Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1084

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
16-601171-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte onder meer veroordeeld voor brandstichting. Het daartoe vereiste gemeen gevaar voor goederen is hierin gelegen, dat verdachte, naar de rechtbank aanneemt, niet op de hoogte was van de inhoud van de prullenbak die hij in brand heeft gestoken, terwijl geenszins ondenkbaar was dat die inhoud potentieel gevaarlijke goederen bevatte. Aan verdachte is onder meer een klinische behandeling in een door het IFZ te bepalen intramurale inrichting opgelegd, als bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601171-11 en 16/600093-11 (vordering TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1972] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Midden Holland,

Huis van Bewaring Haarlem

raadsman: mr. J.J. Eizenga, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering met bovenvermeld parketnummer tot tenuitvoerlegging behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: brand heeft gesticht in een prullenbak waardoor goederen in gevaar zijn gebracht;

Feit 2: aangever [aangever 1] heeft mishandeld en dat hij heeft gedreigd die [aangever 1] in brand te steken.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor wat betreft feit 1 baseert zij zich daarbij op de aangifte van [aangever 1], de verklaring van getuige [getuige 1], de bevindingen van verbalisanten naar aanleiding van het uitlezen van de camerabeelden en de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen. Voor wat betreft feit 2 baseert de officier van justitie zich eveneens op de aangifte van [aangever 1], de bevindingen van verbalisanten naar aanleiding van het uitlezen van de camerabeelden en de in beslag genomen voorwerpen. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de aanvullende verklaring van aangever [aangever 1] zoals afgelegd tijdens het telefonisch verhoor, de verklaring van getuige [getuige 2] en de verklaring van verdachte zelf.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het in artikel 157 Wetboek van Strafrecht beschreven strafbare feit vereist dat sprake is van gevaarzetting voor personen of goederen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De prullenbak is gemaakt van brandwerend materiaal en de inhoud heeft geen waarde. Volgens de verdediging komen brandjes in prullenbakken vaker voor. Het veroorzaken daarvan kan slechts vallen onder de delictsomschrijving van artikel 350 Wetboek van Strafrecht.

Voor wat betreft de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft bedreigd op de wijze als omschreven in de tenlastelegging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan gelet op de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 2 december 2011 omstreeks 17:41 uur zag dat een man in de centrale hal van het Centraal Station te Utrecht, ter hoogte van spoor 9, een stuk krant uit een prullenbak trok en deze aanstak met een grote blauwe aansteker. Vervolgens zag hij dat de man het stuk papier brandend terugstopte in de prullenbak, waarna rook en vlammen uit de prullenbak kwamen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat een man op genoemde dag en tijdstip naast de afvalbak stond en een krant aanstak, welke vervolgens vlam vatte. Kort daarna zag hij dat de prullenbak waar hij naast zat in brand stond. Hij zag dat een vrouw de brand daarna bluste met een fles water.

Na het bekijken van de camerabeelden van de stationshal d.d. 2 december 2011 is door een verbalisant gerelateerd dat daarop te zien is dat verdachte bij de prullenbak ter hoogte van spoor 9 blijft staan, waarna hij een lichtflits lijkend op vuur ziet ontstaan ter hoogte van de handen van verdachte. Vervolgens ziet hij de handen van verdachte bewegen in de richting van de prullenbak, waarna hij vlammen uit de prullenbak ziet komen. Een foto van dit moment geeft de tijdsaanduiding 17:40:40 uur aan.

Verdachte is aangehouden en onder hem is een grote blauwe aansteker in beslag genomen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de feitelijkheden zoals die staan omschreven in de tenlastelegging zich hebben voorgedaan.

De rechtbank overweegt dat voor gemeen gevaar voor goederen in de zin van artikel 157 Wetboek van Strafrecht is vereist dat het gevaar zich uitstrekt tot andere roerende en onroerende goederen dan het goed waarin de brand is gesticht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in de onderhavige zaak sprake was. Het gemeen gevaar voor goederen is hierin gelegen, dat verdachte, naar de rechtbank aanneemt, niet op de hoogte was van de inhoud van de prullenbak waarin hij het brandende stuk krant heeft gestopt. De verdachte heeft met die actie een groot risico genomen nu het geenszins ondenkbaar is dat de inhoud van de prullenbak potentieel gevaarlijke goederen bevatte, die door in aanraking te komen met de brandende krant, grote vlammen dan wel een ontploffing hadden kunnen veroorzaken. De omstandigheid dat de prullenbak, naar alle waarschijnlijkheid, van een brandwerend materiaal is gemaakt, maakt het voorgaande niet anders. Bovendien stond de prullenbak in een ruimte, waar op het tijdstip van de brandstichting veel mensen aanwezig waren. Ook bevonden zich in deze ruimte veel brandbare goederen. Het gevaar is vergroot, doordat verdachte het stuk krant buiten de prullenbak aanstak, alvorens het in de prullenbak te stoppen.

Dat de gevolgen uiteindelijk beperkt zijn gebleven, is onder meer te danken aan het doortastende optreden van de vrouw die de brand snel heeft geblust.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en heeft daarbij gelet op de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op 2 december 2011 een man aansprak in de centrale hal van het Centraal station te Utrecht, nadat hij omstreeks 17:41 uur had gezien dat deze man de inhoud van een prullenbak in brand had gestoken. Hij zag daarop dat de man heel dicht bij hem kwam staan en een dreigende houding aannam, waarna de man met zijn rechterhand op hem richtte. Hij zag dat de man een busje in zijn hand had, waarmee hij op hem spoot. Hij rook al snel dat het deodorant was. Hij voelde dat de man hem in zijn gezicht raakte met de spray. Hij voelde daardoor pijn in zijn gezicht en irritaties in zijn ogen.

Aangever [aangever 1] hoorde de man zeggen: “Ga weg of ik steek u in de fik”. Hij zag dat de man de aansteker had opgestoken en de deodorant door de vlam spoot waardoor een grote steekvlam ontstond. De aangever hoorde de man zeggen: “Je wilt niet weg gaan, ik ga je nu echt in de fik steken”. Hij hield de vlam continu aan en liep op hem af. De vlam was ongeveer 50 centimeter van hem verwijderd, aldus aangever. Hij voelde zich bang en bedreigd. Hij had op dat moment een muts van polyester op en wist dat zulk materiaal heel goed brandt.

Na het bekijken van de camerabeelden van de stationshal d.d. 2 december 2011 is door een verbalisant gerelateerd dat daarop te zien is dat aangever achter de verdachte aanrent. Vervolgens ziet de verbalisant dat verdachte in de richting van aangever loopt en een slaande beweging in zijn richting maakt. Daarbij lijkt het of alsof verdachte een klein donker voorwerp in zijn hand heeft.

Onder verdachte is zowel een grote blauwe aansteker, als een busje deodorant in beslag genomen.

Verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris bekend dat hij met een spuitbus deodorant in de richting van aangever heeft gespoten. Dat hij ook een brandende aansteker in de richting van aangever heeft gehouden en hem daarbij woordelijk heeft bedreigd, ontkent hij.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de beschrijving van de camerabeelden een bevestiging vormt voor de door aangever genoemde confrontatie, waarbij verdachte zich op hem richtte. Gelet op het aantreffen van de aansteker bij verdachte, in samenhang met de verklaring van aangever bezien, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring op voldoende essentiële onderdelen wordt bevestigd, zodat zij de aangever in zijn lezing van de gebeurtenissen zal volgen. De rechtbank acht het derhalve voldoende aannemelijk dat verdachte aangever eveneens woordelijk en tevens ook met de brandende aansteker heeft bedreigd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 2 december 2011 te Utrecht, opzettelijk brand heeft gesticht in een prullenbak

in de centrale hal van Centraal Station Utrecht, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

met een aansteker een hoeveelheid krantenpapier aangestoken en vervolgens dat

brandende papier in voornoemde prullenbak gestopt, ten gevolge waarvan brand

is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

2.

op 2 december 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend deodorant heeft gespoten

in het gezicht van [aangever 1], waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

op 2 december 2011 te Utrecht, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend deodorant gespoten

in het gezicht van die [aangever 1] en vervolgens dreigend tegen die [aangever 1] gezegd : "ga

weg, of ik steek u in de fik" en "je wilt niet weggaan, ik ga je nu echt in de fik steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en op korte afstand aan die

[aangever 1] een aansteker heeft getoond en deze aansteker heeft aangestoken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2:

- mishandeling, en

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek tot het opstellen van een rapport over zijn persoonlijkheid, door de psychiater J. Koning. Teneinde zich een beeld te vormen over verdachte heeft de rechtbank derhalve kennis genomen van een rapport van V. Höllander, psychiater in opleiding en F. Nhass, psychiater, van 14 juni 2011 dat zij ten behoeve van een eerdere strafzaak over de persoon van verdachte hebben uitgebracht.

In dit rapport wordt vermeld dat verdachte lijdt aan een Persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met trekken uit het cluster B (antisociale, borderline en narcistische trekken), wat in belangrijke mate wordt gekenmerkt door de neiging verantwoordelijkheden en oorzaken van problemen toe te schrijven aan anderen dan zichzelf. Met betrekking tot de op dat moment aanhangige feiten was het advies verdachte, in geval van een bewezenverklaring, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Voornoemde psychiater J. Koning rapporteert in zijn rapportage van 28 februari 2012 op basis van het contact dat hij met verdachte heeft gehad dat het vermoeden bestaat dat bij verdachte sprake is van een ernstige psychopathologie.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting te kennen gegeven ervan uit te gaan dat de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte bij hem een rol heeft gespeeld op 2 december 2011. Zij gaat er derhalve vanuit dat hij ook op dat moment in enige mate verminderd toerekeningsvatbaar was.

De rechtbank sluit zich hierbij aan. Zij neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden:

- verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een meldgebod;

- verblijf in en meewerken aan een behandeling in een intramurale inrichting te bepalen door het IFZ, welke behandeling 12 maanden zal moeten duren of zoveel korter als de leiding in overleg met de reclassering noodzakelijk acht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering tenuitvoerlegging van 6 maanden gevangenisstraf toe te wijzen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de centrale hal van Utrecht Centraal Station. Voor verdachte was niet duidelijk wat zich in de prullenbak bevond. Door deze inhoud toch met vuur in aanraking te brengen, heeft hij een groot risico genomen. De mogelijkheid van het ontstaan van grote vlammen dan wel ontploffing heeft hij voor lief genomen. Door zijn handelen hadden ernstige gevolgen kunnen ontstaan. Zulks geldt te meer daar zich in de ruimte waar de prullenbak stond veel brandbaar materiaal bevond en ten tijde van de brandstichting veel mensen in de nabije omgeving aanwezig waren. Onder dergelijke omstandigheden brand stichten kan tot het ontstaan van gevaar en angstige taferelen leiden.

Aangever [aangever 1] heeft verdachte aangesproken op zijn gevaarlijke gedrag. Verdachte heeft aangever als reactie hierop in zijn gezicht gespoten met deodorant. Tevens heeft hij hem op akelige wijze bedreigd met een brandende aansteker en daarbij de woorden toegevoegd dat hij hem in de fik zal steken. De angst die hierdoor bij aangever ontstond was groot. Zijn verklaring dat hij een muts van polyester droeg, waarvan hij wist dat dit een zeer brandbaar materiaal is, is in dat verband veelzeggend. Bij hem bestond werkelijk de idee dat hij zich in een levensbedreigende situatie bevond.

Dat verdachte op deze wijze reageert op iemand die hem met goede bedoelingen aanspreekt op zijn gedrag, laat zien dat verdachte een impulsief type is die de gevolgen van zijn handelen niet geheel overziet.

C. Cartmel van Reclassering Nederland, die in het kader van een schorsingstoezicht toezicht hield op de bij die schorsing aan verdachte opgelegde bijzondere voorwaarden, heeft in zijn rapport van 13 december 2011 bericht dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, namelijk meewerken aan toezicht en behandeling op ambulante basis. De Reclassering ziet geen mogelijkheden tot een succesvolle uitvoering. Er is, zo meldt Cartmel, sprake van dusdanige psychische problematiek, gepaard gaande met een zeer hoog recidiverisico, dat reclasseringstoezicht met behandeling op ambulante basis niet afdoende is. Het ACT-team en de Reclassering zijn van mening dat verdachte, gelet op zijn problematiek, klinische opname behoeft. In zijn rapport van 20 december 2011 heeft Cartmel gerapporteerd dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de hem vervolgens opgelegde verplichte (klinische) behandeling bij Roosenburg. Verdachte stelde zich bovendien imponerend en bedreigend op. Ook op basis van die aangepaste bijzondere voorwaarden ziet de Reclassering geen mogelijkheden om tot een succesvolle uitvoering van het schorsingstoezicht te komen, zodat het toezicht wordt teruggemeld.

Deskundige Gras heeft ter terechtzitting bevestigd dat verdachte veelal een geagiteerde en geladen houding heeft. Hij externaliseert en wenst niet dat men aan hem komt. Hij heeft een vaste overtuiging, een waanachtige beleving. Met zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, is ambulante begeleiding niet mogelijk, maar is behoefte aan een dwingende, gesloten behandelsituatie, aldus de deskundige.

De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming omtrent de strafoplegging gelet op voornoemde rapporten en op de vermelde opvattingen van de deskundige. Daarnaast heeft zij gelet op de justitiële documentatie van verdachte d.d. 5 december 2011, waarin melding wordt gemaakt van meerdere gewelddadige delicten.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte een bepaalde mate van zorg en beveiliging nodig heeft. Hij zal daartoe een klinische behandeling moeten ondergaan voor de duur van ten hoogste 12 maanden. Aangezien thans nog niet duidelijk is op welke wijze aan een dergelijke klinische behandeling vorm kan worden gegeven, zal de rechtbank dit opleggen als een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Door het IFZ zal daartoe zo spoedig mogelijk een geschikte behandelinrichting moeten worden aangewezen.

De ernst van de feiten dient echter ook tot uitdrukking te komen in de strafmaat, zodat de rechtbank een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk zal opleggen.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 19 september 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten omdat het niet in het belang van de noodzakelijke behandeling van verdachte is hem langer in detentie te laten doorbrengen dan strikt nodig, ten gevolge van de wachttijd voor zijn opname. Evenmin acht de rechtbank het wenselijk verdachte na afloop van zijn behandeling direct in detentie terug te laten keren. Om de waarschuwing die uitgaat van de voorwaardelijke opgelegde straf wel voort te laten duren, zal de rechtbank de aan de voorwaardelijke straf verbonden proeftijd verlengen met een jaar. De daarbij opgelegde bijzondere voorwaarde kan in stand blijven, aangezien deze niet strijdig is met de bijzondere voorwaarde zoals die zal worden geformuleerd bij de thans op te leggen straf.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 27, 57, 157, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1:

- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

Feit 2:

- mishandeling, en

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat verdachte tijdens de proeftijd (een van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat wenselijk acht;

- dat de veroordeelde zal verblijven in en zal meewerken aan een klinische behandeling in een voor de veroordeelde meest geschikte behandelsetting in een intramurale inrichting te bepalen door het IFZ, dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een dergelijke klinische behandeling zal kunnen worden gegeven, met inachtneming van de mate van zorg en beveiliging die voor veroordeelde noodzakelijk is. De behandeling van veroordeelde zal 12 maanden duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

- draagt deze (reclasserings)instelling op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- verlengt de proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2012.