Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0254

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
16-441033-11 en 16-444378-08 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, telkens belaging en smaadschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/441033-11 en 16/444378-08 (tul)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1943]

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres]

Raadsman mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [slachtoffer 1] woordelijk heeft bedreigd;

feit 2: [slachtoffer 2], dan wel een ander, stelselmatig heeft lastig gevallen;

feit 3: zich schuldig heeft gemaakt aan smaad(schrift) ten aanzien van [slachtoffer 2].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit, voor zover het betreft het telefonisch benaderen van [slachtoffer 2]. De officier van justitie heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar het proces-verbaal van aangifte en het proces-verbaal van bevindingen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit stelt de officier van justitie zich eveneens op het standpunt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit en heeft voor dat feit vrijspraak bepleit. Wel kan verdachte naar de mening van de verdediging zowel worden veroordeeld voor het telefonisch benaderen van aangever, ten laste gelegd onder feit 2, als ook voor het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vraag die de rechtbank zich ambtshalve stelt bij de beoordeling van feit 3 is of verdachte door het versturen van de brief aan het bestuur van de Stichting voor Afrika het kennelijke doel had om "ruchtbaarheid" te geven aan de inhoud van die brief. Blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient het bestanddeel ‘om daaraan ruchtbaarheid te geven’ van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht te worden opgevat in de betekenis van: om het ter kennis van het publiek te brengen. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld (vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC9186, NJ 2008/430).

Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat hij het bestuur van de stichting (naast zijn broer bestaande uit een tweetal bestuursleden, zijnde een beperkte selectieve groep van personen) wilde waarschuwen tegen zijn broer. Hieruit leidt de rechtbank af dat hij dus niet het doel heeft gehad om zijn waarschuwing ter kennis te brengen van het brede publiek. Geconcludeerd moet worden, dat zijn brief niet het karakter had van een openbare kwaadwillige beschuldiging, hetgeen dient te leiden tot vrijspraak van de eerste feitelijke omschrijving van het sub 3 ten laste gelegde feit.

Voor zover de feitelijke omschrijving ziet op het bevestigen van prints van een e-mail met dezelfde inhoud onder de ruitenwissers van auto’s kan feit 3 naar het oordeel van de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen worden.

De rechtbank heeft hierbij gelet op de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van [slachtoffer 1] die de aangifte ondersteunt en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover die inhoudt dat hij kopieën van de e-mail aan de bestuursleden van de stichting heeft vervaardigd en deze onder de ruitenwissers van een aantal auto’s heeft bevestigd in de woonomgeving van [slachtoffer 1].

De verklaring van verdachte dat hij dit laatste enkel zou hebben gedaan bij de auto’s van zijn familieleden, die voor de deur stonden, acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder ook de getuigenverklaring ter terechtzitting van [slachtoffer 1], dat de brieven niet alleen bij auto’s direct voor het huis waren aangebracht, maar bij het hele rondje onder de ruitenwissers waren gestoken, 10 meter rond het huis heen, ook bij (auto’s van) buren en dat de pamfletten ook in de tuin van de buren lagen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, oplevert. Op 7 mei 2010 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan waarbij hij heeft verklaard dat verdachte hem op 5 mei 2010 opbelde. Aangever hoorde dat verdachte door de telefoon tegen hem zei: “Als ik jou niet klein krijg, dan krijg ik je kinderen wel te pakken en maak ik die af”. Bij aangever bestond de overtuiging dat zijn oom zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangever gebeld heeft en dat hij op dat moment over zijn toeren was. De rechtbank neemt hierbij in haar overweging mee dat dit feit heeft plaatsgevonden op dezelfde avond direct na het bevestigen van de kopieën van een email, waarin verdachte zijn broer van strafbare feiten beschuldigt, onder de ruitenwissers van de auto’s, het onder 3 bewezen feit.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat het door artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht beschermde rechtsgoed ook op het spel kan staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander (in casu: tegen de kinderen van [slachtoffer 1]) dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad (vgl. HR 25 januari 2011, LJN BO3400).

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte hem voortdurend thuis belt. Er zijn avonden dat verdachte tien keer belt. Zo heeft verdachte op 27 oktober 2008 twaalf maal naar het toenmalige woonadres van aangever in [woonplaats] gebeld. Op 21 september 2009 heeft aangever bij de politie melding gemaakt van het feit dat verdachte de laatste dagen veelvuldig bij hem en zijn zonen langs de deur was gereden met de auto, verdachte draait dan een raampje open en kraamt dan allerlei onzin uit. Verdachte heeft hen met de dood bedreigd, hij heeft hen met openbaarmaking van feiten die niet waar zijn bedreigd en hij dreigt daarnaast met allerlei procedures. Door het gedrag van verdachte voelt aangever zich belaagd en bedreigd. Ook aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn gezin wekelijks telefoontjes ontvangt van verdachte. De ene keer wordt de hoorn op de haak gegooid, maar een volgende keer scheldt verdachte hen de huid vol en slaat hij dreigende taal uit.

Daar komt bij dat het proces-verbaal van bevindingen, dat een overzicht inhoudt van de incidenten betreffende verdachte, blijk geeft van een aantal meldingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betreffende

-lastigvallen [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt:[slachtoffer 2] (21-09-09);

-telefonische bedreiging met de dood van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) (02-10-09);

-bellen van [slachtoffer 2] in de nacht (02-10-09);

-bellen van [slachtoffer 1] en bedreiging met “kom bij me langs, ik heb de messen al klaar liggen”(06-10-09);

-bellen naar [slachtoffer 1] en rare dingen zeggen (04-02-10);

-telefonisch lastigvallen van [slachtoffer 2] (04-01-10).

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 5 mei 2010 te [woonplaats][slachtoffer][slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd:" Als ik jou niet klein krijg, dan krijg ik je

kinderen wel te pakken en maak ik die af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 27 oktober 2008 tot en met 4 februari 2010 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen en/of vrees aan te jagen, immers heeft die verdachte toen en daar

-genoemde [slachtoffer 2] (en diens kind),

meermalen telefonisch benaderd en

-zich hinderlijk in de directe omgeving van die [slachtoffer 2] (en

zijn kind) opgehouden door veelvuldig met zijn auto langs hun

woningen te rijden en

-die [slachtoffer 2] (en zijn kind) meermalen bedreigend

bejegend;

3.

hij op 5 mei 2010 te [woonplaats], opzettelijk, door middel van verspreiding van geschriften, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 2] heeft aangerand door

telastelegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven,

immers heeft verdachte met voormeld doel een geschrift,

met de tekst -zakelijk weergegeven-

"Wie is [slachtoffer 2] in werkelijkheid; de voorzitter met zijn mooie praatjes

en leugens. [slachtoffer 2] was directeur eigenaar van [bedrijf] wat een prachtig

mooi bedrijf was, maar hij zat onder crimineel handen. Het bedrijf bestond uit

49% aandelen van [slachtoffer 2]. (..) De heer Wim Endstra die DOODGESCHOTEN IS

in zijn tuin ook 49% AANDELEN van [bedrijf] en was en grote crimineel. Het

bedrijf is in het geheel leeg gestolen door bovenvermelde aandeelhouders (..).

Het zijn gewoon criminelen en hij uit zich als de grote voorzitter van

www.devrienden vooraafrika, hij moet zich doodschamen, dat hij zelf zo

misdadiger is. () Ik ben een wrak en hij is miliioenen, maar tevens een

crimineel(),"

verspreid door kopieën van voornoemd geschrift te bevestigen onder de ruitenwissers van personenauto's in de directe woonomgeving van [slachtoffer 1] (de [adres]) geparkeerd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: telkens belaging;

feit 3: smaadschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden schuldig verklaard zonder strafoplegging overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zijn neef bedreigd, een ernstige bedreiging gericht tegen diens kinderen. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan het stelselmatig lastigvallen van zijn broer en diens zoon, door telkens telefonisch contact op te nemen en bedreigingen te uiten en door met zijn auto langs hun woningen te rijden. De slachtoffers zijn veelvuldig onnodig gebeld en gestoord en hebben in angst geleefd. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van zijn neef.

Verdachte is van mening dat zijn broer ten onrechte geen pensioenpremies voor hem heeft afgedragen en dat hij tengevolge hiervan nu van een klein inkomen moet rondkomen terwijl zijn broer in welstand kan leven. Verdachte lijkt obsessief bezig met dit conflict en er zijn al diverse procedures over gevoerd.

Omdat verdachte zich onrechtvaardig behandeld blijft voelen heeft hij e-mails waarin verdachte allerlei beschuldigingen jegens zijn broer uit verspreid in de omgeving van de woning van zijn neef. Verdachte is er dus ook toe overgegaan om mensen uit het netwerk van zijn slachtoffer te benaderen.

Met deze gedragingen heeft verdachte telkens opnieuw inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon en zijn eer en goede naam geschaad. De rechtbank rekent verdachte dat zwaar aan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Daarnaast blijkt uit het reclasseringsadvies d.d. 8 september 2011, opgemaakt door

S. Dijkslag, dat het relatief goed is gegaan met verdachte tijdens het door de politierechter van 25 september 2007 opgelegde reclasseringstoezicht. Er wordt zodanige vooruitgang geconstateerd dat begeleiding volgens de reclassering niet voortgezet hoeft te worden. Echter, er hebben de rechtbank tijdens de behandeling van deze zaak ook signalen bereikt dat verdachte nog steeds elders personen dan wel instanties lastig valt.

Dit vindt de rechtbank zorgelijk. Alles overwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd voor de duur van 2 jaar. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk, hetgeen de rechtbank van belang acht, en beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De reclassering kan zelf de frequentie en noodzaak van het contact inschatten.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert terzake van feit 1 op de tenlastelegging een schadevergoeding van € 427,28.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 27,28, ter zake van materiële schade (vervoer- en parkeerkosten), een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het moment van het ontstaan van die schade. Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. De rechtbank is van oordeel dat de strafvervolging van verdachte reeds voor voldoende genoegdoening zorgt voor de benadeelde partij en dat er derhalve geen ruimte meer is voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van gestelde immateriële schade. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De tenuitvoerlegging

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

Aan verdachte is bij vonnis van deze rechtbank van 25 september 2009 een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

De rechtbank is echter van oordeel dat het gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte niet opportuun is om de straf ten uitvoer te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering afwijzen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 63, 261, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: telkens belaging;

feit 3: smaadschrift;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens Centrum Maliebaan te geven aanwijzingen, zolang en zo frequent als die instelling dat nodig acht;

- met opdracht aan voornoemde reclasseringsinstelling de veroordeelde bij de naleving

van de voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 27,28, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1], € 27,28 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis d.d. 25 september 2009.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en

mr. N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 maart 2012.

Mr. N. van der Velden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.