS opgemerkt: “Je meldde terecht dat er € 402,= teveel aan erfafscheidingsplaten was berekend.”. Gelet hierop en op de omstandigheid dat Nigtevecht Beheer in februari 2003 de helft van de kosten van de erfafscheiding aan [gedaagden]. in rekening heeft gebracht is aannemelijk dat het bedrag van € 201,-- met de erfafscheiding verband houdt.

4.21. [gedaagden]. beroept zich in verband met haar vordering op verrekening. Partijen zijn het erover eens dat deze vordering is verjaard. Volgens Nigtevecht Beheer brengt dit mee dat deze vordering niet kan worden verrekend. Dit verweer faalt op grond van artikel 6:131 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering.

4.22. Nigtevecht Beheer neemt het standpunt in dat zij [gedaagden]. niets verschuldigd is. In het kader van haar afwijzing van de kostenopstelling van [gedaagden]. voert Nigtevecht Beheer aan dat een deel van deze kosten betrekking heeft op werkzaamheden voor [bedrijf 3] Uit de kostenopstelling van [gedaagden]. blijkt dat hij in 2001 in de tuin van [bedrijf 3] een pad heeft aangelegd. De kosten daarvan bedragen in totaal € 2.193,48 en [gedaagden]. stelt dat Nigtevecht Beheer daarvan 2/3 deel, € 1.462,32, dient te vergoeden. De rechtbank ziet niet in op grond waarvan Nigtevecht Beheer in die kosten zou moeten bijdragen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen dit hebben afgesproken, terwijl [gedaagden]. ook niet uit het haar door Nigtevecht Beheer verstrekte kostenoverzicht van augustus 2002 en de factuur van 18 februari 2003 heeft kunnen afleiden dat het de bedoeling was van Nigtevecht Beheer om dergelijke kosten met [gedaagden]. te delen. Dit brengt mee dat het beroep op verrekening wordt afgewezen voor zover dat betrekking heeft op een bedrag van

€ 1.462,32.

4.23. Met betrekking tot de overige kosten van [gedaagden]. voert Nigtevecht Beheer aan dat uit de kostenopstelling van [gedaagden]. blijkt dat de schoonzoon van [gedaagde 1] werkzaamheden heeft verricht, terwijl destijds in onderling overleg was besloten dat de sanering door de firma [bedrijf 3] zou worden uitgevoerd. Voor zover Nigtevecht Beheer hiermee bedoelt te betogen dat zij niet voor 2/3 deel hoeft bij te dragen aan de met die werkzaamheden verbandhoudende kosten wordt dit verweer verworpen. Partijen hebben immers afgesproken dat Nigtevecht Beheer 2/3 van die kosten sanering voor haar rekening neemt. Vaststaat dat de door [gedaagden]. gespecificeerde werkzaamheden verband houden met het verwijderen van de olietanks op het deel van het perceel van Nigtevecht Beheer. Kennelijk met instemming van Nigtevecht Beheer zijn deze werkzaamheden uitgevoerd onder leiding van [gedaagde 1] en niet door de firma [bedrijf 3].

4.24. Uit het voorgaande volgt dat Nigtevecht Beheer € 6.540,79 (€ 8.003,11 –

€ 1.462,32) aan [gedaagden]. verschuldigd is. Dit bedrag zal met de vordering van Nigtevecht Beheer worden verrekend, zodat een vordering van Nigtevecht Beheer van € 11.577,58 resteert (€ 18.118,37 - € 6.540,79).

Vorderingen op [gedaagde 2] / hoofdelijkheid

4.25. De rechtbank volgt Nigtevecht Beheer in haar standpunt in dat zij de afspraak om de kosten te delen (2/3-1/3) met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk heeft gemaakt. Dit vindt immers steun in:

- de brief van 16 september 1999 van [A], waarin staat dat hem in zijn hoedanigheid van adviseur van [X] en de heer en mevrouw [gedaagde 1] is verzocht het bod op het perceel uit te brengen (zie 2.4)

- de brief van [gedaagde 2] van 12 maart 2003, waarin zij heeft geschreven: “Wij willen betalen: de erfafscheiding en de rek van Chemielinco voor ons deel”.

Het verweer van [gedaagden]. dat [gedaagde 2] niet mede-aansprakelijk is en dat de vorderingen tegen haar moeten worden afgewezen, wordt dan ook verworpen.

4.26. Nigtevecht Beheer vordert dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld. Een grondslag voor hoofdelijkheid voert zij niet aan. Artikel 6:6 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. Het tweede lid van genoemd wetsartikel bepaalt dat wanneer een prestatie ondeelbaar is of uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld voor het geheel aansprakelijk zijn, zij hoofdelijk zijn verbonden. De door Nigtevecht Beheer gevorderde hoofdsom is niet ondeelbaar. Voorts is niet gesteld of gebleken dat op de hoofdsom een wettelijke bepaling of een gewoonte van toepassing is die hoofdelijkheid meebrengt. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het bedrag van

€ 11.577,58 ieder voor de helft, dus voor € 5.788,79 dienen te betalen.

4.27. Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (zie hierna) zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wel hoofdelijk aansprakelijk. Beide vorderingen betreffen immers vergoeding van schade, terwijl artikel 6:102 BW bepaalt dat wanneer op ieder van twee of meer personen een verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade, zij hoofdelijk verbonden zijn.

Wettelijke rente

4.28. Nigtevecht Beheer vordert wettelijke rente met ingang van 2 augustus 2006. Uit de door haar overgelegde berekening van de wettelijke rente (productie 15 bij dagvaarding) volgt dat Nigtevecht Beheer hierbij het oog heeft op artikel 6:119 BW. Op die berekening is immers als soort rente vermeld de wettelijke rente voor consumententransacties (samengesteld), terwijl een door de rechtbank op de voet van artikel 6:119 BW uitgevoerde berekening nagenoeg uitkomt op het zelfde resultaat als op de door Nigtevecht Beheer overgelegde berekening (€ 4.628,58). Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente op de voet van artikel 6:119 BW is verzuim een vereiste. Terecht voert [gedaagden]. aan dat de brief van Nigtevecht Beheer van 25 juli 2006 geen aanmaning bevat tot betaling binnen een bepaalde (redelijke) termijn. [gedaagden]. is dus als gevolg van die brief niet in verzuim geraakt. Niet gesteld of gebleken is dat door of namens Nigtevecht Beheer op een ander moment een aanmaning is verzonden. [gedaagden]. is dan ook niet eerder dan met ingang van de datum van de dagvaarding (7 maart 2011) wettelijke rente verschuldigd.

Buitengerechtelijke kosten

4.29. Nigtevecht Beheer heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd tot een bedrag van € 1.158,-- (conform het rapport Voorwerk II). Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten (hoofdelijk) zal toewijzen. Aangezien de wettelijke rente hierover niet vanaf de datum van de dagvaarding maar vanaf 16 maart 2011 is gevorderd, zal de rechtbank deze met ingang van laatstgenoemde datum toewijzen.

Proceskosten

4.30. [gedaagden]. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de

proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Nigtevecht Beheer worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 1.181,00

- salaris advocaat 2.026,50 (3,5 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.283,81

De nakosten, waarvan Nigtevecht Beheer betaling vordert, zullen op de hierna onder “De beslissing” weergegeven wijze worden begroot en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten zal op de daar weergegeven wijze worden toegewezen.

Overig

4.31. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde 1] om aan Nigtevecht Beheer te betalen een bedrag van

€ 5.788,79 (vijfduizend zevenhonderdenachtentachtig euro en negenenzeventig eurocent),

5.2. veroordeelt [gedaagde 2] om aan Nigtevecht Beheer te betalen een bedrag van

€ 5.788,79 (vijfduizend zevenhonderdenachtentachtig euro en negenenzeventig eurocent),

5.3. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 11.577,58 met ingang van 7 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 1.158,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 16 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Nigtevecht Beheer tot op heden begroot op € 3.283,81, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, indien niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,-- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien de veroordeelden niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Nigtevecht Beheer aan het vonnis hebben voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.?