Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0928

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
16/994012-10 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:6032, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verdachte over 2006 en 2007 een onjuiste aangifte van zijn inkomstenbelasting heeft gedaan. Door facturen voor privé-uitgaven voor onder meer verbouwingen van woningen van de verdachte in het buitenland in rekening te laten brengen bij vennootschappen waar de verdachte bestuurder was, werd ten onrechte omzetbelasting in mindering gebracht en inkomstenbelasting ontdoken. Aan de bedrijven die de facturen stuurden werd gevraagd om valse facturen op te maken, die konden worden opgenomen in de administraties van de verschillende bedrijven. Door het opnemen van de valse facturen in de administraties, pleegde de verdachte valsheid in geschrifte. Verdachte was initiator. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-1094

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994012-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 april 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Als raadslieden zijn namens verdachte verschenen mr. F.H.H. Sijbers en mr. L.H.E. Møller, beiden advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 20 en 21 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet samen met een ander

Feit 1: opzettelijk aangiften Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen onjuist dan wel onvolledig heeft gedaan;

Feit 2: feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 14];

Feit 3: feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 1];

Feit 4: feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 2];

Feit 5: feitelijk leiding heeft gegeven aan het plegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 3];

Feit 6: feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist dan wel onvolledig doen van aangiften Omzetbelasting door [bedrijf 15];

Feit 7: feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist dan wel onvolledig doen van aangiften Omzetbelasting door [bedrijf 2];

Feit 8: opzettelijk aangifte Omzetbelasting onjuist dan wel onvolledig heeft gedaan.

3 De voorvragen

3.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ten aanzien van de feiten 1 tot en met 7, nu namens verdachte zowel objectief als subjectief gezien vrijwillig melding is gedaan bij de Belastingdienst over de afwikkeling van hetgeen in deze ten laste gelegde feiten is opgenomen. Deze melding dient gekwalificeerd te worden als vrijwillige verbetering in de zin van artikel 69 derde lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR).

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte pas op 3 juli 2009 werd ingelicht over verkeerde boekingen in de administratie met betrekking tot een aantal privéverbouwingen van verdachte die zakelijk waren verantwoord. Vrijwel direct hierna heeft op 6 juli 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [betrokkene] van Deloitte (namens de [bedrijf]) en de Belastingdienst, waarbij door de heer [betrokkene] melding is gemaakt van het feit dat verkeerde boekingen in fiscale aangiften waren verwerkt, maar dat dit gecorrigeerd zou worden nadat de omvang van de verkeerde boekingen onderzocht was. De voorlopige bevindingen van Deloitte zijn per fax op 10 juli 2009 aan de Belastingdienst meegedeeld.

De melding van 6 juli 2009 dient gezien te worden als een vrijwillige verbetering in de zin van artikel 69, derde lid AWR, welk artikel ziet op de inkeerregeling in het kader van een strafvervolging. Voor toepassing van artikel 69, derde lid, AWR gaat het er niet om of de autoriteiten de omissies op het spoor zijn. Het gaat erom of de inkeerder redelijkerwijs moet vermoeden dat de autoriteiten hem op het spoor zijn. Derhalve is voor een geslaagd beroep op artikel 69, derde lid AWR niet doorslaggevend of reeds een boekenonderzoek is aangevangen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op het moment, te weten 6 juli 2009, waarop namens de [bedrijf] bij de Belastingdienst is gemeld dat verkeerde boekingen in de administratie waren gedaan, het bij verdachte al duidelijk was dat de Belastingdienst valse facturen kon hebben gevonden. Immers, eind april 2008 was door de Belastingdienst een oriënterend onderzoek aangekondigd dat werd gevolgd door de melding op 24 juni 2009 van een boekenonderzoek. Op 1 juli 2009 is door de Belastingdienst geconstateerd dat valse facturen in de administratie van bedrijven behorende tot de [bedrijf] zijn verwerkt. Daarna is namens verdachte door Deloitte contact opgenomen met de Belastingdienst, waarna, naar aanleiding van het gesprek op 6 juli 2009, door de Belastingdienst aan Deloitte is meegedeeld dat van vrijwillige verbetering geen sprake kan zijn. Reeds hierom kan van vrijwillige inkeer geen sprake zijn.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat voor een geslaagd beroep op artikel 69, derde lid AWR niet beslissend is of de belastingplichtige subjectief gezien ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of onvolledigheid van die aangifte, maar of hij - objectief gezien - op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met die onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden.

Nu van vrijwillige inkeer geen sprake kan zijn, dient het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat op 16 april 2008, in het kader van het landelijk onderzoek Nokvorst, door de Belastingdienst een oriënterend onderzoek naar de aangiften inkomstenbelasting van verdachte is aangekondigd. Het doel van dit oriënterend onderzoek was om inzicht te krijgen in de belangen die verdachte had in verschillende rechtspersonen en vastgoedtransacties waarbij verdachte van 2003 tot en met 2007 betrokken was. De verkoop van het pand aan de [adres] te [woonplaats], waarop het onder feit 2 tenlastegelegde ziet, was onderdeel van dit oriënterend onderzoek. Bij brief van 9 februari 2009 is door de Belastingdienst aan de belastingadviseur van verdachte aangekondigd dat een regulier onderzoek zal worden ingesteld. Daarbij is om gegevens verzocht waaronder kopieën van de facturen die verdachte heeft ontvangen inzake de afbouwverplichting. Op 22 juni 2009 is door [ambtenaar belastingdienst], controlerend ambtenaar bij de Belastingdienst, een derdenonderzoek gestart bij [bedrijf 4] Tijdens dit onderzoek is aan [adres] aangeboden de originele administratieve bescheiden mee te nemen naar de Belastingdienst, hetgeen [adres] heeft gedaan. Op 24 juni 2009 is door de Belastingdienst aan [bedrijf 2], [bedrijf 14] en [bedrijf 15] meegedeeld dat een boekenonderzoek wordt ingesteld. Vervolgens zijn op 1 juli 2009 diverse audit-files bij onderdelen van het [bedrijf] opgehaald en zijn werkafspraken gemaakt over het verstrekken van de ordners betreffende de panden waarvoor de onderzoeken aangekondigd waren. De bedoeling was deze ordners op 7 juli 2009 in te zien. Op 6 juli 2009 wordt door de heer Leverman van Deloitte – namens verdachte – verzocht om overleg met de Belastingdienst dat diezelfde dag plaatsvindt. Door Deloitte wordt in dit overleg medegedeeld dat zij op 3 juli 2009 zijn ingelicht door de administrateur van het [bedrijf], medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), dat verkeerde boekingen in de administratie van het [bedrijf] zijn gedaan; het gaat om aanzienlijke bedragen. Per brief van 16 juli 2009 wordt door de Belastingdienst aan Deloitte meegedeeld dat van vrijwillige verbetering geen sprake kan zijn.

Voor de beoordeling van de kans van slagen van een beroep op artikel 69, derde lid, AWR is volgens de Hoge Raad (30 maart 2010, NJ 2010, 199) niet beslissend of de belastingplichtige – subjectief gezien – ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar of hij – objectief gezien – op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op 6 juli 2009 geen sprake meer kon zijn van vrijwillige verbetering in de zin van artikel 69, derde lid, AWR. Ruim een jaar nadat het oriënterend boekenonderzoek was aangekondigd, is door Deloitte melding gemaakt van verkeerde boekingen in de administratie van het [bedrijf]. Het boekenonderzoek was reeds in volle gang, er had een derdenonderzoek plaatsgevonden, de Belastingdienst was in het bezit van diverse auditfiles van het [bedrijf] en er waren werkafspraken gemaakt over het ophalen van ordners betreffende de panden waarnaar onderzoek werd gedaan. Binnen het [bedrijf] moest men dus op 6 juli 2009 redelijkerwijs vermoeden dat de ambtenaren van de Belastingdienst met de verkeerde boekingen bekend waren of bekend zouden worden. Dit staat aan een geslaagd beroep op artikel 69, derde lid, AWR in de weg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Ter zake van feit 1

Verdachte was niet feitelijk betrokken bij de indiening van de aangiften inkomstenbelasting, zoals aan hem onder feit 1 tenlastegelegd. Derhalve kan verdachte niet als pleger worden aangemerkt. Evenmin kan verdachte als medepleger aangemerkt worden, nu het dubbel opzet – het opzet op de samenwerking met de pleger en het opzet op het strafbare feit – ontbreekt. Van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [belastingadviseur] (die als belastingadviseur de aangiften inkomstenbelasting heeft ingediend) is geen sprake, omdat de onjuiste gegevens niet door verdachte zelf aan [belastingadviseur] zijn verstrekt, maar door zijn echtgenote en een medewerker van de [bedrijf]. Er is niet gebleken van enige betrokkenheid bij, of bemoeienis van verdachte met het indienen van de betreffende aangiften. Verdachte dient dan ook van hetgeen hem onder feit 1 ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

Ter zake van feit 2 tot en met 5

Het opnemen van één valse factuur maakt niet per definitie een hele bedrijfsadministratie, vals. Om een hele administratie als vals aan te merken dienen de valse bescheiden van voldoende omvang te zijn ten opzichte van de gehele administratie. Door de valse stukken moet de administratie dusdanig worden beïnvloed dat deze in zijn totaliteit de publica fides op het verkeerde been zet. Dit is niet het geval. De bedrijfsadministraties van de betreffende BV’s zijn derhalve niet als vals aan te merken . Verdachte dient dan ook van hetgeen hem onder de feiten 2 tot en met 5 ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

Ter zake van feit 6 en 7

Ten aanzien van de feiten opgenomen onder 6 en 7 op de tenlastelegging, is door de aannemers over de verrichte verbouwingswerkzaamheden aan het huis in Antibes ten onrechte geen BTW in Frankrijk, maar in Nederland in rekening gebracht. De Nederlandse aannemers hadden Franse BTW in rekening moeten brengen en die BTW aan de Franse fiscus moeten afdragen. Verdachte had die Franse BTW vervolgens als privépersoon niet in aftrek kunnen brengen. Voor de Nederlandse fiscus was het resultaat dan nihil geweest. Dat nihil resultaat heeft de (de rechtbank leest: Nederlandse) fiscus in het onderhavige geval behaald. Enerzijds is Nederlandse BTW ontvangen en ook aan de fiscus afgedragen en anderzijds heeft de onderneming van verdachte een even groot bedrag aan Nederlandse BTW in aftrek genomen. Dit maakt dat de Nederlandse fiscus geen nadeel heeft ondervonden of zal ondervinden. Hierdoor is niet voldaan aan het strekkingsvereiste ex artikel 69, tweede lid, AWR, nu het feit er niet toe strekt dat te weinig belasting in Nederland wordt geheven. Ook kan, gelet op het neutraliteitsbeginsel, niet vast komen te staan dat de betreffende vennootschappen de Nederlandse aangifte omzetbelasting onjuist hebben gedaan op een wijze die ertoe strekt dat te weinig Nederlandse belasting is of wordt geheven. Verdachte dient dan ook van hetgeen hem onder de feiten 6 en 7 ten laste is gelegd te worden vrijgesproken.

Ter zake van feit 8

Dit feit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte had niet het opzet een onjuiste aangifte omzetbelasting te doen. Bovendien heeft verdachte niet de kans gehad tegen het einde van het boekjaar (2010) een suppletieaangifte te doen, omdat het feit al op de tenlastelegging was gezet. Voorts ontbreekt elke betrokkenheid van verdachte bij het indienen van de bewuste aangifte omzetbelasting. Verdachte dient ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ter zake van feitelijk leidinggeven

Verdachte kan niet als feitelijk leidinggever van de aan hem verweten strafbare gedragingen worden aangemerkt, nu hij geen wetenschap heeft gehad noch kon hebben gehad van de aan hem onder 2 tot en met 7 ten laste gelegde gedragingen. Verdachte was niet betrokken bij de facturatie en had dus geen wetenschap of bewustzijn van de vermeende verboden gedragingen. Evenmin heeft verdachte enige bemoeienis gehad met de aangiften omzetbelasting van zijn vennootschappen in de tenlastegelegde perioden. Met de financiële administratie had verdachte niets van doen. Binnen de [bedrijf] was de financiële administratie, gezien ook de routing van facturen, zodanig ingericht dat voorkomen werd dat een strafbaar feit als valsheid in geschrift mogelijk zou zijn binnen de [bedrijf]. Bovendien heeft verdachte geen enkele bemoeienis gehad met de aangiften omzetbelasting en werd de controle daarop extern uitgevoerd door accountants. Aan de criteria voor toerekening van feitelijk leidinggeven is niet voldaan, waardoor verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever.

De verdediging is van oordeel dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1 De inhoud van het proces-verbaal, opgenomen onder V01-5a

Voorafgaand aan de bespreking van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het van belang stil te staan bij de inhoud van het proces-verbaal, in het dossier opgenomen onder V01-5a, waarin uitlatingen van verdachte zijn opgenomen over aan hem ten laste gelegde strafbare feiten.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht dit proces-verbaal van het bewijs uit te sluiten, nu de inhoud daarvan (de verklaring van verdachte) onder misleidende voorwaarden en zonder dat daaraan voorafgaand de cautie was gegeven, tot stand is gekomen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewraakte verklaring wel voor het bewijs gebruikt mag worden. Het betreft, volgens de officier van justitie, geen verklaring, maar een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door twee verbalisanten.

De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal ‘Aanvulling gesprek na verhoor V01-5’, opgenomen in het dossier onder verwijzing naar V01-5a, aangemerkt dient te worden als een verhoor, daar het initiatief tot het stellen van vragen bij de betrokken verbalisanten lag. Het proces-verbaal is een weergave van een gesprek dat plaatsvond nadat een (formeel) verhoor van verdachte was beëindigd. Tijdens het uitprinten van dat verhoor heeft een gesprek plaatsgevonden. De audio-opname van dit gesprek is woordelijk opgenomen in dit proces-verbaal. De verbalisanten stelden tijdens dit gesprek, in hun hoedanigheid van opsporingsambtenaar, vragen aan verdachte en maakten opmerkingen over de betrokkenheid bij strafbare feiten waarvan verdachte op dat moment verdacht werd, met kennelijk als doel een reactie/verklaring aan hem te ontlokken. Verdachte heeft dan ook niet op eigen initiatief een verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de context waarbinnen het gesprek plaatsvond een verhoorsituatie was, waaraan voorafgaand de verbalisanten verdachte (nogmaals) de cautie hadden moeten geven. Dit is niet gebeurd. Aan dit vormverzuim zal de rechtbank echter geen strafprocessuele consequentie verbinden op grond van het volgende.

Op 4 maart 2010 omstreeks 13.15 uur hebben de betreffende verbalisanten verdachte gehoord. Voor de aanvang van dit verhoor is aan verdachte meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is. Na afloop van dit verhoor en tijdens het uitprinten van dit verhoor, hebben dezelfde verbalisanten wederom vragen gesteld over de aan hem ten laste gelegde strafbare feiten. De uitwerking daarvan is vervolgens opgenomen in het dossier onder V01-5a. Zodoende is kort voordat deze tweede verhoorsituatie ontstond aan verdachte de cautie gegeven. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijze kon worden geacht bekend te zijn met zijn processuele rechten.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat bij dat verhoor sprake is geweest van misleiding van de zijde van de betreffende verbalisanten. Uit de inhoud van het opgenomen gesprek is de rechtbank niet gebleken dat de verbalisanten bij verdachte de indruk hebben gewekt dat hij erop mocht vertrouwen dat hij deelnam aan een vertrouwelijk gesprek.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inhoud van het proces-verbaal, opgenomen onder V01-5a, voor het bewijs gebruikt mag worden.

4.3.2 De bewezenverklaring

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Arnhem, dossiernummer 45877, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Algemene overwegingen

De [bedrijf]

De [bedrijf] is de verzamelnaam van de vastgoedorganisatie van verdachte. Deze vastgoedorganisatie bestaat uit twee houdstermaatschappijen, te weten [bedrijf 2] en [bedrijf 5] Van [bedrijf 2] is enig aandeelhouder Stichting [stichting] en is verdachte directeur en alleen/zelfstandig bevoegd.

[bedrijf 2] zijn verscheidene andere vennootschappen ondergebracht, waaronder [bedrijf 14], [bedrijf 2], [bedrijf 15], [bedrijf 3] en [bedrijf 1] met dien verstande dat deze vennootschappen telkens door [bedrijf 2] die alleen en zelfstandig bevoegd is,worden bestuurd.

Daarnaast heeft verdachte verschillende onroerende zaken in privébezit, die zijn ondergebracht in [bedrijf 6]

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Op naam van verdachte zijn in de ten laste gelegde periode aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. Het betreft de volgende aangiften:

- De aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006, digitaal binnengekomen op 31 maart 2008 bij de Belastingdienst.

- De aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006, binnengekomen op 26 juni 2009 bij Centrale Invoer Heerlen.

- De aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2007, digitaal binnengekomen bij de Belastingdienst op 19 juni 2009.

Door ambtenaren van de FIOD is een onderzoek ingesteld naar de (digitale) administratie van een aantal van de vennootschappen van de [bedrijf], hieruit is het volgende gebleken:

- in de administratie van [bedrijf 14] zijn zes facturen aangetroffen van [bedrijf 16], met als omschrijving ‘Maximus te Utrecht’. Het gaat om een totaalbedrag van € 299.880,00 bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De uitgevoerde werkzaamheden waarvoor is gefactureerd hebben betrekking op de verbouwing van een privépand van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Het bedrag van € 299.880,00 had om die reden als uitdeling in box 2 (inkomstenbelasting 2006) dienen te worden aangemerkt.

- in de administratie van [bedrijf 2] zijn 25 facturen aangetroffen van [bedrijf 4], met als omschrijving ‘Verbouwing Nassauhuis te Zeist’. Het gaat om een totaalbedrag van € 1.951.600,-, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. Meer dan de helft van de uitgevoerde werkzaamheden waarvoor is gefactureerd heeft betrekking op de verbouwing van een privépand van verdachte in Antibes, Frankrijk. Een bedrag van € 1.035.957,59 had om die reden als uitdeling in box 2 (inkomstenbelasting 2006) dienen te worden aangemerkt.

- in de administratie van [bedrijf 15] zijn 10 facturen aangetroffen van [bedrijf 4], met als omschrijving ‘project Conquestor, huurderswensen’. De grootboekrekening in 2006 is ten gevolge van zes van deze facturen belast voor een totaalbedrag van € 541.450,00, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De grootboekrekening in 2007 is ten gevolge van vier van deze facturen belast voor een totaalbedrag van € 234.396,33, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De uitgevoerde werkzaamheden waarvoor is gefactureerd hebben betrekking op de verbouwing van een privépand van verdachte in Antibes, Frankrijk. De bedragen van € 541.450,00 en € 234.396,33 hadden om die reden beide als uitdeling in box 2 (voor respectievelijk de inkomstenbelasting 2006 en 2007) dienen te worden aangemerkt.

- in de administratie van [bedrijf 3] zijn 6 facturen aangetroffen van [bedrijf 8], met als omschrijving ‘advieswerkzaamheden ten behoeve van 20 woningen te Elst’. De grootboekrekening in 2006 is ten gevolge van vijf van deze facturen belast voor een totaalbedrag van € 90.303,46, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De grootboekrekening in 2007 is ten gevolge van één van deze facturen belast voor een totaalbedrag van € 5.950,00, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De uitgevoerde werkzaamheden waarvoor is gefactureerd hebben betrekking op de verbouwing van een privépand van verdachte in Antibes, Frankrijk. De bedragen van € 90.303,46 en € 5.950,00 hadden om die reden beiden als uitdeling in box 2 (voor respectievelijk de inkomstenbelasting 2006 en 2007) dienen te worden aangemerkt.

- in de administratie van [bedrijf 1] is een factuur aangetroffen van [bedrijf 4], met als omschrijving ‘betreft factuur voor project [bedrijf 1] te Utrecht’. De grootboekrekening in 2007 is ten gevolge van deze factuur belast voor een totaalbedrag van € 121.915,50, bestaande uit gefactureerde directe kosten en te vorderen BTW. De uitgevoerde werkzaamheden waarvoor is gefactureerd hebben betrekking op de verbouwing van de privéwoning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] en Duin. Het bedrag van € 121.915,50, had om die reden als uitdeling in box 2 (voor de inkomstenbelasting 2007) dienen te worden aangemerkt.

De privéadministratie van verdachte werd door zijn echtgenote verzorgd, in die zin dat zij de administratie van [verdachte] Beheer verzamelde, in een krat stopte en eens per jaar naar de accountant, de heer [belastingadviseur], bracht zodat hij de aangiften inkomstenbelasting kon verzorgen. [verdachte] Beheer omvatte het privévermogen van verdachte. Zijn privépanden, waaronder een pand in Hengelo en een woning in Frankrijk, vielen onder [verdachte] Beheer. De heer [belastingadviseur] heeft bevestigd dat hij de aangiften inkomstenbelasting voor verdachte voor 2006 en 2007 heeft verzorgd. De daartoe benodigde informatie ontving hij via mevrouw [verdachte] in een kratje of plastic zak.

Verdachte heeft verklaard dat facturen die in zijn privéboekhouding hadden moeten zitten in de administratie van zijn onderneming terecht zijn gekomen. Die facturen moesten privé betaald worden, maar zijn uiteindelijk door de onderneming betaald.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk aangiften Inkomstenbelasting onvolledig heeft gedaan door daarin zijn inkomen uit aanmerkelijk belang –betreffende uitdelingen die verdachte genoot aangaande verbouwingen aan zijn privépanden – niet op te laten nemen. Het feit dat verdachte niet zelf zijn aangiften Inkomstenbelasting invulde doet hieraan niet af, daar verdachte naar het oordeel van de rechtbank zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van deze aangiften en voor het ter beschikking stellen van de correcte gegevens die voor het doen van de aangiften benodigd zijn.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

In het dossier bevindt zich een achttal facturen afkomstig van [bedrijf 16] gericht aan [bedrijf 14], gevestigd [adres] te Zeist, over de periode 16 februari 2006 tot en met 1 augustus 2006. De omschrijving op deze facturen is telkens ‘Maximus’. Als locatie wordt aangegeven [adres] Utrecht. Het werknummer is telkens 2005-068.

Van deze BV is verdachte directeur en is verdachte alleen/zelfstandig bevoegd. .

Op 28 juni 2006 heeft medeverdachte [medeverdachte] een e-mailbericht aan [eigenaar bedrijf 16] gestuurd, waarin medeverdachte [medeverdachte] aan [bedrijf 16] verzoekt de bijgevoegde factuur te wijzigen. De tenaamstelling moet zijn [bedrijf 14], de locatie moet worden [adres] te Utrecht en de omschrijving moet luiden ‘Maximus, aanvullende opdracht, 2e deel’. Oorspronkelijk stond op de bijgevoegde factuur als locatie vermeld [adres], Hengelo, met als omschrijving ‘1e termijn, werkzaamheden volgens opgave’.

Verdachte heeft in dit verband verklaard dat, op het moment dat de verbouwingen aan het pand aan de [adres] te [woonplaats] werden verricht, dit pand in zijn privévermogen was opgenomen. Voorts heeft verdachte verklaard dat er facturen die in zijn privéboekhouding hadden moeten zitten, in de administratie van zijn onderneming terecht zijn gekomen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat [bedrijf 16] de verbouwing aan de [adres] te [woonplaats] heeft gedaan en dat de facturen zijn opgemaakt op [bedrijf 14]. De combinatie [bedrijf 14] en [adres] klopt niet. Er had gefactureerd moeten worden aan de eenmanszaak van verdachte, te weten [verdachte].

[eigenaar bedrijf 16], van [bedrijf 16], heeft bevestigd dat zijn bedrijf werkzaamheden heeft verricht aan de [adres] te [woonplaats]. Er moest aan de [bedrijf 2] gefactureerd worden. Zijn bouwbedrijf heeft nooit werkzaamheden verricht voor het project Maximus. Het projectnummer 2005-068 dat op de facturen betreffende ‘Maximus’ staat, behoort volgens [bedrijf 16] bij het project in Hengelo. Er werd hem opgedragen dit te factureren aan [bedrijf 14]. De werkzaamheden die op de facturen vermeld staan, zijn uitgevoerd op de [adres] in Hengelo en niet voor project Maximus Papendorp te Utrecht, zoals volgt uit de opdrachtbevestiging.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de acht facturen die zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 14], afkomstig van [bedrijf 16], over de periode 16 februari 2006 tot en met 10 maart 2010 met als omschrijving ‘Maximus’, niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn opgemaakt.

Het bewijs ten aanzien van feit 3

In de administratie van [bedrijf 1], gevestigd [adres] te Zeist, is een factuur, met factuurnummer 07/194 aangetroffen afkomstig van [bedrijf 4] en gericht aan [bedrijf 1] gedateerd 2 oktober 2007 waarop als werkomschrijving staat vermeld ‘betreft factuur voor project [bedrijf 1] te Utrecht’. Het bedrag genoemd op bovenstaande factuur is door [bedrijf 1] betaald aan [bedrijf 4] Ook is de factuur opgenomen in het [naam][bedrijf 1]

[bedrijf 1] is in eigendom bij [bedrijf 2], waarvan verdachte directeur en alleen/zelfstandig bevoegd is. De woning aan de [adres] te [woonplaats] was destijds privé-eigendom van verdachte en was tevens zijn huisadres.

Op 11 oktober 2007 heeft een medewerker van de [bedrijf] aan [bedrijf 4] verzocht de tenaamstelling van factuur 07/194 te wijzigen in ‘[bedrijf 1]’. In eerste instantie stond op de factuur als tenaamstelling vermeld ‘[bedrijf]’. Naar aanleiding van de foutieve omschrijving is een creditnota opgemaakt. In de administratie van [bedrijf 4] is een calculatie-overzicht d.d. 26 april 2007 aangetroffen, waarop als omschrijving staat ‘verbouwing woonhuis aan de [adres] te [woonplaats]’. Als opdrachtgever is vermeld ‘Familie [verdachte]’. Hierbij zit een werkoverzicht waarop als omschrijving staat ‘realisatie inrichting kantoorpand [naam] te Utrecht’. Onderdeel van dit werkoverzicht zijn twee kostenposten van ‘[keukencentrum] (Keukencentrum)’. [keukencentrum] heeft op haar beurt op 12 december 2007 aan [bedrijf 4] een factuur verzonden betreffende ‘levering keukeninrichting project [naam]’.

Getuige [getuige 2] van [keukencentrum] heeft in dit verband verklaard dat hij enkel in de privéwoning van verdachte te [woonplaats] heeft gewerkt, alwaar zij de volledige keuken hebben uitgevoerd. De facturering liep via [getuige 7]. Op de facturen staat als omschrijving ‘Betreft: levering keukeninrichting project [naam]’. Ook de heer [getuige 7] heeft verklaard dat zijn bedrijf voor de [bedrijf] de woning aan de [adres] in [woonplaats] heeft gedaan, zijnde de privéwoning van verdachte. Hierover had hij rechtstreeks contact met verdachte en diens vrouw. Het calculatie-overzicht d.d. 26 april 2007 had hierop betrekking. De keuken is destijds door [keukencentrum] geleverd. Zijn bedrijf heeft nooit voor [bedrijf 1] gewerkt, werkzaamheden verricht noch een keuken geleverd.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de factuur op naam van [bedrijf 1], die is aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1], in strijd met de waarheid is opgemaakt, daar de omschreven werkzaamheden in werkelijkheid zijn verricht aan de privéwoning van verdachte te [woonplaats].

Het bewijs ten aanzien van feiten 4 en 7

In de administratie van [bedrijf 2] (onderdeel van de fiscale eenheid [bedrijf 2], [bedrijf 9], C.S.), gevestigd [adres] te Zeist, zijn 25 facturen aangetroffen afkomstig van [bedrijf 4] en gericht aan [bedrijf 2], over de periode 17 maart 2006 tot en met 3 oktober 2006, alle met de omschrijving ‘verbouwing en renovatie van het Nassauhuis te Zeist’.

Een deel van deze facturen is opgenomen in de grootboekrekening van [bedrijf 2] voor het jaar 2006. De hierbij behorende bedragen zijn als voorbelasting opgenomen in de aangiften [bedrijf 2] over het jaar 2006. Deze aangiften omzetbelasting over de tijdvakken maart 2006 tot en met oktober 2006 zijn elektronisch ingediend en ingekomen bij de Belastingdienst.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] is [bedrijf 2] deze BV is verdachte directeur en alleen/ zelfstandig bevoegd om deze BV te vertegenwoordigen. Verdachte bezat destijds privé een woonhuis in Frankrijk.

[getuige 7] heeft verklaard dat [bedrijf 4] voor de [bedrijf] in 2006 een verbouwing aan de vakantiewoning in Frankrijk heeft gedaan. Bij deze verbouwing was verdachte betrokken. Er werd voor dit project gefactureerd aan de [bedrijf], als omschrijving werd ‘Nassauhuis’ opgenomen. Het Nassauhuis was de eerste klus voor [bedrijf 4] en het project in Frankrijk werd daar gewoon onder gehangen. Uit een werkoverzicht van [bedrijf 4], met als werkomschrijving ‘Renovatie en verbouwing van het Nassauhuis te Zeist’, opdrachtgever [bedrijf 2] volgt dat in de periode 3 maart 2006 tot en met 6 juni 2006 veelvuldig werkzaamheden zijn verricht in Frankrijk en niet enkel in Zeist.

Verdachte heeft bevestigd dat [getuige 7] het huis in Frankrijk heeft gerenoveerd. Dit huis was privé gekocht en werd zakelijk verbouwd. Verdachte had, naar eigen zeggen, zelf aan [getuige 7] de opdracht gegeven de rekeningen naar Nederland te sturen en op ‘Nassauhuis’ te zetten.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zo’n 7,5 ton en 5 ton via [bedrijf 2] en [bedrijf 15] zijn geboekt. Dit had betrekking op het pand in Frankrijk te Antibes. De aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 2] gedurende 2006 zijn onder verantwoordelijkheid van medeverdachte [medeverdachte] ingediend.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de 25 facturen die zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2], afkomstig van [bedrijf 4], over de periode 17 maart 2006 tot en met 3 oktober 2006, met als omschrijving ‘verbouwing en renovatie van het Nassauhuis te Zeist’, niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn, daar de uitgevoerde werkzaamheden zien op de privéwoning van verdachte in Frankrijk.

De aangiften Omzetbelasting door [bedrijf 2] over de maanden maart 2006 tot en met juli 2006 en de maand oktober 2006 zijn als gevolg van deze facturen en de aan de hand daarvan opgegeven voorbelasting onjuist.

Het bewijs ten aanzien van feit 5

In de administratie van [bedrijf 3] zijn zes facturen aangetroffen afkomstig van [bedrijf 8] en gericht aan [bedrijf 3] over de periode 20 februari 2006 tot en met 9 maart 2007. Als projectnummer is 500051 opgenomen en de omschrijving luidt telkens ‘advieswerkzaamheden ten behoeve van 20 woningen te Elst’.

Bestuurders van [bedrijf 3] zijn [bedrijf 2] (alleen/zelfstandig bevoegd) en [bedrijf 10] (alleen/zelfstandig bevoegd).Verdachte is directeur van en zelfstandig bevoegd voor [bedrijf 2]

Op 23 januari 2006 stuurt [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) aan [getuige 8] van [showroom] ([bedrijf 8]) een e-mail met als onderwerp “villa fam [bedrijf 2] (Juan les Pins)” met als bijlagen facturen van [showroom] met het verzoek deze “facturen te crediteren en deze advieswerkzaamheden ‘opnieuw’ in rekening te brengen op het werk in Elst conform bijgaand opdracht brief. De originele opdracht brief ontvang je morgen per post”.

Eveneens op 23 januari 2006 werd per brief door [getuige 3], namens [bedrijf 3], aan het bedrijf van [eigenaar bedrijf 8], de opdracht betreffende advieswerkzaamheden aangaande 20 woningen te Elst bevestigd. Facturatie diende te geschieden aan [bedrijf 3] In aanvulling op deze brief is door getuigen [bedrijf 2], secretaresse van [bedrijf 8], verklaard dat naar aanleiding van deze brief op de facturen die de woning van verdachte in Frankrijk betroffen, de omschrijving ’20 woningen in Elst’ moest worden gezet. Het projectnummer 500051 dat op de facturen werd gezet was voor de administratie van [bedrijf 8] om te zien dat het om het huis in Frankrijk ging. Het daadwerkelijke project van de 20 woningen in Elst had projectnummer 500050, aldus Van Dinteren.

Verdachte had als privébezit een woning in Frankrijk. Dit huis was privé gekocht en werd zakelijk verbouwd, aldus verdachte. Getuige [getuige 3] begeleidde en coördineerde de werkzaamheden in Frankrijk. Hij deed dit in opdracht van verdachte. Op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] en een medewerker van de [bedrijf] had getuige [getuige 3] aan de (onder)aannemers de opdracht gegeven de verbouwingskosten van de woning in Frankrijk ten laste te laten komen van de vennootschappen van de [bedrijf]. Medeverdachte [medeverdachte] gaf getuige [getuige 3] de naam van de vennootschap en de werkomschrijving voor de betreffende facturen.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de zes facturen die zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 3], afkomstig van [bedrijf 8], over de periode 20 februari 2006 tot en met 9 maart 2007 met als omschrijving ‘advieswerkzaamheden ten behoeve van 20 woningen te Elst’, niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn, daar de uitgevoerde werkzaamheden zien op de privéwoning van verdachte in Frankrijk.

Het bewijs ten aanzien van feit 6

In de administratie van [bedrijf 15] zijn tien facturen aangetroffen afkomstig van [bedrijf 4] en gericht aan [bedrijf 15], over de periode 17 oktober 2006 tot en met 5 juli 2007, betreffende project ‘Conquestor’. Zes van deze facturen zijn opgenomen in de grootboekrekening van [bedrijf 15] in 2006. De hierbij behorende bedragen zijn als voorbelasting opgenomen in de aangiften Omzetbelasting over het jaar 2006. De overige vier facturen zijn opgenomen in de grootboekrekening van [bedrijf 15] voor 2007. Deze facturen zijn als voorbelasting verwerkt in de aangiften Omzetbelasting voor 2007. De aangiften omzetbelasting van [bedrijf 15] over de tijdvakken oktober 2006 tot en met augustus 2007 zijn elektronisch ingediend en ingekomen bij de Belastingdienst. Het nadeel dat de Belastingdienst hierdoor over de jaren 2006 en 2007 heeft geleden, bedraagt € 123.874,00.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 15] is [bedrijf 2] Verdachte is directeur en zelfstandig bevoegd ten aanzien van [bedrijf 2]

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zo’n 7,5 ton en 5 ton via [bedrijf 2] en [bedrijf 15] zijn geboekt. Dit had betrekking op het pand in Frankrijk te Antibes. De aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 2] gedurende 2006 zijn onder verantwoordelijkheid van medeverdachte [medeverdachte] ingediend.

De heer [getuige 7] heeft verklaard dat alle facturen van [bedrijf 4] met vermelding ‘Conquestor’ betrekking hebben op Frankrijk. Getuige [getuige 3] was als projectleider werkzaam bij de [bedrijf] en heeft in dat verband alleen activiteiten verricht aan de vakantiewoning [adres], Juan les Pins, Antibes. Hij deed dit in opdracht van verdachte. In opdracht van medeverdachte [medeverdachte] en een medewerker van de [bedrijf] heeft getuige [getuige 3] aan de aannemers en onderaannemers opdracht gegeven de verbouwingskosten van de vakantiewoning in Frankrijk ten laste te laten komen van onder meer [bedrijf 15][bedrijf 11] werd verzocht een briefje te maken dat de factuur een foute tenaamstelling had en dat geboekt moest worden op een andere BV.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de tien facturen die zijn opgenomen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 15], afkomstig van [bedrijf 4], over de periode 17 oktober 2006 tot en met 5 juli 2007, op naam van ‘Conquestor’, niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn, daar de uitgevoerde werkzaamheden zien op de privéwoning van verdachte in Frankrijk.

De aangiften [bedrijf 2][bedrijf 15] over oktober 2006 tot en met augustus 2007 zijn als gevolg van deze facturen en de aan de hand daarvan opgegeven voorbelasting onjuist.

Het bewijs ten aanzien van feit 8

Op 11 maart 2010 is door [bedrijf 2], namens [verdachte] en verdachte, een verkoopovereenkomst getekend betreffende de verkoop aan [bedrijf 17] te Bergen van een boot ‘Red Arrow’ Jongert 2100S. Vervolgens is door de [bedrijf] een factuur verstuurd aan [bedrijf 17], gedateerd 19 maart 2010, betreffende ‘Verkoop “Red Arrow” Jongert 2100S’. Het bedrag op deze factuur bedraagt in totaal € 458.150,00, inclusief € 73.150 BTW. Verdachte wenste de boot met BTW te verkopen. Het bedrag diende volgens de factuur per ommegaande overgemaakt te worden op een bankrekeningnummer ten name van [verdachte], waarbij tevens OB nummer [nummer] was vermeld.

De aangiften omzetbelasting ten behoeve van verdachte (sofinummer [sofinummer]) over de tijdvakken maart 2010 tot en met juni 2010 zijn bij de Belastingdienst Apeldoorn elektronisch binnengekomen. In de omzetbelastingaangifte, aangiftenummer 953.50.639.B01.0030 d.d. 11 juni 2010 en ingekomen bij de Belastingdienst d.d. 28 april 2010, is in totaal € 54.821,00 aan omzet opgegeven, waarvan € 10.416,00 belast. Dit betreft de aangifte over het tijdvak maart 2010.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft nagelaten het BTW-bedrag à € 73.150,00 dat hij heeft ontvangen in de maand maart van het jaar 2010, op te geven in zijn aangifte omzetbelasting over het tijdvak maart 2010.

Aanvullende bewijsoverwegingen

De valsheid in geschrift

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 2 tot en met 5 aangevoerd dat de bedrijfsadministratie niet vals is, omdat de valse stukken die in de bedrijfsadministratie zijn opgenomen niet van een dusdanige omvang zijn ten opzichte van de gehele administratie dat hiermee de administratie in zijn totaliteit zodanig is beïnvloed dat de publica fides op het verkeerde been is gezet.

De rechtbank stelt vast dat documenten in de bedrijfsadministratie van de vennootschappen van verdachte zijn aangetroffen die vals zijn. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt ook dat meerdere documenten zijn opgesteld, waarvan de tenaamstelling en de werkomschrijving niet stroken met de werkelijkheid. In een dergelijk geval is de inhoud van een factuur valselijk en in strijd met de waarheid opgemaakt. Deze facturen zijn onderdeel gaan uitmaken van de bedrijfsadministratie van diverse vennootschappen, waarvan verdachte bestuurder/directeur was. Door de Hoge Raad d.d. 2 november 1993 (NJ 1994, 180) is geoordeeld dat een bedrijfsadministratie in haar geheel kan worden aangemerkt als een (samenstel van een) geschrift bestemd om tot het bewijs van het daarin vermelde te dienen. Het opnemen van valse facturen in een bedrijfsadministratie dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook gekwalificeerd te worden als het valselijk opmaken van een (samenstel van) geschrift(en) in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het feitelijk leidinggeven

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet als feitelijk leidinggever kan worden beschouwd van valsheid in geschrifte. Verdachte is niet betrokken geweest bij de facturatie. Medeverdachte [medeverdachte] hield toezicht op de facturen en de wijze van factureren. Verdachte ging ervan uit dat de facturen die zagen op zijn privéaangelegenheden werden verrekend middels de rekening-courant. Verdachte had geen wetenschap of bewustzijn van de vermeende verboden gedraging. Hij heeft niet nagelaten zijn verantwoordelijkheid te nemen en heeft de strafbare gedragingen niet aanvaard.

Evenmin kan verdachte, volgens de verdediging, aangemerkt worden als feitelijk leidinggever van het doen van onjuiste belastingaangiften. Er is geen sprake van een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 69 AWR, nu in Frankrijk onvoldoende belasting is geheven en niet in Nederland. Ook is niet voldaan aan de vereisten van wetenschap of bewustzijn, macht of beschikkingsbevoegdheid en aanvaarding. Verdachte heeft geen enkele bemoeienis gehad bij de gewraakte belastingaangiften. Medeverdachte [medeverdachte] heeft de gewraakte aangiften opgesteld en ingediend, zonder deze vooraf aan verdachte te laten zien ter goedkeuring. De controle op de boekhouding werd extern uitgevoerd.

Voor de beoordeling van de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de aan hem als zodanig ten laste gelegde feiten, neemt de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt.

Uit die criteria volgt dat eerst een antwoord dient te worden gegeven op de vraag of [bedrijf 14], [bedrijf 3], [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 15] hun bedrijfsadministratie hebben vervalst door daarin valselijk opgemaakte facturen op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, sprake.

Vervolgens is de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat verdachte aan deze gedragingen van [bedrijf 14], [bedrijf 3], [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 15] feitelijk leiding heeft gegeven.

Zoals reeds aangegeven is verdachte directeur en alleen/zelfstandig bevoegd voor [bedrijf 2] [bedrijf 2] is als bestuurder alleen/zelfstandig bevoegd voor [bedrijf 14], [bedrijf 2], [bedrijf 15], [bedrijf 3] en [bedrijf 1] Verdachte is dus de bestuurder en alleen/zelfstandig bevoegd voor al deze vennootschappen.

De verklaringen van zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] ondersteunen dit. Verdachte is eindverantwoordelijk en samen met medeverdachte [medeverdachte], als financieel controller, belast met de bedrijfsvoering binnen bovengenoemde vennootschappen. Verdachte gaf leiding aan het personeel binnen de [bedrijf] en was de enige die de onroerendgoeddeals sloot. Getuige [getuige 4] heeft in dit verband bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte functioneerde als de gebruikelijke directeur grootaandeelhouder die alle belangrijke beslissingen nam binnen de [bedrijf].

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en de verklaring van verdachte volgt ook dat medeverdachte [medeverdachte] sinds 2005 in loondienst is bij de [bedrijf] en in de tenlastegelegde periode als financieel controller verantwoordelijk was voor de aanvragen en het verzorgen van de financieringen. Zijn werkopdrachten kreeg medeverdachte [medeverdachte] van verdachte en aan verdachte moest medeverdachte [medeverdachte] verantwoording afleggen. Medeverdachte [medeverdachte] verrichtte werkzaamheden voor alle vennootschappen waar de [bedrijf] de penvoering over had, waaronder in ieder geval de vennootschappen waarvan zij 100% aandeelhouder was. Het doen van de aangiften omzetbelasting ten aanzien van alle vennootschappen waarvoor medeverdachte [medeverdachte] de administratie voerde, viel eveneens binnen zijn verantwoordelijkheid. Zo zijn de aangiften omzetbelasting voor [bedrijf 2], [bedrijf 15], [bedrijf 2] en [bedrijf 3], in 2005, 2006 en 2007 onder verantwoordelijkheid van medeverdachte [medeverdachte] gedaan, aldus zijn eigen verklaring.

Dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ook het aanspreekpunt waren wanneer er vragen waren omtrent binnengekomen facturen, leidt de rechtbank onder meer af uit de verklaringen van de getuigen [getuige 5], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 6].

Getuige [getuige 5], administratief medewerkster van de [bedrijf], heeft verklaard dat wanneer een factuur binnenkwam bij de receptie van de [bedrijf], daarop een stempel werd gezet met de datum van binnenkomst van de factuur. Vervolgens kwam de factuur bij getuige terecht. Getuige sorteerde de facturen per project en zette daarop een blokstempel. Hierna werden de facturen aan de projectleiders verstrekt. De projectleiders dienden de facturen te accorderen door middel van een handtekening. Vervolgens gingen de facturen naar medeverdachte [medeverdachte] die accordeerde door een paraaf te zetten. Pas dan konden de facturen door getuige ingeboekt worden. Wanneer een factuur zonder paraaf bij de administratie terechtkwam, werd deze teruggestuurd naar de projectleider. De projectleider moest dan contact opnemen met de aannemer of de leverancier. Facturen die betrekking hadden op de privépanden van verdachte werden geboekt onder Kroon Vastgoed of [bedrijf 2] Meestal werden de betalingen ingeboekt en werd de factuur doorgestuurd. Dit ging in overleg met medeverdachte [medeverdachte].

Getuige [getuige 4], werkzaam als ontwikkelaar binnen de [bedrijf], heeft verklaard dat hij wel eens facturen op zijn bureau kreeg die geen betrekking hadden op zijn werkzaamheden of zijn projecten. Hiermee ging getuige dan naar verdachte of naar medeverdachte [medeverdachte]. Als zij zeiden dat het akkoord was, zette getuige zijn paraaf op de factuur. Verdachte en medeverdachte hadden vaak samen overleg, wat voor getuige een reden was ook medeverdachte [medeverdachte] te benaderen met zijn vragen omtrent facturen die niet klopten. Zij waren intensief bij elkaar betrokken.

Getuige [getuige 3], werkzaam als projectleider binnen de [bedrijf] voor het project te Frankrijk, heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] hem instrueerde over de financiële aspecten, waaronder op welke naam een project moest staan. Het kwam regelmatig voor dat getuige een aantal weken later van medeverdachte [medeverdachte] te horen kreeg dat het niet zo handig was om een project op een bepaalde BV te boeken en dat het project op een andere BV gezet moest worden. Als er een factuur binnenkwam nam medeverdachte [medeverdachte] contact op met getuige met de mededeling dat het project op een andere BV moest. Hierop belde getuige de betreffende onderhoudspartij of de aannemers op met het verzoek een creditnota op te stellen. Medeverdachte [medeverdachte] gaf ook de instructies betreffende de werkomschrijving die op de facturen terecht moest komen. Het kwam wel voor dat getuige zag dat er leveringen op een factuur stonden van zaken die niet afgeleverd waren. Voorts heeft getuige verklaard dat de prijsafspraken met aannemer [getuige 7] door verdachte zelf werden gemaakt. Het was getuige duidelijk dat het om een één-tweetje tussen verdachte en [getuige 7] ging. Dit wordt bevestigd door verdachte; hij heeft verklaard zelf aan [getuige 7] de opdracht te hebben gegeven de rekeningen betreffende de verbouwing in Frankrijk naar Nederland te sturen en op ‘Nassauhuis’ te zetten.

Getuige [getuige 6], in 2008 en deels in 2009 werkzaam binnen de administratie van de [bedrijf], heeft verklaard dat grote projecten een ‘pakkie an’ waren van verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Getuige diende verantwoording af te leggen aan verdachte, maar had verder weinig contact met verdachte over zijn werk. Wanneer er wel contact was ging dat over betalingen. Zodra er keuzes gemaakt moesten worden in verband met de liquiditeit, bepaalde verdachte wie voor ging. Ook kwam het voor dat een factuur van een projectleider terug kwam naar de administratie, of dat al direkt duidelijk was dat die betreffende factuur voor verdachte bestemd was en verdachte hiervoor diende te tekenen. Waar die factuur dan uiteindelijk heen moest, werd door verdachte aangegeven.

Uit de hierboven aangehaalde verklaringen, in samenhang met genoemde bewijsmiddelen, leidt de rechtbank af dat verdachte in de praktijk samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] leiding gaf aan de [bedrijf]. Zij waren het aanspreekpunt van werknemers wanneer deze vragen hadden over binnengekomen facturen en zij bepaalden op welke projecten gefactureerd diende te worden. Voorts was verdachte als bestuurder en directeur van de vennootschappen, de verantwoordelijke voor zijn personeel en gaf hij leiding aan hen.

Door in deze hoedanigheid valselijk opgemaakte/vervalste facturen op te nemen in de bedrijfsadministratie van diverse vennootschappen heeft verdachte bewerkstelligd dat daardoor eveneens de aangiften omzetbelasting niet conform de werkelijk waren. Deze gedragingen van verdachte kunnen aan [bedrijf 14], [bedrijf 3], [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 15] worden toegerekend.

Het op (laten) maken van facturen in weerwil van de werkelijkheid is opzettelijk gedaan. Verdachte heeft als bestuurder van genoemde vennootschappen opzettelijk valse facturen in de bedrijfsadministraties opgenomen op basis waarvan vervolgens onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Gelet op de positie van verdachte binnen het bedrijf is het opzet van verdachte zonder meer toe te rekenen aan [bedrijf 14], [bedrijf 3], [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 15] en is niet van belang of hij al dan niet daadwerkelijk zelf deze facturen heeft opgemaakt, dan wel de aangiften omzetbelasting heeft opgemaakt en ingediend.

Van feitelijk leidinggeven aan de aan verdachte ten laste gelegde strafbare feiten is sprake indien:

a. de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en hij

b. bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gezien het vorenstaande, door zijn handelen niet alleen geen maatregelen genomen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersonen, maar deze gedragingen ook bevorderd.

De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 14], [bedrijf 1], [bedrijf 3], en [bedrijf 2], alsmede het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften voor de omzetbelasting door [bedrijf 15] en [bedrijf 2]

Het onjuist doen van belastingaangiften

Door de verdediging is, ten aanzien van de feiten opgenomen onder 6 en 7 op de tenlastelegging, aangevoerd dat de Nederlandse fiscus geen nadeel heeft ondervonden nu de gewraakte BTW-bedragen in Frankrijk opgegeven hadden moeten worden. Deze bedragen zijn evenwel ten onrechte als Nederlandse BTW in rekening gebracht, maar hierdoor is Nederlandse BTW ontvangen en ook aan de fiscus afgedragen, zodat de Nederlandse fiscus geen nadeel heeft ondervonden of zal ondervinden.

De rechtbank stelt vast dat BTW in rekening is gebracht bij in Nederland gevestigde vennootschappen, waarvan verdachte bestuurder/directeur was, terwijl het in feite om privé uitgaven ging. Enkel om die reden hadden de BTW-bedragen al niet als voorbelasting in de aangiften omzetbelasting opgenomen mogen worden. Dit is wel gebeurd, hetgeen tot gevolg had dat te weinig belasting werd geheven. Dat de werkzaamheden in Frankrijk hebben plaatsgevonden doet daar niet aan af.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 31 maart 2008 en 19 juni 2009 en 26 juni 2009 in Nederland telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Inkomstenbelasting Premie Volksverzekering over de jaren 2006 en 2007, op naam van verdachte, onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk op bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten Inkomstenbelasting Premie Volksverzekeringen 2006 en 2007 telkens in strijd met de waarheid

- te lage bedragen aan box 2 Inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven/opgegeven, zulks terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

2.

[bedrijf 14] in de periode van 16 februari 2006 tot 2 maart 2010 te Zeist

tezamen en in vereniging met een ander een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [bedrijf 14] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van

geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt , immers heeft zij, [bedrijf 14] telkens tezamen en in vereniging met een ander toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt acht vervalste facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 4] (D-1-018, D-1-019, D-1-020 , D-1-021, D-1-003-d + D-1-022, D-1-003-e + D-1-023), telkens ter zake van de levering van goederen en het verrichten van diensten, terwijl de levering van goederen en het verrichten van diensten zoals op de facturen voornoemd vermeld in werkelijkheid telkens niet hebben plaatsgevonden, immers op die facturen was telkens in strijd met de waarheid als werkomschrijving opgenomen 'Maximus te Papendorp' en in strijd met de waarheid als tenaamstelling opgenomen '[bedrijf 14]' zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

3.

[bedrijf 1] in de periode van 2 oktober 2007 tot 2 maart 2010 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [bedrijf 1] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met een ander toen daar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt een vervalste factuur, volgens factuuropdruk afkomstig van [bedrijf 4] (D-3-039) ter zake van de levering van goederen en het verrichten van diensten, terwijl de levering van goederen en het verrichten van diensten zoals op de factuur voornoemd vermeld, in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, immers op die factuur was in strijd met de waarheid als werkomschrijving opgenomen 'keuken voor project [bedrijf 1] te Utrecht' en in strijd met de waarheid als tenaamstelling opgenomen '[bedrijf 1]'), zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

4.

[bedrijf 2] in de periode van 17 maart 2006 tot 2 maart 2010 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [bedrijf 2] – zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, [bedrijf 2], telkens tezamen en in vereniging met een ander, toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt een valse/vervalste factuur, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 4] (D-2-1055, D-2-1056, D-2-1057, D-2-1058, D-2-1059, D-2-1060, D-2-1061, D-2-1062, D-2-1063, D-2-1064, D-2-1065, D-2-1066, D-2-1067, D-2-1068, D-2-1069, D-2-1070, D-2-1071, D-2-1072, D-2-1073, D-2-1074, D-2-1075, D-2-1076, D-2-1077, D-2-1078, D-2-1079) telkens ter zake van de levering van goederen en het verrichten van diensten, terwijl de levering van goederen en het verrichten van diensten zoals op de factuur voornoemd vermeld, in werkelijkheid telkens niet hebben plaatsgevonden, immers op die facturen was telkens in strijd met de waarheid als werkomschrijving opgenomen 'de verbouwing en renovatie van het Nassauhuis te Zeist' en in strijd met de waarheid als tenaamstelling opgenomen '[bedrijf 2]

BV' zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

5.

[bedrijf 3] in de periode van 20 februari 2006 tot 2 maart 2010 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander een deel van de bedrijfsadministratie ten name van [bedrijf 3] - zijnde dat deel van die bedrijfsadministratie een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt -, immers heeft zij, [bedrijf 3] telkens tezamen en in vereniging met een ander toen daar telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in dat deel van die bedrijfsadministratie opgenomen en verwerkt zes, valse/vervalste facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 8] (D-2-4000, D-2-4001, D-2-4002, D-2-4003, D-2-4004, D-2-4008) telkens ter zake van de levering van goederen en het verrichten van diensten, terwijl de levering van goederen en/of het verrichten van diensten zoals op de facturen voornoemd vermeld, in werkelijkheid telkens niet hebben plaatsgevonden, immers op die facturen was telkens in strijd met de waarheid als werkomschrijving opgenomen 'advieswerkzaamheden ten behoeve van 20 woningen te Elst' en in strijd met de waarheid als tenaamstelling opgenomen '[bedrijf 3]', zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

6.

[bedrijf 15] in de periode van 1 november 2006 tot 1 oktober 2007 in Nederland tezamen en in vereniging telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet op inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Omzetbelasting over de aaneengesloten perioden van oktober 2006 tot en met augustus 2007 ten name van [bedrijf 15] onjuist heeft gedaan, immers heeft hij verdachte voornoemd en/of zijn mededader telkens opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde perioden telkens een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, door de omzetbelasting vermeld op de facturen D-2-2042, D-2-2043, D-2-2044, D-2-2045, D-2-2046, D-2-2047, D-2-2048, D-2-2049, D-2-2050, D-2-2051 afkomstig van [bedrijf 4], op te nemen in die aangiften, terwijl die facturen geen betrekking hadden op [bedrijf 15] en op werkzaamheden die ten behoeve van [bedrijf 15] waren verricht zulks terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

7.

[bedrijf 2] (onderdeel van de [bedrijf 2],

[bedrijf 9], c.s.) in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 december 2006 in Nederland tezamen en in vereniging telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de Omzetbelasting over de aaneengesloten perioden maart 2006 tot en met juli 2006 en oktober 2006 ten name van [bedrijf 2] (onderdeel van de [bedrijf 2], [bedrijf 9], c.s.) onjuist heeft gedaan, immers heeft hij verdachte voornoemd en/of zijn mededader telkens opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde perioden telkens een onjuist bedrag aan voorbelasting opgegeven, door de omzetbelasting vermeld op de facturen D-2-1055, D-2-1056, D-2-1057, D-2-1058, D-2-1059, D-2-1060, D-2-1061, D-2-1062, D-2-1063, D-2-1064, D-2-1065, D-2-1066, D-2-1067, D-2-1068, D-2-1069, D-2-1070, D-2-1071, D-2-1072, D-2-1073, D-2-1074, D-2-1075, D-2-1076, D-2-1077, D-2-1078, D-2-1079 afkomstig van [bedrijf 4] op te nemen in die aangiften, terwijl die facturen geen betrekking hadden op [bedrijf 2] (onderdeel van de [bedrijf 2], [bedrijf 9], c.s.) en op werkzaamheden die ten behoeve van [bedrijf 2] (onderdeel van de [bedrijf 2], [bedrijf 9], c.s.) waren verricht, zulks terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan die gedragingen;

8.

hij op of omstreeks 29 april 2010 in Nederland opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene Wet inzake rijksbelastingen,

te weten een aangifte voor de Omzetbelasting over de periode van maart 2010 ten name van [verdachte] Beheer, onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij verdachte voornoemd opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Utrecht en/of Amersfoort en/of Heerlen ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemde periode

een te laag belastbaar bedrag aan omzetbelasting opgegeven, immers heeft hij, verdachte, de omzetbelasting betrekking hebbende op de verkoop van zijn zeiljacht aan [bedrijf 17] te Bergen (D-6-002) niet opgenomen in die aangifte, zulks terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Feiten 2, 3, 4 en 5: Telkens, medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Feiten 6 en 7: Telkens, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Feit 8 Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Door de verdediging is, ten aanzien van hetgeen onder 2 tot en met 5 op de tenlastelegging aan verdachte ten laste is gelegd, aangevoerd dat de [bedrijf], gelet op de fiscale administratie- en bewaarplicht ex artikel 52 AWR, verplicht was de valse facturen te bewaren. Vernietiging, dan wel het niet verwerken van de facturen in de administratie, levert een misdrijf op volgens artikel 69 eerste lid AWR. De [bedrijf] bevond zich derhalve in een spagaat, daar zij enerzijds verplicht was de facturen op grond van de AWR te bewaren, terwijl dit bewaren en opnemen in de administratie anderzijds strafbaar is gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het voldoen aan de wettelijke verplichting van artikel 52 AWR dient naar het oordeel van de verdediging beschouwd te worden als een strafuitsluitingsgrond ex artikel 42 Sr.

Daarnaast heeft de verdediging een beroep op overmacht, meer specifiek noodtoestand, gedaan nu verdachte zich voor de keuze zag gesteld te kiezen uit onderling strijdige plichten.

Het beroep op de strafuitsluitingsgrond ex artikel 42 Sr alsmede het beroep op noodtoestand kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet slagen. Verdachte heeft als feitelijk leidinggever valsheid in geschrifte gepleegd door (onder)aannemers (te laten) benaderen met het verzoek op bepaalde facturen de tenaamstelling en werkomschrijving in strijd met de waarheid op te nemen dan wel de tenaamstelling en werkomschrijving op bepaalde facturen in strijd met de waarheid te wijzigen. Deze handelingen hebben ertoe geleid dat facturen, voordat zij in de bedrijfsadministraties werden opgenomen, valselijk zijn opgemaakt. Het vervalsen van de in de tenlastelegging genoemde facturen, is strafbaar gesteld in artikel 225 Sr. Dat deze (vervalste) facturen vervolgens op basis van een wettelijke verplichting in de bedrijfsadministraties opgenomen en bewaard dienden te worden, kan daaraan niet afdoen, nu niets verdachte ertoe heeft verplicht om valse facturen in zijn administratie op te nemen.

De rechtbank verwerpt het beroep op de genoemde strafuitsluitingsgronden.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integraal vrijspraak bepleit.

Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de volgende punten:

- de onevenredige media-aandacht die verdachte als gevolg van het ingestelde strafrechtelijk onderzoek ten deel is gevallen;

- de afdoening van de zaken van medeverdachten;

- de ingezette dwangmiddelen;

- het fiscale nadeel dat, anders dan door de officier van justitie gesteld, minder is dan € 1.500.000,00, namelijk € 1.064.375,00;

- het feit dat het fiscale nadeel door naheffing en navordering van de Belastingdienst wordt goedgemaakt;

- binnen de [bedrijf] reeds een veranderingsproces was ingezet, om de administratie en interne organisatie mee te laten groeien met de groei van de [bedrijf];

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn gezondheidssituatie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in zijn functie als directeur-grootaandeelhouder van diverse vennootschappen meerdere malen en gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift. Verdachte heeft met zijn handelen de fiscus en daarmee ook de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een aanzienlijk geldbedrag, - ruim een miljoen euro - benadeeld. Kennelijk uitsluitend met het doel zijn eigen persoonlijk gewin, nu de belastingfraude en de valsheid in geschrift telkens zagen op het in rekening brengen van privéuitgaven van verdachte aan diverse vennootschappen waarvan verdachte bestuurder was. Om dit te bewerkstelligen heeft verdachte anderen ertoe aangezet valse facturen op te maken, zodat deze in de bedrijfsadministratie van zijn vennootschappen opgenomen konden worden. Door op een dergelijke wijze te handelen, heeft verdachte ook derden meegetrokken in zijn frauduleuze handelwijze. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij in zijn functie, die een vergaande verantwoordelijkheid met zich brengt ten aanzien van het reilen en zeilen binnen de betrokken vennootschappen, op een dergelijke wijze heeft gehandeld.

Door het handelen van verdachte is het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in bepaalde geschriften, waaronder facturen, en het vertrouwen in de aangifte door de belastingplichtige ernstig geschaad. Verdachte heeft het, terwijl het hem ogenschijnlijk aan niets ontbrak, nodig gevonden zichzelf te verrijken. De gedragingen hebben rechtstreeks schade toegebracht aan de samenleving.

Het feit dat verdachte hiermee strafbare feiten pleegde, heeft hem daarvan niet weerhouden.

In het onderzoek, dat uiteindelijk heeft geleid tot de strafrechtelijke vervolging van verdachte, zijn meerdere personen als verdachte aangemerkt. De meesten van deze verdachten hebben in overleg met het openbaar ministerie een transactie aanvaard. Allereerst wenst de rechtbank op te merken dat de keuze om in een strafzaak een transactie aan te bieden, dan wel over te gaan tot dagvaarden, valt binnen het vervolgingsmonopolie dat het openbaar ministerie heeft. Daarnaast kan de zaak tegen verdachte niet op gelijke voet gesteld worden met de zaken waarin getransigeerd is. Verdachte heeft zich immers als leidinggevende schuldig gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift, waarbij ook het initiatief bij verdachte lag. Alleen al gelet op de positie van verdachte in vergelijking tot de positie van de overige betrokken personen, is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Om die reden zal de rechtbank in de strafmaat geen rekening houden met het feit dat aan andere verdachten in deze strafzaak transacties zijn aangeboden.

Van dubbele bestraffing doordat het fiscale nadeel door middel van naheffing en navordering door de Belastingdienst wordt teruggevorderd is geen sprake. Immers de rechtbank spreekt zich uitsluitend over de strafzaak. De terugvordering van te weinig betaalde belastingen is een fiscale kwestie.

De rechtbank stelt vast dat de strafzaak tegen verdachte de nodige media-aandacht heeft gekregen. Dat de zaak jegens verdachte door de media is opgepikt en hierover gepubliceerd is, komt de rechtbank niet vreemd voor gezien de positie die verdachte reeds binnen de maatschappij had verworven. waarbij hij ook de nodige bekendheid genoot. Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen. Niet is gebleken dat publicaties in de media zijn verschenen met onbewezen aantijgingen en andere onjuistheden betreffende verdachte, waardoor verdachte in zijn persoon zou zijn geschaad. Nu de rechtbank niet is gebleken van onaanvaardbare media-aandacht, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden bij de strafmaat.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdacht rekening gehouden met het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 4 maart 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie en justitie.

De rechtbank heeft kennis genomen van het feit dat verdachte in 2011 problemen met zijn gezondheid heeft gehad.

De rechtbank beschikt niet over een rapport van de Reclassering dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte zou kunnen uitleggen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan, omdat hij zonder bericht, niet is verschenen op de uitnodiging van de Reclassering.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Feiten 2, 3, 4 en 5: Telkens, medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Feiten 6 en 7: Telkens, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Feit 8 Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 april 2012.