Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0993

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
16-711981-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 160.498,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711981-09 (ontneming)

vonnis van de rechtbank d.d. 27 maart 2012

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats]

adres hebbende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utecht

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/711981-09 waaruit blijkt dat veroordeelde op

27 maart 2012 door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht is veroordeeld terzake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 19 oktober 2008 tot en met 19 oktober 2009, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier rechercheur bij de politie Utrecht, gesloten en ondertekend 29 november 2008, pagina 185 tot en met pagina 199 van het hoofdproces-verbaal met nummer PL0960/09-018637.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 13 maart 2012 zijn de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman gehoord.

2. De beoordeling.

De officier van justitie heeft de vordering van € 305.000,- gehandhaafd.

De raadsman heeft gepleit voor afwijzing van de gehele vordering en heeft geen specifiek verweer gevoerd tegen de verschillende posten en berekeningswijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in voornoemd proces-verbaal ‘dossier wederrechtelijk verkregen voordeel’ en gebaseerd op de zogenoemde BOOM normen, in beginsel juist is. De berekening is door de verdediging niet gemotiveerd weersproken.

Met betrekking tot de periode die voor de berekening als uitgangpunt dient, knoopt de rechtbank aan bij het proces-verbaal van bevindingen waarin staat dat er meerdere oogsten zijn geweest. Gelet op de foto’s in het dossier en de afvalproducten genoemd in het proces-verbaal van bevindingen, komt de rechtbank tot de conclusie dat er in ruimte 1 minimaal één eerdere oogst is geweest en in ruimte 2 en 3 minimaal twee eerdere oogsten zijn geweest. Voor meer dan twee oogsten in de ruimte 2 en 3 vindt de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank maakt deze uitgangspunten en tot de hare en komt de door de officier van justitie gepresenteerde opstelling volgend tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Berekening opbrengst ruimte 1

Berekening opbrengst ruimte 2

Berekening opbrengst ruimte 3

De rechtbank stelt de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op

€ 160.498,- en legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat te betalen een bedrag van € 160.498,-.

De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven tot het toepassen van haar matigingsbevoegdheid.

3. De toegepaste wettelijke bepalingen.

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4. De beslissing.

De rechtbank stelt het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op

€ 160.498,-.

Zij legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 160.498,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, mr. E.A. Messer en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2012.