Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1081

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
16-711981-09 (vonnis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren wegens wietteelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711981-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats]

adres hebbende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode 19 oktober 2008 tot en met 19 oktober 2009 samen met een ander danwel alleen betrokken is geweest bij hennepkwekerijen in [woonplaats], dan wel dat verdachte samen met een ander danwel alleen opzettelijk hennep aanwezig heeft gehad;

3. De voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige doorzoeking aan de [adres]. Volgens de verdediging wordt dit adres niet genoemd in de anonieme meldingen (M-meldingen) en zijn er geen warmtemetingen verricht. Er is volgens de verdediging geen sprake van een redelijk vermoeden dat op dat adres een overtreding van de Opiumwet plaatsvond. Voorts stelt de verdediging dat ook het binnentreden op het perceel [adres] onrechtmatig is geweest, want ook hier zou geen sprake zijn van een redelijkerwijs vermoeden in de zin van de Opiumwet. De informatie uit de M-meldingen ziet alleen op de [adres] te [woonplaats]. Uit het dossier blijkt niet waarom de politie de adressen op de [adres] in verband brengt met de [adres]. Tot slot voert de raadsman aan dat de aanvragen tot doorzoeking ontbreken in het dossier, waardoor de verdediging de rechtmatigheid van de doorzoeking niet kan toetsen. De raadsman is van mening dat het gebrekkige dossier en de onrechtmatige binnentreding/doorzoeking onherstelbare vormverzuimen zijn die primair dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Subsidiair voert de raadsman aan dat de geconstateerde onherstelbare vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van al hetgeen opde percelen is aangetroffen.

3.1.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

De doorzoekingen zijn in voldoende mate te toetsen op rechtmatigheid. De doorzoeking in de woning aan de [adres] was rechtmatig omdat verdachte op dat adres in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) staat ingeschreven en verdachte verdacht werd van het in bezit hebben van de gestolen sieraden. Het is logisch dat de politie dan op het GBA-adres gaat zoeken en de inhoud van de M-meldingen betreffende een hennepkwekerij meeneemt. De doorzoeking aan de [adres] was eveneens rechtmatig nu de warmtemeting op de [adres] een verhoogde temperatuur liet zien bij het perceel [adres] wat kan duiden op een hennepkwekerij.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt de verweren omdat er geen sprake is van een vormverzuim en overweegt daartoe als volgt.

Weliswaar bevat het dossier niet alle stukken om te toetsen wat de grondslag van het vooronderzoek is geweest, maar de rechtbank constateert dat de rechter commissaris de inhoud van de aanvraag van de doorzoekingen heeft beoordeeld, en akkoord bevonden en toestemming heeft gegeven om de drie percelen ([adres], [adres] en [adres]) te doorzoeken. Ook is er een warmtemeting ten aanzien van het perceel [adres] uitgevoerd waarbij bleek dat er op het perceel [adres] mogelijk sprake was van een hogere temperatuur, wat kan duiden op de aanwezigheid van een hennepkwekerij. Voorts heeft de verdediging niets aangevoerd waardoor de rechtbank binnen het kader van een beperkte toetsing bij dit vonnis anders dan de rechter commissaris zou dienen te beslissen. Nu niet is gebleken van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, komt de rechtbank niet toe aan de mogelijke consequenties die daaraan op grond van de wet kunnen worden verbonden. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in haar vervolging.

3.2. De overige voorvragen

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de M-meldingen, op het gegeven dat verdachte ingeschreven staat in het GBA op het adres [adres], op het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het aantreffen van de hennepplantages en op de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], inhoudende dat verdachte woonachtig is aan de [adres].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is subsidiair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte. Dit te meer omdat de resultaten van de doorzoekingen moeten worden uitgesloten voor het bewijs vanwege vormverzuimen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Aanleiding

Op 22 juli 2009 komt er bij de politie een M-melding binnen dat de heer [getuige 2] een hennepkwekerij zou hebben op een terrein aan de [adres] in [woonplaats]. De politie denkt dat waarschijnlijk [verdachte], 28-04-1973 [adres] [woonplaats] wordt bedoeld.

Op 27 juli 2009 komt er wederom een M-melding bij de politie binnen. [verdachte] zou op de [adres] te [woonplaats] hennep kweken. Uit bevindingen van het Regionaal Informatie Knooppunt staat op dit adres echter geen [verdachte] vermeld.

Op 11 september 2009 werd er door opsporingsambtenaren van de Dienst Luchtvaartpolitie van het KLPD een warmtemeting gedaan. Op de beelden is te zien dat in het midden van de rechterzijde van het dak van de los staande schuur op perceel [adres] een donkere vlek oplicht. Dit kan duiden op een hogere temperatuur.

Op 17 september 2009 komt een derde M-melding binnen met dezelfde strekking. [verdachte] heeft een hennepkwekerij aan de [adres] te [woonplaats].

Op 18 september 2009 komt er van de afdeling regionale criminele inlichtingen eenheid van de politie Utrecht de informatie binnen dat een grote partij dure gestolen sieraden in het bezit is van [verdachte] uit [woonplaats]. Er worden twee telefoonnummers genoemd en uit de politiesystemen BPS en HKS blijkt het te gaan om [verdachte] met geboortedatum [1973]. Deze [verdachte] (junior) staat volgens de Gemeentelijk Basis Administratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. De wijkagent weet dat dit het adres is van de ouders van [verdachte] (junior). Gezien bovenstaande anonieme meldingen is het aannemelijk dat [verdachte] (junior) kennelijk al jaren op grote schaal bezig is met het telen van hennep en het is niet uit te sluiten dat dit in georganiseerd verband plaatsvindt. Uit onderzoek blijkt voorts dat de percelen [adres] en [adres] in elkaars verlengde liggen en op naam staan van [verdachte] (junior).

Naar aanleiding van alle bovengenoemde informatie werd in overleg met de officier van justitie besloten om een doorzoeking te laten plaatsvinden in de navolgende percelen: [adres], [adres] en [adres] te [woonplaats]. Op een aanvraag voor deze doorzoekingen is door de rechter commissaris toestemming verleend. Met betrekking tot het verweer dat de resultaten van de doorzoekingen moeten worden uitgesloten voor het bewijs vanwege vormverzuim herhaalt de rechtbank als hiervoor overwogen onder 3.1.3. dat er geen sprake is van vormverzuim en dat daarmee de eventuele consequentie van bewijsuitsluiting, niet aan de orde is.

Bewijs

Op 19 oktober 2009 vond in het perceel [adres] [woonplaats], gemeente [woonplaats], een doorzoeking plaats. Het pand was bereikbaar via de oprit van het perceel [adres]. Buiten het pand rook de verbalisant een lichte henneplucht. Hij zag in het pand een doos van een luchtfilter staan welke hij ambtshalve kent als een zogenaamd luchtfilter welke veelal bij hennepkwekerijen gebruikt wordt. Gelet op bovenstaande werd een in werking zijnde hennepkwekerij in het pand vermoed. Op de zolder werd in drie verschillende compartimenten een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.

Verbalisant [verbalisant] spreekt met een bewoner van het aangrenzend perceel, [adres], genaamd [getuige 1]. Hij verklaart dat het pand, dat door de politie doorzocht wordt, van zijn oom [verdachte] (junior) is. Een andere bewoonster van de [adres], genaamd [getuige 1], verklaart de moeder van [getuige 1] te zijn en de zus van [verdachte] (junior). Zij verklaart voorts dat het pand waar de politie de hennepkwekerij heeft aangetroffen van haar broer is, [verdachte], geboren op

[1973]. Zij zegt dat zij op het zelfde terrein woont waar ook haar broer woont. Zij had geen zicht op de schuur van haar broer en die hield de schuur altijd dicht.

In het pand wordt onder meer het volgende aangetroffen:

196 planten van ongeveer 6 weken oud, 279 planten van ongeveer 3 weken oud en 645 planten van ongeveer 9 weken oud. In alle planten waren bloemtoppen aanwezig. Er werden ongeveer 2227 gebruikte potten geteld en 146 nieuwe potten.

Door verbalisant [verbalisant] is uit iedere ruimte een aantal representatieve planten als monster veilig gesteld. Deze zijn ter plaatse geanalyseerd. Alle hennep testen waren positief. In het proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend dat in ruimte 2 een periode van kweek van maximaal 301 dagen geldt. Dit is van 22 december 2008 tot en met 19 oktober 2009.

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat gelet op bovenstaande bewijsmiddelen vast staat dat verdachte woont op het terrein naast de [adres] ([adres] en [adres]) en dat hij de beschikking had over de schuur en de zolder waar de hennepkwekerij is aangetroffen. Ten aanzien van de tenlastegelegde periode is de rechtbank van oordeel dat er voor het aantreffen van de in werking zijnde hennepkwekerij eerder hennep is geoogst.

Dit blijkt uit de restanten uit eerdere oogsten, zoals planten(toppen) die te drogen hangen, veel meer stekbakken dan aanwezige planten, sterk vervuilde koolstoffilters, gebruikte groeimiddelen (lege jerrycans), stof op lampenkappen, kalkafzetting in plantenbakken, vloeistofvaten en een vuilniszak met knipafval.

De rechtbank concludeert hieruit dat in de hennepkwekerij in ieder geval minimaal twee maal eerder is geoogst. De aangetroffen planten waren maximaal 9 weken oud en met twee eerdere oogsten (hier staat 10 weken per oogst voor) kan de rechtbank concluderen dat er minimaal 29 weken gekweekt is. Dit valt binnen de tenlastegelegde periode, te weten 30 maart 2009 tot en met 19 oktober 2009) en deze periode zal daarom door de rechtbank bewezen worden verklaard. De rechtbank concludeert dat verdachte verantwoordelijk is geweest bij het opzetten, onderhouden, oogsten en afzetten van de geoogste hennep in de periode van 19 oktober 2008 tot en met 19 oktober 2009. Verdachte heeft hier zowel bij de politie als ter terechtzitting niets tegenin gebracht.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de hennepteelt op de [adres]. De rechtbank spreekt verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij. Uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte als enige persoon de hennepkwekerij in zijn woning aan de [adres] in werking heeft gehad zodat hij van het medeplegen van dit feit zal worden vrijgesproken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 19 oktober 2008 tot en met 19 oktober 2009, te [woonplaats], gemeente [woonplaats], opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt (in een pand gelegen aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1120 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Zij heeft bij de strafmaat rekening gehouden met het tijdsverloop sinds 19 oktober 2009.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat er geen sprake is van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EVRM). De raadsman verzoekt de schending te verdisconteren in de hoogte van een eventuele strafmaat danwel de hoogte van een eventuele ontnemingssom.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft door aldus te handelen zijn eigen financieel gewin dat hij met de kwekerij wilde behalen boven de volksgezondheid laten prevaleren. Daarbij heeft verdachte als kweker van een aanzienlijke hoeveelheid hennep onderdeel uitgemaakt van een keten van criminele activiteiten die de samenleving ontwricht. Verder heeft hij met zijn gesloten houding in de procedure geen blijk getoond van inzicht in de nadelige gevolgen van zijn handelen voor anderen en geen berouw getoond.

De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Ten aanzien van het verzoek van de raadsman om een overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de strafmaat danwel de hoogte van het ontnemingsbedrag is de rechtbank van oordeel dat, nu verdachte op 3 november 2009 is aangehouden en het vonnis in deze strafzaak dateert van 27 maart 2012 er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hoogte van de strafeis, de officier van justitie ruimschoots met een overschrijding van de redelijke termijn rekening heeft gehouden. De rechtbank zal wegens de overschrijding van de redelijke termijn een straf opleggen die gelijk is aan de vordering van de officier van justitie.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

17 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden strafrechtelijk is veroordeeld, doch niet wegens soortgelijke feiten;

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Partiële vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het telen van hennep aan de [adres] en van het medeplegen van het telen van hennepplanten aan de [adres];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, mr. E.A. Messer en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2012.