Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9879

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
SBR 10-571
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil wat de werkelijke lasten zijn. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder mocht uitgaan van de begrote eigen bijdrage in plaats van de behaalde eigen bijdrage. De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van verweerder – dat voor de vaststelling van de subsidie van belang is wat de verworven baten zijn tijdens het project en dat de eigen bijdragen geen baten zijn die zijn behaald tijdens het project – in dit geval onverenigbaar is met artikel 11, eerste lid, van de Subsidieregeling VWS-subsidies, omdat eiseres het bedrag aan eigen bijdragen niet daadwerkelijk in kas heeft. Op zichzelf acht de rechtbank het begrijpelijk dat verweerder wil voorkomen dat de subsidieontvanger er naar toe rekent dat het verleende subsidiebedrag en het vast te stellen subsidiebedrag overeenkomen, maar dat neemt niet weg dat verweerder alleen de vaststelling daarop mag baseren als dat is neergelegd in de regelgeving. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder in strijd met de Subsidieregling VWS-subsidies de subsidie te laag heeft vastgesteld en een bedrag heeft teruggevorderd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd voorzover het betreft de hoogte van de subsidievaststelling en de terugvordering. De rechtbank ziet aanleiding elf te voorzien. Zij zal daartoe het primaire besluit herroepen voorzover het betreft de hoogte van de vaststelling van de subsidie en de terugvordering en de hoogte bepalen op € 350.000,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Trefwoorden: Subsidie, vaststellingsbesluit, terugvordering, zelf voorzien

Wetsartikelen: 4:57 Awb, artikel 3 Kaderwet VWS-subsidies, artikel 11 Subsidieregeling VWS-subsidies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/571

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de Vereniging Maatschappelijk Ondernemers Groep (MOgroep), eiseres,

gemachtigde: K. Molenaar,

en

verweerder,

gemachtigden: A.G.M. Heerkens en G.B.M. Schendstok-Doornweerd.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 23 juli 2009 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 338.449,- en op grond van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een bedrag van

€ 11.551,- teruggevorderd. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 januari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 22 september 2011. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Eiseres heeft op 30 oktober 2007 een aanvraag ingediend voor een subsidie voor een additioneel project informatievoorziening 2007-2008 van het Servicepunt Welzijnsinformatie, dat is gericht op inhoudelijke verdieping van de standaarden en op de gegevensverzameling voor de sturingsverantwoordings- en spiegelinformatie op locaal en landelijk niveau. Bij beslissing van 21 december 2007 heeft verweerder aan eiseres een subsidie verleend van maximaal € 350.000,- .

2.2 De activiteiten op het terrein van welzijnsinformatie zijn landelijk gebundeld in het Servicepunt Welzijnsinformatie. Het Servicepunt Welzijnsinformatie is een projectmatig georganiseerd werkverband van diverse lokale en landelijke partijen in het publieke domein en juridisch aangehaakt bij de MOgroep, gevestigd te Utrecht. Het Servicepunt Welzijnsinformatie maakt geen deel uit van bestuurlijke en operationele werkorganisatie van de MOgroep en beschikt niet over eigen middelen. De middelen ter bekostiging van de activiteiten van het Servicepunt worden gedekt uit bijdragen van deelnemende gemeenten, maatschappelijke organisatie en projectsubsidies van het ministerie van VWS.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit de projectsubsidie vastgesteld op een bedrag van € 338.449,-. Aan eiseres is aan voorschotten een bedrag van € 350.000,- verleend. Op grond van artikel 4:57 van de Awb is daarom het genoemde bedrag van € 11.551,- teruggevorderd.

2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat de subsidiegever ten onrechte de begrote eigen bijdrage heeft gehanteerd in de subsidievaststelling in plaats van de behaalde eigen bijdrage. Hij interpreteert, mogelijk vanuit een vaste vooronderstelling, de eigen bijdrage als eigen bijdrage van het Servicepunt Welzijnsinformatie, terwijl de eigen bijdrage feitelijk bijdragen zijn van deelnemende locale partijen. Hij heeft daardoor de behaalde eigen bijdrage van de deelnemende partijen niet beoordeeld als werkelijke baten en handelt hiermee niet in overeenstemming met de toepasselijke subsidieregels. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat de subsidie ten onrechte lager is vastgesteld.

2.5 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat aan de hand van de door eiseres aangeleverde informatie blijkt dat de gerealiseerde lasten en dus de subsidiebehoefte op het moment van vaststellen van de subsidie lager zijn dan bij de subsidieverlening werd verwacht. Dit komt doordat het Servicepunt in de uitvoering van het project geen zes maar vijf lokale combinaties heeft weten te committeren. Verweerder hanteert bij de vaststelling van een subsidie het uitgangspunt dat een instelling voor de uitvoering van activiteiten de financiële middelen heeft gereserveerd ter hoogte van de begrote eigen bijdrage. Bij de subsidievaststelling heeft verweerder dan ook het begrote bedrag van “eigen bijdrage” gehandhaafd. Het is dus juist dat dit verschil in mindering wordt gebracht op de verleende subsidie. De subsidie is in overeenstemming met artikel 11, eerste lid, van de Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juni 2006, nr. DWJZ-2688921, houdende vaststelling van algemene subsidieregels (de Subsidieregeling VWS-subsidies), aldus verweerder.

2.6 Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet VWS-subsidies (de Kaderwet) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van verweerder regels worden gesteld met betrekking tot:

(…)

e. de vaststelling van de subsidie;

(…)

2.7 Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Subsidieregeling VWS-subsidies bestaat een projectsubsidie uit het verschil tussen de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke lasten en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende werkelijke baten. De subsidie bedraagt niet meer dan het bij de subsidieverlening bepaalde maximum.

2.8 In de memorie van toelichting op dit artikel staat het volgende vermeld. “De berekeningsgrondslag voor de reguliere projectsubsidies wordt gevormd door het verschil tussen de werkelijke lasten die samenhangen met de gesubsidieerde en de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten. De subsidie kan niet meer bedragen dan het in de subsidieverlening vastgestelde maximum. Dit betekent dat slechts subsidie wordt verstrekt in de werkelijke lasten van de gesubsidieerde activiteiten verminderd met de door middel van die gesubsidieerde activiteiten verworven baten, waarbij het saldo hiervan het in de subsidieverleningsbeschikking genoemde maximum niet te boven kan gaan.

(…)

Bij reguliere projectsubsidies zal zowel op het moment van de subsidieverlening als bij de subsidievaststelling nauwkeurig worden gekeken naar de aanwending van de middelen en de verworven inkomsten.”

2.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de werkelijke lasten € 404.449,- zijn. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder mocht uitgaan van de begrote eigen bijdrage

(€ 66.000,-) in plaats van de behaalde eigen bijdrage (€ 54.449,-). Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat een organisatie voor de uitvoering van de activiteiten geacht moet worden financiële middelen te hebben gereserveerd ter hoogte van de eigen bijdrage. Dat is de reden dat verweerder ook bij de subsidievaststelling uitgaat van de begrote eigen bijdrage. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat voor de vaststelling van de subsidie van belang is wat de verworven baten zijn tijdens het project. Die eigen bijdragen zijn geen baten die zijn behaald tijdens het project.

2.10 Verweerder is er bij de vaststelling van de subsidie van uit gegaan dat het Servicepunt Welzijnsinformatie een bedrag van € 66.000,- aan eigen bijdrage in kas had. Eiseres heeft daarentegen aangevoerd dat dit bedrag van € 66.000,- geen eigen middelen betreft van het Servicepunt Welzijnsinformatie, maar dat dit bedrag is gebaseerd op deelname van zes locale partijen. Uiteindelijk hebben maar vijf locale partijen deelgenomen. Dit staat ook vermeld in de aanvraag op pagina acht.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van verweerder in dit geval onverenigbaar is met artikel 11, eerste lid, van de Subsidieregeling VWS-subsidies, omdat eiseres het bedrag van € 66.000,- niet daadwerkelijk in kas heeft. Op zichzelf acht de rechtbank het begrijpelijk dat verweerder wil voorkomen dat de subsidieontvanger er naar toe rekent dat het verleende subsidiebedrag en het vast te stellen subsidiebedrag overeenkomen, maar dat neemt niet weg dat verweerder alleen de vaststelling daarop mag baseren als dat is neergelegd in de regelgeving. Dat verweerder ter zitting heeft gezegd dat het per 1 juli 2011 is geregeld in de Kaderwet, doet er niet aan af, maar versterkt eerder het beeld dat die door verweerder nagestreefde berekeningswijze eerder nog niet geregeld was.

2.12 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder in strijd met de Subsidieregeling VWS-subsidies de subsidie te laag heeft vastgesteld en een bedrag heeft teruggevorderd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd voorzover het betreft (a) de hoogte van de subsidievaststelling en (b) de terugvordering. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Zij zal daartoe het primaire besluit van 23 juli 2009 herroepen voorzover het betreft (a) de hoogte van de vaststelling van de subsidie en (b) de terugvordering en de hoogte bepalen op € 350.000,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

2.13 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. In de bezwaarfase is niet verzocht om een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 12 januari 2010 voor zover het betreft (a) de hoogte van de subsidievaststelling en (b) de terugvordering;

herroept het primaire besluit van 23 juli 2009 voor zover het betreft (a) de hoogte van de subsidievaststelling en (b) de terugvordering, stelt het subsidiebedrag vast op € 350.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voorzover dat is vernietigd;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 874,-, te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, als voorzitter, en mr. M. ter Brugge en

mr. A.B. Blomberg, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2012.

De griffier: De voorzitter:

De voorzitter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

mr. M.M. van Luijk-Salomons mr. D.A. Verburg

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.