Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0227

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-02-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
794381 AE VERZ 12-48 IV 4080
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek werknemer strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van vergoeidng gebaseerd op C=2. Arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder vergoeding, omdat werknemer zijn hoge positie ( directeur) onmogelijk heef tgemaakt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 794381 AE VERZ 12-48 IV 4080

beschikking d.d. 27 februari 2012

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. R.G. Prakke,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AT Osborne B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen AT Osborne,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.J.V. van Logten.

Het verloop van de procedure

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend.

AT Osborne heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 14 februari 2012 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

1. De feiten

1.1. [verzoeker], 49 jaar oud, is op 1 januari 1993 in dienst van (de rechtsvoorganger van) [verzoeker] getreden. Het laatstgenoten brutoloon bedraagt € 10.564,00 per maand exclusief emolumenten. Zijn laatste functie was directeur Infrastructuur, Gebiedsontwikkeling en Milieu (hierna ‘IGM’). [verzoeker] is tevens lid van de Raad van Bestuur van AT Osborne België.

1.2. Tot 1 oktober 2011 bestond de directie van AT Osborne uit de heer [de directievoorzitter], de statutaire directievoorzitter en alleen/zelfstandig bevoegd (hierna [de directievoorzitter]), alsmede de heren [de directeur huisvesting], directeur Huisvesting & Vastgoed (hierna [de directeur huisvesting]) en [verzoeker].

1.3. AT Osborne heeft een Raad van Commissarissen (hierna RvC), bestaande uit drie personen, te weten de heer [de president-commissaris], president-commissaris, mevrouw [commissaris 1] en de heer [commissaris 2].

1.4. Op 14 april 2011 hebben [verzoeker] en [de president-commissaris] met elkaar gesproken en gegeten in Hotel Karel V in Utrecht. Tijdens dit gesprek is onder meer stilgestaan bij de persoon van [verzoeker] en zijn loopbaan binnen AT Osborne.

1.5. Op 27 april 2011 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [de directeur huisvesting] en [verzoeker]. Hierin hebben beide directieleden hun ongenoegen/frustraties geuit over het leiderschap van [de directievoorzitter].

1.6. Op 15 mei 2011 heeft een bespreking plaats gevonden op het woonadres van [de president-commissaris]. Aanwezig waren [verzoeker], [de directeur huisvesting] en [de president-commissaris]. Tijdens deze bespreking hebben [verzoeker] en [de directeur huisvesting] het vertrouwen in [de directievoorzitter] opgezegd.

1.7. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [verzoeker] een notitie opgesteld met als titel ‘Verandering is nodig’. Hierin is onder meer te lezen:

‘Met [de directievoorzitter] (lees [de directievoorzitter]) uit de directie, kunnen [de directeur huisvesting] (lees [de directeur huisvesting]) en [verzoeker] (lees [verzoeker]) het samen doen. Want [de directievoorzitter] heeft op directiegebied weinig toegevoegde waarde. De taken die hij doet kunnen gemakkelijk worden verdeeld.’

1.8. Op 17 mei 2011 vindt er een bespreking plaats bij [verzoeker] thuis. Aanwezig zijn [de directeur huisvesting] en de business managers. Dezelfde avond vindt terugkoppeling plaats aan [de president-commissaris].

1.9. Op 18 mei 2011 wordt [de directievoorzitter] ingelicht. [de directievoorzitter] neemt hierna contact op met [de president-commissaris].

1.10. Op 19 mei 2011 biedt [de directeur huisvesting] [de directievoorzitter] zijn excuses aan.

1.11. Kort daarna voert [de directievoorzitter] gesprekken met de business managers en vraagt [de directievoorzitter] aan [verzoeker] of hij niet een nieuwe unit/RVE (Resultaat Verantwoordelijke Eenheid) wilde leiden, op het gebied van research & development, training etc.

1.12. Op 30 juni 2011 vindt een bijeenkomst plaats in hotel Karel V, waarbij de voltallige directie alsmede de business managers aanwezig waren. Tijdens deze sessie geeft [de directievoorzitter] onder meer een presentatie over de door hem voorziene nieuwe eenheden, de zogenaamde RVE’s.

1.13. Op 16 augustus 2011 vraagt [de directievoorzitter] of [verzoeker] bereid is de leiding van de afdeling IMG op te geven. Gesproken wordt wederom over een eventuele vijfde RVE.

1.14. Op 30 augustus 2011 vindt een gesprek plaats tussen [verzoeker] en [de directievoorzitter]. In dit gesprek geeft [verzoeker] aan dat hij een eventuele andere functie het beste vanuit een corporate directiefunctie kan bekleden en wel in die zin dat hij samen met [de directievoorzitter] (statutair) leiding wil geven aan AT Osborne. In reactie hierop vraagt [de directievoorzitter] aan [verzoeker] of hij nog immer bereid is om leiding te geven aan een vijfde RVE, zij het onder de voorwaarde dat er een tweede directeur bij komt, de heer [A].

1.15. [verzoeker] bespreekt dit met [A], maar die is hiertoe niet bereid.

1.16. Op 14 september 2011 deelt [de directievoorzitter] [verzoeker] mee dat een vijfde RVE definitief van de baan is.

1.17. Inmiddels polst [de directievoorzitter] twee anderen voor de nieuwe directiefunctie van IMG.

1.18. Op 14 september 2011 neemt het het bestuur van AT Osborne, bestaande uit [de directievoorzitter] en [bestuurslid], op grond van artikel 14 lid 5 van de Statuten van AT Osborne, het besluit om de vertegenwoordigingsbevoegdheid ingaande 1 oktober 2011 te wijzigen. In dit besluit is onder meer te lezen:

‘Wat betreft [verzoeker] kan ten slotte het volgende worden opgemerkt. De ‘gezagsvraagstukken’ waarover in punt 3.c. wordt gesproken spelen zich met name af bij het bedrijfsonderdeel Infrastructuur, Gebiedsontwikkeling & Milieu. Ook in de verhouding tussen [verzoeker] en het bestuur manifesteren zich in de loop der tijd te veel ‘gezagsvraagstukken’. Het bestuur betreurt het dat ondanks een uiterst zorgvuldige (o.a. onder externe begeleiding) procesgang met alle betrokkenen zij niet anders kan besluiten dan de aan [verzoeker] bij volmacht verleende vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bedrijfsonderdeel Infrastructuur, Gebiedsontwikkeling & Milieu, met bijbehorende titulatuur en volmacht te beëindigen en aan [directeur 1 IGM] en [directeur 2 IGM] over te dragen. Het bestuur benadrukt dat de positie van [verzoeker] als medewerker van AT Osborne op geen enkele wijze in het geding is.’

1.19. Op 21 september 2011 vindt er een bespreking plaats tussen [de president-commissaris] en [verzoeker]. In dit gesprek stelt [de president-commissaris] voor dat, gelet op de hele gang van zaken, [verzoeker] en AT Osborne uit elkaar moeten.

1.20. Op 3 oktober 2011 laat [verzoeker] weten dat hij zich niet kan vinden in de gang van zaken.

1.21. Bij brief van 7 oktober 2011 sommeert [verzoeker] AT Osborne hem toe te laten tot zijn eigen functie als directeur IGM.

1.22. Op 19 oktober 2011 stuurt AT Osborne aan [verzoeker] de volgende e-mail:

‘Beste [verzoeker],

Mede namens de directie van IGM, [directeur 1 IGM] en [directeur 2 IGM], is het mij een genoegen jou te vragen of jij titulair Directeur R&D IGM wilt zijn. Jij geeft daarbij zowel intern als extern invulling aan een van de titulaire directie van IGM afgeleide verantwoordelijkheid voor de R&D-performance van de werkmaatschappij IGM. Dit omvat geen generieke bestuurvertegenwoordigingsbevoegdheden en ook geen verantwoordelijkheden/bevoegdheden op HRM gebied. Anderzijds vormt de IGM-scope van de R&D-directiefunctie geen beletsel om jouw voorzitterschap van het AT Osborne Ontwikkelfonds te continueren, en/of een bureaubrede betekenis te hebben op het gebied van training en opleiding. Met toekenning van de titel Directeur R&D IGM willen wij je primair bevestigen in het gezag dat je op het gebied van R&D IGM, zowel intern als extern, hebt. Wij hopen ook dit samen met jou uit te bouwen in een vooraanstaande positie in de academische praktijk. Natuurlijk zijn er vele detailvragen te stellen en te beantwoorden. Maar graag hoor ik eerst van jou of de propositie je ten principale aanspreekt of niet.

Groet,

[de directievoorzitter]’.

1.23. [verzoeker] besluit dit voorstel af te wijzen en start een kort geding waarin hij toelating tot zijn eigen functie vordert.

1.24. Bij vonnis van 9 december 2011 wijst de voorzieningen rechter van de rechtbank Utrecht de vordering tot tewerkstelling af.

2. Het verzoek

2.1. [verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met AT Osborne te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande uit gewijzigde omstandigheden, onder toekenning aan hem van een vergoeding gebaseerd op C=2 (€ 585.000,00) te vermeerderen met een bedrag ad

€ 15.000,00 voor kosten rechtsbijstand.

2.2. Aan dit verzoek legt [verzoeker] - kort weergegeven - het volgende ten grondslag.

[verzoeker] betwist dat zijn functie is komen te vervallen. Uitsluitend door een eenzijdige en willekeurige actie van [de directievoorzitter] is besloten dat [verzoeker] deze functie niet langer mocht vervullen. De aangeboden functie is niet passend en door toedoen van [de directievoorzitter] is [verzoeker] in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. AT Osborne heeft [verzoeker] geen volwaardige kans gegeven. AT Osborne is dan ook tekort geschoten in haar rol als goed werkgever. Bovendien heeft AT Osborne geen rekening gehouden met de betekenis en de inzet van [verzoeker] gedurende de afgelopen 19 jaar. Nu AT Osborne - ondanks de suggestie van de voorzieningenrechter - zich niet constructief heeft opgesteld, rest [verzoeker] niets anders dan het indienen van het onderhavige ontbindingsverzoek.

3. Het verweer en zelfstandig tegenverzoek

AT Osborne voert gemotiveerd verweer dat bij de beoordeling aan de orde komt.

Tevens verzoekt AT Osborne de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn te ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding.

Hieraan legt AT Osborne - kort samengevat - ten grondslag dat [verzoeker] zich niet heeft gedragen als een goed werknemer. Vanaf april 2011 heeft hij doelbewust aangestuurd op problemen met zijn werkgever. Bovendien heeft [verzoeker] zich niet constructief opgesteld, maar was hij slechts uit op een riante beëindigingvergoeding.

4. De beoordeling

4.1. Vast staat dat beide partijen van mening zijn dat voortzetting van de arbeidsrelatie niet langer tot de mogelijkheden behoort. Om deze reden wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2012.

4.2. De vraag die resteert luidt of aan [verzoeker] ten laste van AT Osborne een vergoeding toegekend dient te worden. In het algemeen zal deze vraag bevestigend worden beantwoord indien de werkgever in overwegende mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van een - in dit geval voor beide partijen - onhoudbare situatie. In casu wordt de vraag ontkennend beantwoord. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.3. Vast staat dat [verzoeker] - al geruime tijd - geen vertrouwen had in [de directievoorzitter], als statutaire directeur van AT Osborne. Tevens staat vast dat [verzoeker] in het voorjaar 2011 het vertrouwen in [de directievoorzitter] heeft opgezegd en dat hij vergevorderde plannen had om het roer - samen met collega [de directeur huisvesting] - over te nemen. Voorafgaande aan de opzegging van het vertrouwen heeft [verzoeker] meerdere gesprekken gevoerd met de (voorzitter van de) RvC, [de directeur huisvesting] en de business managers. Tevens heeft [verzoeker] een notitie opgesteld, waarin hij in niet mis te verstane woorden uiting geeft aan zijn onvrede over het functioneren van [de directievoorzitter] (zie citaat in ro. 1.7.).

4.4. Hoewel het aannemelijk is - gelet op de door [verzoeker] overgelegde

e-mailcorrespondentie tussen [verzoeker] en [de directeur huisvesting] respectievelijk [verzoeker] en de voorzitter van de RvC (producties b. en c. bij brief van 14 februari 2012) - dat [verzoeker] aanvankelijk gesteund werd door zowel [de directeur huisvesting] als [de president-commissaris], hebben beide heren zich - voor [verzoeker] onverwacht - achter [de directievoorzitter] geschaard. [de directeur huisvesting] heeft [de directievoorzitter] zelfs zijn excuses aangeboden en daarmee een eventuele vertrouwensbreuk gelijmd. [de president-commissaris] stelt zich op het standpunt dat de RvC nimmer achter [verzoeker] heeft gestaan. Hoewel de e-mails anders doen vermoeden, is deze tournure [verzoeker] duur komen te staan. In plaats van aan de top, stond [verzoeker] onverwacht aan de zijlijn van AT Osborne en kwam zijn positie in het gedrang.

4.5. Zoals ter zitting ter sprake kwam heeft [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter met vuur gespeeld, door achter de rug om van [de directievoorzitter], collega’s en/of de RvC te mobiliseren teneinde [de directievoorzitter] de kunnen dwingen tot aftreden. Deze gang van zaken is in strijd met de bedoeling van het Directiestatuut, op grond waarvan de Directieleden bij onenigheid gehouden zijn eerst te onderzoeken of zij in onderling overleg tot een vergelijk kunnen komen. Mocht dit niet lukken, dan schrijft het statuut voor dat de directieleden gezamenlijk hun probleem voorleggen aan de RvC. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] deze weg heeft bewandeld. Aldus heeft [verzoeker] op laakbare wijze het gezag van [de directievoorzitter] ondermijnd en derhalve niet gehandeld als goed werknemer.

4.6. Tegen deze achtergrond is het aannemelijk dat de positie van [verzoeker] binnen het drie-koppige directieteam onmogelijk is geworden en dat de noodzakelijke vertrouwensbasis tussen de directieleden [de directievoorzitter], [de directeur huisvesting] en [verzoeker] volledig is komen te vervallen. Het is dan ook alleszins begrijpelijk dat [de directievoorzitter] heeft besloten dat er voor [verzoeker] binnen de directie geen plaats meer is. Hoewel de feiten dusdanig waren dat AT Osborne ook direct hadden kunnen aankoersen op een definitieve breuk met [verzoeker], heeft AT Osborne getracht [verzoeker] te behouden voor AT Osborne. Immers, vast staat dat [verzoeker] de afgelopen 19 jaar in menig opzicht succesvol is geweest voor AT Osborne. Vanwege zijn glansrijke carrière is [verzoeker] van mening dat AT Osborne hem niet correct heeft behandeld door hem ten onrechte buiten spel te plaatsen.

4.7. Hoewel de succesvolle en glansrijke carrière van [verzoeker] niet ter discussie staat, geeft [verzoeker] er geen blijk van oog te hebben voor het feit dat het einde van zijn loopbaan op directieniveau bij AT Osborne, is veroorzaakt door feiten en omstandigheden die in zijn risicosfeer liggen. Zonder de verijdelde poging om [de directievoorzitter] te doen aftreden/terugtreden, had [verzoeker] met een grote mate van waarschijnlijkheid nog hoog in het zadel gezeten. Het enkele feit dat [verzoeker] in de gewijzigde structuur geen nieuwe functie op directie niveau met bestuurlijke taken is aangeboden is dan ook niet onzorgvuldig van AT Osborne, maar veeleer het logische gevolg van het (onoirbare) handelen van [verzoeker]. Daar komt bij dat [verzoeker] er ook voor had kunnen kiezen om zijn loopbaan bij AT Osborne - desnoods tijdelijk - voort te zetten, zij het in een andere positie. AT Osborne heeft [verzoeker] immers de positie ‘Directeur van het R&D expertisecentrum van IGM’ met behoud van arbeidsvoorwaarden aangeboden. Dit voorstel is echter - zonder nader overleg - door [verzoeker] afgewezen, omdat het in zijn ogen geen passende functie was. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] (wederom) zijn hand overspeeld. Daar komt bij dat [verzoeker] niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van hem redelijkerwijs niet verwacht kon worden om deze functie - desnoods tijdelijk - uit te oefenen. Bovendien kon [verzoeker] redelijkerwijs weten dat een functie op het oude niveau vanwege de vertrouwensbreuk uitgesloten was. Door een nieuwe positie te creëren voor [verzoeker], ten einde hem te behouden voor het bedrijf, heeft AT Osborne zich alleszins redelijk opgesteld. De stelling van [verzoeker] dat hem op geen enkele constructieve wijze de mogelijkheid is geboden om in een passende functie binnen het bedrijf van AT Osborne te blijven bekleden, wordt dan ook verworpen.

4.8. In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden komt de ontstane situatie volledig voor rekening en risico van [verzoeker]. Om deze reden bestaat er geen aanleiding om aan [verzoeker] een vergoeding toe te kennen. Daar komt bij dat [verzoeker] al geruime tijd met behoud van loon thuis is en zijn arbeidsmarktpositie gunstig is. Immers, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaarde [verzoeker] dat hij, hoewel nog geen concreet uitzicht op een nieuwe baan, wel regelmatig benaderd werd. Hieruit maakt de kantonrechter op dat [verzoeker] niet zodanig beschadigd is dat hij lange tijd werkloos zal blijven.

4.9. Gelet op de uitkomst van de procedure, wordt [verzoeker] in de kosten van de procedure veroordeeld, aan de zijde van AT Osborne begroot op € 1.000,00 voor salaris gemachtigde.

4.10. Nu ook AT Osborne ontbinding heeft verzocht, heeft het geen zin om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen het verzoek in te trekken. Immers, indien [verzoeker] van deze gelegenheid gebruik zou maken, blijft de arbeidsovereenkomst ontbonden op basis van het tegenverzoek van AT Osborne.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2012;

5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van AT Osborne, tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.000,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Vanwersch, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2012.