Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0724

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
315018 / HA ZA 11-1804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Productaansprakelijkheid. Bedrijfsongeval. Tijdens werkzaamheden is een man enkele meters naar beneden gevallen nadat hij had geleund tegen een ligger van een rolsteiger en die ligger is losgeraakt. Vervolgens bleek een van de twee klauwen, bevestigd aan de ligger, te zijn afgebroken. In verband met het beroep van de producent op het verval van het recht op schadevergoeding op grond van artikel 6: 191 lid 2 BW, dient zij te bewijzen dat de ligger langer dan 10 jaar geleden in het verkeer is gebracht. Het slachtoffer van het ongeval dient te bewijzen dat de ligger op de juiste wijze was bevestigd en dat de gietblaas in de afgebroken klauw meebrengt dat de ligger gebrekkig was. Rechtbank acht deskundigenbericht noodzakelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 185
Burgerlijk Wetboek Boek 6 191
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 315018 / HA ZA 11-1804

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.J. Borghans te Arnhem,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

ALTEC ALUMINIUM-TECHNIK GmbH,

gevestigd te Mayen, Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. G. Klink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Altec genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht van 28 september 2011, waarin deze zaak (met nummer 705574 / 10-12072) in de stand waarin zij zich bevond is verwezen naar de handelskamer van deze rechtbank.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst voor de relevante feiten naar het tussenvonnis van

28 september 2011. Kort samengevat komen de feiten op het volgende neer. [eiser] was in dienst van [werkgever eiser] en stond op 28 juni 2007 tijdens zijn werkzaamheden in Vianen op een werkplateau dat onderdeel uitmaakte van een rolsteiger. De rolsteiger was door de werkgever van [eiser] gehuurd van het bedrijf Spreeuwenberg Hoogwerkers Systemen BV, thans Loxam BV (hierna: Loxam). Dit werkplateau bevond zich op 1,64 meter boven de vloer van de ruimte waarin [eiser] aan het werk was. Op een hoogte van 62 cm boven het werkplateau bevond zich horizontaal, parallel aan het werkplateau, een ligger die aan beide zijden was vastgeklemd aan een staander door middel van een aluminium klauw die onderdeel uitmaakte van de ligger. [eiser] is van het werkplateau gevallen en heeft daarbij letsel opgelopen. De ligger, die is geproduceerd door Altec, is naast [eiser] op de grond aangetroffen. Een van de twee klauwen die onderdeel uitmaakten van de ligger bleek te zijn gebroken. Expertisebureau Andriessen & Geurst, welk bedrijf in opdracht van een verzekeraar van Loxam een onderzoek naar de toedracht van het ongeval heeft ingesteld (hierna: Andriessen & Geurst) heeft in haar rapport van 16 augustus 2007 geconstateerd dat zich in de aluminium klauw een luchtbel bevond, een zogenoemde gietblaas.

Bevoegdheid rechtbank

2.2. Op grond van artikel 5 lid 3 van de EEX-Verordening kan een persoon die woonachtig is in een lidstaat in het geval van een (gestelde) onrechtmatige daad worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Het schadebrengende feit omvat bij productaansprakelijkheid zowel de (schade)veroorzakende gebeurtenis - het in het verkeer brengen van het gebrekkige

product - als het intreden van de daardoor veroorzaakte schade. Aangezien het ongeval in Vianen heeft plaatsgevonden en de schade als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad is ingetreden in het arrondissement Utrecht, is de rechtbank bevoegd de daarmee samenhangende vorderingen van [eiser] te beoordelen.

Toepasselijk recht is Nederlands recht

2.3. De EG-Verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome-II) heeft betrekking op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan op of na 11 januari 2009. In de onderhavige zaak geldt Rome II dus niet. Het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op de aansprakelijkheid wegens produkten, ook het Haags Productaansprakelijkheidverdrag genoemd (hierna: het verdrag), is in Nederland op 1 september 1979 in werking getreden. Duitsland, waar Altec is gevestigd, is geen partij bij het verdrag maar op grond van artikel 11 van het verdrag is wederkerigheid niet vereist. Artikel 1 lid 2 van het verdrag bepaalt dat het verdrag niet van toepassing is op een vordering uit hoofde van productaansprakelijkheid tegen iemand van wie het schadeveroorzakende product direct is betrokken. Deze uitzondering, in het leven geroepen omdat dergelijke verhoudingen contractueel van aard zijn, doet zich hier niet voor nu het steigeronderdeel in het verkeer is gebracht doordat Altec dit aan Loxam (de verhuurder van de steiger) heeft verkocht en geleverd.

2.4. Artikel 4 aanhef en onder a van het verdrag bepaalt dat de toepasselijke wet is de interne wet van de staat op wiens grondgebied het schadeberokkenende feit zich heeft voorgedaan, indien die staat tevens is de staat van de gewone verblijfplaats van de persoon die rechtstreeks schade lijdt. Onder het schadeberokkenende feit is te verstaan de gebeurtenis waardoor het product op de persoon of de zaken van de benadeelde een schadelijke uitwerking heeft of begint te krijgen. In dit geval moet daaronder worden verstaan de breuk van de klauw. Met de persoon die rechtstreeks schade lijdt wordt bedoeld degene die zelf in contact is geweest met het product door gebruik, consumptie e.d. Dat is in dit geval [eiser], die woonachtig is in Nederland. Het voorgaande brengt mee dat op deze zaak Nederlands recht kan worden toegepast.

Standpunten van partijen

2.5. Volgens [eiser] is de breuk in de klauw ontstaan toen hij de ligger had vastgepakt en daarop leunde. Hij neemt het standpunt in dat Altec als producent van de steigeronderdelen aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden door het ongeval, aangezien dit ongeval is ontstaan door een gebrek aan de ligger. Dit gebrek is volgens [eiser] gelegen in de bij de fabricage van de klauw ontstane gietblaas en in andere onregelmatigheden. Voorts betoogt [eiser] dat indien geen sprake was van een gietfout, de klauw niet zou zijn afgebroken op het moment dat hij de leuning vastpakte. [eiser] baseert zijn vorderingen op artikel 6:185 Burgerlijk Wetboek (BW).

2.6. Altec betoogt dat artikel 6:185 BW niet van toepassing is omdat de klauw in mei 1989 in het verkeer is gebracht, terwijl dit artikel (als onderdeel van de wet ter implementatie van de Richtlijn productaansprakelijkheid) pas op 1 november 1990 in werking is getreden. Voor zover artikel 6:185 BW wel toepasselijk is neemt Altec het standpunt in dat het eventuele recht op schadevergoeding dat [eiser] op grond van productaansprakelijkheid mocht hebben gehad, ingevolge artikel 6:191 lid 2 BW is vervallen. In verband hiermee voert Altec aan dat [eiser] de procedure heeft ingesteld op een moment waarop meer dan 10 jaar zijn verstreken nadat Altec de steiger met de bewuste klauw in het verkeer heeft gebracht.

2.7. Altec betoogt voorts dat de omstandigheid dat bij de fabricage van de klauw een gietblaas is ontstaan, niet betekent dat sprake is van een gebrekkig product. Volgens haar vallen gietblazen bij het gieten van aluminium niet te vermijden en worden daarom de klauwen (door partijen in navolging van de arbeidsinspectie ook bekjes genoemd) ‘überdimensioniert’, dat wil zeggen dat zij hoogwaardiger worden uitgevoerd dan waarmee op grond van de technische vereisten zou kunnen worden volstaan. In dit verband voert Altec aan dat zij hoge eisen stelt aan de afmetingen, de materiaalsterkte en de kwaliteit van het materiaal en dat de door haar bij de productie van de liggers aangebrachte klauwen daardoor bijzonder sterk en duurzaam zijn. Met betrekking tot de door [eiser] gestelde andere onregelmatigheden neemt Altec het standpunt in dat zij niet kan beoordelen of deze een gebrek opleveren nu [eiser] deze niet nader heeft gespecificeerd. Ook betwist Altec dat deze onregelmatigheden aanwezig waren op het moment dat de ligger door haar in het verkeer werd gebracht. In verband hiermee voert Altec aan dat die onregelmatigheden zeer goed kunnen zijn ontstaan door het gebruik van de ligger in de daaropvolgende 18 jaren.

2.8. Tevens neemt Altec het standpunt in dat het ongeval kan zijn veroorzaakt doordat de klauw tijdens het jarenlange gebruik beschadigd is geraakt, doordat de ligger (waarvan de klauw onderdeel uitmaakte) niet deugdelijk was bevestigd of doordat [eiser] de steiger onjuist heeft gebruikt door op de ligger te gaan staan.

Juridisch kader

2.9. [eiser] stelt niet uitdrukkelijk dat Altec jegens hem aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. Met inachtneming van de artikelen 24 en 25 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) en gelet op het in 2.5 weergegeven standpunt van [eiser] zal de rechtbank zijn vorderingen echter toetsen aan zowel artikel 6:162 BW als 6:185 BW. In het geval dat de rechtbank artikel 6:162 toepast is op grond van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad ook het Nederlandse recht van toepassing. In beide gevallen (artikel 6:162 BW en artikel 6:185 BW) dient [eiser] de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade te stellen en zo nodig te bewijzen. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:185 BW volgt dit uit artikel 6:188 BW.

2.10. Artikel 6:186 bepaalt dat een product gebrekkig is indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder:

a) de presentatie van het product (het geïndiceerde of geadverteerde gebruik, de gebruiksaanwijzing en eventuele waarschuwingen)

b) het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product

c) het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht.

De belangrijkste overige in aanmerking te nemen omstandigheden zijn:

d) het nut/de voordelen van het product

e) de kans dat er schade ontstaat (de frequentie)

f) de ernst van de schade (kans op overlijden, ernstig letsel, licht letsel, alleen zaakschade)

g) de kenbaarheid van het gevaar (algemene bekendheid of waarschuwing) en de mogelijkheid voor de gebruiker dit te vermijden (door het niet te gebruiken, of door een ander product te gebruiken, of door de wijze van gebruik)

h) de beschikbaarheid en haalbaarheid van een veiliger product (zowel technisch als economisch).

2.11. Het in het verkeer brengen van een product dat gebrekkig is in de zin van artikel 6:186 BW levert een onrechtmatige daad op. Dit volgt uit het Halcion-arrest van de Hoge Raad van 30 juni 1989, NJ 1990, 652 (rechtsoverweging 4.4.2). Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is tevens vereist dat de onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend, doordat zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Leunen tegen de ligger / staan op de ligger

2.12. Voordat de rechtbank toe kan komen aan een toetsing aan de hand van het juridisch kader moet eerst worden vastgesteld of [eiser] de ligger met zijn hand heeft vastgepakt of dat hij daarop is gaan staan, zoals Altec betoogt. Altec baseert dit verweer op het rapport van Andriessen & Geurst (bladzijde 4):

“Zoon Richard verklaart ook dat hij de benen van zijn vader ziet indien deze valt. Het lijkt erop dat de zoon over de muur heenkeek. Indien echter iemand valt vanaf anderhalve meter hoogte, bevreemdt het verzekerde dat iemand met zijn benen in de lucht valt. Het lijkt er dan op dat de heer [eiser] senior toch op de leuning heeft gestaan.”

2.13. Dit verweer slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat het onmogelijk is dat de benen van [eiser] bij een val van deze steiger, waarbij de ligger zich iets boven kniehoogte bevond, direct na het inzetten van de val hoger konden komen dan de rest van het lichaam, er vanuit gaande dat [eiser] die ligger met een hand heeft vastgepakt en daarop heeft geleund. Juist gelet op de relatief geringe hoogte van de ligger is het denkbaar dat [eiser] voorover is gevallen en dat zijn benen zich daarbij omhoog hebben gericht. Aangezien bovendien niemand het begin van de val heeft gezien gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser] niet op de ligger heeft gestaan maar dat hij deze heeft vastgepakt, zoals hij ook tegenover de arbeidsinspectie heeft verklaard.

Tijdstip waarop de ligger in het verkeer is gebracht / bewijsopdracht

2.14. Het tijdstip waarop de ligger door Altec in het verkeer is gebracht is niet alleen van belang voor de beantwoording van vraag of de ligger gebrekkig is maar ook in verband met de in 2.6 genoemde verweren van Altec. Altec betoogt dat zij de ligger in mei 1989 heeft verkocht en geleverd aan Loxam. Ter onderbouwing daarvan heeft Altec een foto in het geding gebracht van, naar zij stelt, de desbetreffende klauw met de datumstempel “Mai, 89”. Ook heeft Altec in verband hiermee een brief overgelegd die zij op 17 augustus 2007 heeft gezonden aan de Mittelrheinische Metallgiesserei, welk bedrijf volgens haar de desbetreffende klauw in mei 1989 aan Altec heeft geleverd. [eiser] neemt het standpunt in dat uit die brief nog niet volgt dat de ligger in mei 1989 in het verkeer is gebracht. Tevens voert hij aan dat de opsteller van het rapport van Andriessen & Geurst diverse foto's van de klauw heeft gemaakt van verschillende kanten, dat de klauw dus goed is onderzocht en van meerdere kanten is bekeken en dat desondanks in het rapport is geconcludeerd dat de aanschafdatum van de betreffende ligger niet is te achterhalen en de ouderdom ervan niet bekend is.

2.15. Vast staat dat Loxam de klauw na het ongeval aan Altec heeft gezonden. Altec is dan ook in staat gesteld om zelf foto's van de klauw te maken. Gelet op het gemotiveerde verweer van [eiser] kan de rechtbank echter nog niet vaststellen wanneer de ligger in het verkeer is gebracht. In verband met het door Altec ingenomen standpunt dat het eventuele recht op schadevergoeding dat [eiser] op grond van productaansprakelijkheid mocht hebben gehad, ingevolge artikel 6:191 lid 2 BW is vervallen, dient Altec op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv te bewijzen dat zij de desbetreffende ligger meer dan 10 jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding door [eiser] (11 augustus 2010) in het verkeer heeft gebracht. Daarom zal zij op dit punt een bewijsopdracht krijgen.

2.16. Voor zover Altec het bewijs door middel van getuigen wil leveren moet er bij het oproepen van de getuigen rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt.

Overige omstandigheden die nog moeten worden verduidelijkt / deskundigenbericht

2.17. Zelfs indien het tijdstip waarop de ligger in het verkeer is gebracht niet relevant zou zijn, zou de rechtbank de vraag of de gietblaas in de klauw meebrengt dat de ligger als een gebrekkig product moet worden beschouwd in dit stadium van het geding niet kunnen beantwoorden, gelet op het gemotiveerde verweer van Altec (zie 2.7). Op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige die in verband daarmee zal worden benoemd nadat bewijslevering zal hebben plaatsgevonden over het tijdstip waarop de ligger in het verkeer is gebracht.

2.18. Het is de rechtbank ook nog niet duidelijk of de ligger op de juiste wijze aan de twee staanders was bevestigd en hoe de breuk in de klauw is ontstaan. De gebruikershandleiding bij de steiger schrijft voor dat een ligger met de open zijde van de klauw naar buiten wijzend aan een staander moet worden bevestigd. De zoon van [eiser] heeft tegenover de arbeidsinspectie verklaard:

“Ik had de betreffende rolsteiger samen met [A] […] een dag voor het ongeval opgebouwd. De bovenste leuning hadden [A] en ik aan de buitenzijde van de staander vastgeklikt. Dit hadden wij gedaan omdat de rolsteiger even snel weggezet moest worden. Op de dag van het ongeval, voor het ongeval, heb ik op de bewuste rolsteiger gewerkt. Ik heb toen de bovenste ligger die als leuning diende op de bovenste ligger van het frame geplaatst.”

[eiser] heeft tegenover de arbeidsinspectie verklaard:

“Ik had deze leuning aan de binnenkant van de staander vastgeklikt. Dit had ik gedaan toen ik die dag op de rolsteiger ging werken.”

2.19. Uitgaande van de verklaring van de zoon van [eiser] had hij de ligger, waarvan de klauw is afgebroken, een dag voor het ongeval op onjuiste wijze bevestigd (met de open zijde van de klauwen naar binnen wijzend). Uit de verklaring van de zoon van [eiser] volgt voorts dat hij op de dag van het ongeval de ligger andersom, met de open zijde van de klauwen naar buiten wijzend, aan de staanders heeft bevestigd. Ook [eiser] zelf heeft verklaard dat hij dit op de dag van het ongeval heeft gedaan. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat beiden hebben verklaard de ligger op de dag van het ongeval op de juiste wijze te hebben bevestigd. Als een van hen de ligger met de open zijde van de klauwen naar buiten wijzend aan twee staanders heeft bevestigd, is het immers niet nodig dat de ander dat vervolgens ook nog doet.

2.20. In het (ongedateerde) rapport van de arbeidsinspectie staat het volgende (blz. 3):

“De palletjes die ingedrukt moeten worden om de bekjes van de ligger/leuning op de ligger of staander van het frame van de rolsteiger te bevestigen verkeerden allebei in goede staat en functioneerden zoals deze behoorden te functioneren.”

In het rapport van Andriessen & Geurst staat het volgende (blz. 5):

“Indien het materiaal onjuist is gemonteerd (van buiten naar binnen) kan er volgens verzekerde wel een verklaring voor de breuk en het op de grond aangetroffen materiaal worden beredeneerd. De leuning/ligger schiet dan los uit de borg, zwenkt vervolgens naar buiten waardoor het slachtoffer met zijn volle gewicht op de stang leunt (welke dan nog steeds aan één zijde vastzit). Door de hefboomwerking kan het materiaal dan afbreken waardoor de leuning/ligger aan beide zijden losraakt en op de grond terechtkomt - naast het slachtoffer.”

De aan de deskundige voor te leggen vragen (zie hierna) dienen er ook toe om duidelijkheid te krijgen over dit punt.

2.21. Ook op andere onderdelen bestaat bij de rechtbank behoefte aan voorlichting door een deskundige. Het gaat om de volgende punten die zijn beschreven in het rapport van Andriessen & Geurst:

(blz. 4 bovenaan)

“De heer [manager kwaliteit Loxam] [rechtbank: de manager kwaliteit, veiligheid en milieu van Loxam] heeft aan [werkgever eiser] voorgesteld om SGS röntgenfoto’s van de leuning/ligger te laten maken. Uit de röntgenfoto’s blijken interne onregelmatigheden. Mogelijk was het bekje verzwakt.”

(blz. 4, tweede alinea)

“Op mijn vraag of in het verleden een dergelijk voorval eerder is voorgekomen, verklaarde de heer [manager kwaliteit Loxam] dat dergelijke bekjes weleens scheurtjes vertoonden. Om deze reden is de kop versterkt. Bij het opbouwen of afbreken van de steiger wordt wel eens een buis van bovenaf aangenomen en soms stuitert deze op de grond. Door de verzwaring aan de kop van de klauw raakt deze als eerste de grond. […]”

(blz. 4 onderaan/5 bovenaan)

“In de optiek van de heer [manager kwaliteit Loxam] is het vreemd dat het materiaal naast de vader [rechtbank: [eiser]] op de grond aangetroffen is omdat:

1. het materiaal, indien juist gemonteerd, bij het afbreken nog steeds aan de staander bevestigd had moeten blijven;

2. het naar buiten zwenken zou eventueel door het restant van de pin aan de stang worden voorkomen.”

Aan de deskundige te stellen vragen

2.22. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, voorlopig van oordeel dat aan de deskundige de navolgende vragen moeten worden voorgelegd:

1) Bood de ligger de veiligheid die men daarvan mocht verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen? Wilt u daarbij in ieder geval ook ingaan op de omstandigheid dat zich in de klauw een gietblaas bevond en op de omstandigheid dat volgens Andriessen & Geurst uit röntgenfoto’s van de klauw interne onregelmatigheden zijn gebleken?

2) Is het mogelijk, er vanuit gaande dat de borging van de klauwen goed functioneerde en dat de klauwen op de juiste wijze, met de opening naar buiten wijzend, waren bevestigd, dat de ligger op de grond terecht is gekomen nadat een van de klauwen is afgebroken terwijl deze aan een staander bevestigd was? Wilt u daarbij aangeven de mate van waarschijnlijkheid dat dit is gebeurd?

3) Is het mogelijk dat zich direct voorafgaand aan het ongeval een scheur in de klauw bevond doordat de ligger in het verleden op de grond is gestuiterd en dat, er vanuit gaande dat de borging van de klauwen goed functioneerde en dat de klauwen op de juiste wijze, met de opening naar buiten wijzend, waren bevestigd, die klauw is afgebroken doordat [eiser] tegen de ligger heeft geleund? Wilt u daarbij aangeven de mate van waarschijnlijkheid dat dit is gebeurd?

4) Is het mogelijk, er vanuit gaande dat de borging van de klauwen goed functioneerde en dat de klauwen op onjuiste wijze, met de opening naar binnen wijzend, waren bevestigd, dat een van de klauwen op het moment dat [eiser] tegen de ligger leunde los is gekomen doordat de borg die klauw niet meer om de staander klemde, dat de ligger met de andere klauw aanvankelijk nog is blijven vastzitten aan de staander waaraan die klauw was geklemd, en dat die klauw vervolgens door de druk van het gewicht van [eiser] is afgebroken? Wilt u daarbij aangeven de mate van waarschijnlijkheid dat dit is gebeurd?

2.23. Vooralsnog kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met de benoeming van één deskundige. Indien de rechtbank overgaat tot de benoeming van een deskundige zal Altec de klauw aan de deskundige moeten verstrekken. Voordat de rechtbank overgaat tot de benoeming van een of meer deskundige(n) zal zij partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Partijen krijgen hiertoe de gelegenheid in hun conclusie na enquête of, indien Altec afziet van bewijslevering (zie 2.15), bij akte.

2.24. Nu [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg (schadevergoeding) van zijn stellingen dat de gietblaas en andere interne onregelmatigheden in de klauw meebrengen dat de ligger een gebrekkig product is en dat de ligger met de klauwen naar buiten wijzend was bevestigd, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op hem de bewijslast van die stellingen. Gelet hierop ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij, dus door [eiser], zal moeten worden gedeponeerd.

2.25. Alle overige beslissingen zullen door de rechtbank worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. draagt Altec op te bewijzen dat zij de ligger, waarvan op 28 juni 2007 een klauw is afgebroken, meer dan 10 jaar voor het uitbrengen van de dagvaarding door [eiser] (11 augustus 2010) in het verkeer heeft gebracht,

3.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 25 april 2012, teneinde Altec in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren,

3.3. bepaalt dat, indien Altec (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen,

3.4. bepaalt dat, indien Altec bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun advocaten en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden,

3.5. bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend

- indien Altec geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten,

3.6. bepaalt dat het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald,

3.7. bepaalt dat partijen zich in hun conclusie na enquête of, indien Altec op de rolzitting van 25 april 2012 aangeeft dat zij afziet van bewijslevering (zie 2.15), op de rolzitting van woensdag 9 mei 2012 bij akte dienen uit te laten over hetgeen is vermeld in 2.23,

3.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. L.A.C. de Vaan en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.?