Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9857

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
16/601116-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat zich weliswaar voldoende wettig bewijs in het dossier bevindt, doch dat de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601116-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1966] te [geboorteplaats], Groot-Brittannië

wonende te [woonplaats], [adres]

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein

raadsman mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 02 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

samen met een ander aangever [aangever] heeft bedreigd, terwijl aangever zich in een onvrijwillige situatie bevond. De bedreigingen hielden onder meer doodsbedreigingen in naar aangever en zijn vriendin.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij allereerst op de diverse verklaringen van aangever. De woorden van aangever vinden bevestiging in de wijze waarop verdachten de desbetreffende dag met aangever omgingen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was duidelijk sprake van een intimiderende situatie, aldus de officier van justitie. Deze uiterlijke verschijningsvorm komt naar voren in de verklaring van de medewerker van de ING-bank, bij wie navraag werd gedaan over de spoedoverboeking die moest plaatsvinden vanaf de rekening van aangever, alsmede in de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Van de zakelijke activiteiten die aangever met de verdachten was aangegaan, maakte ook de heer [A] deel uit. De omstandigheid dat de heer [A] in het telefoongesprek dat hij de desbetreffende dag met aangever voerde al opmaakt dat de politie eraan komt, is eveneens tekenend voor de situatie. Bovendien uit ook [A] in dit telefoongesprek bedreigingen jegens aangever. Gelet op de achtergronden van verdachten had aangever volgens de officier van justitie weliswaar kunnen weten met wie hij een zakelijke relatie was aangegaan, doch hij hoefde hierbij geen rekening te houden met de mogelijkheid dat hij door deze personen bedreigd zou worden.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een situatie van medeplegen. Aangever bevond zich de desbetreffende dag in het bijzijn van zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] en de bedreigingen gingen van beide verdachten uit. Zij hadden daarin een gelijk aandeel.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat geen sprake was enige verbale of non verbale bedreiging. Volgens de verdediging heeft aangever onwaarheden verkondigd als het gaat om wat er op 18 november 2011 is voorgevallen. Zijn verklaringen kunnen niet als geloofwaardig worden aangemerkt, zodat verdachte van het aan hem ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Wettig bewijs

Bij de beoordeling van deze zaak heeft de rechtbank allereerst bezien of zich voldoende wettig bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit te komen. De rechtbank heeft daarbij gelet op de navolgende redengevende feiten en omstandigheden.

Aangever heeft ten overstaan van de politie -kort gezegd- verklaard dat hij op 18 november 2011 thuis is opgehaald door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] om naar de ING bank te Amersfoort te gaan, teneinde (mogelijke) problemen met een doorstorting van een geldbedrag te regelen. Op zijn, aangevers, ING rekening was namelijk een bedrag gestort van circa € 80.000,--, dat doorgestort moest worden naar een Engelse bankrekening. Bij de bank bleek dat vanwege een roodstand van ruim € 10.000,-- nog maar € 70.000,-- op zijn rekening stond. Aangever moest toen net zolang bij de verdachten blijven, totdat hij het probleem van het ontbreken van die € 10.000,-- had opgelost. Hij moest vanuit de ING bank in de auto meerijden naar Rotterdam. Hij is vervolgens bij de verdachten gebleven, omdat ze dreigden zijn vriendin iets aan te doen. Men wist waar hij woonde. Het verdwenen geld moest terugkomen, anders was het met hem afgelopen. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat ook is gezegd: “I’ll kill your girlfriend”. Aan getuige [getuige 2], ten slotte, heeft aangever laten weten dat de mannen vuurwapengevaarlijk waren.

De verklaringen van aangever vinden voor wat betreft de bedreigingen steun in de verklaringen van getuigen van [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2], alsmede -zij het in meer algemene zin- in de verklaring van de bankmedewerker. De getuigen bevestigen dat aangever die dag angstig dan wel paniekerig overkwam en de bankmedewerker beschrijft de situatie van aangever als niet benijdenswaardig, alsmede als een slechte maffiafilm. Ook het telefoongesprek met de heer [A], die aan het einde van het gesprek bedreigende taal jegens aangever begint te uiten, kan als ondersteunend bewijs worden gebezigd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zich voldoende wettig bewijs in het dossier bevindt voor het ten laste gelegde feit. De eerste vraag om te komen tot een bewezenverklaring is daarmee bevestigend beantwoord.

Overtuigend bewijs

De vraag die zich dan opwerpt is of eveneens sprake is van voldoende overtuigend bewijs. Voor de beantwoording van die vraag is van belang in hoeverre de diverse verklaringen van aangever, die als uitgangspunt dienen voor het wettig bewijs, als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Voor haar oordeelsvorming omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever acht de rechtbank het volgende van belang.

Allereerst valt op dat aangever geen consistente verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de momenten waarop de bedreigingen plaatsvonden. In zijn verklaring bij de politie d.d. 23 november 2011 heeft aangever verklaard dat de verdachten al bij de ING bank hadden aangegeven dat als hij niet met het geld zou komen, ze hem en zijn vriendin zouden weten te vinden. Ten overstaan van de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft hij echter verklaard dat de bedreigingen eerst begonnen in de auto op weg naar Rotterdam. Een andere inconsistentie zit in de verklaringen van aangever met betrekking tot de heer [A] en zijn kennis aangaande de zakelijke activiteiten. Ten overstaan van de rechter-commissaris wekt aangever de indruk dat hij de heer [A] nauwelijks kent en dat hij ook overigens weinig tot niets van de betreffende zakelijke activiteiten af weet. Zelfs de naam van het bedrijf waar het geld heen moet weet hij niet meer. In de verklaring over de heer [A] die hij later heeft overgelegd, geeft hij echter een omschrijving van vier ontmoetingen waarbij hij met de heer [A] heeft gesproken over de zakelijke activiteiten, dan wel waarbij zij samen naar de bank en de belastingdienst zijn geweest om een en ander te regelen. Hij moet de heer [A] dus beter hebben gekend en hij moet meer kennis van de zakelijke activiteiten hebben gehad dan dat hij in eerste instantie heeft doen voorkomen. Ook heeft aangever niet meteen openheid van zaken gegeven over de wijze waarop hij met verdachte in contact is gekomen. Aanvankelijk zei hij hem te kennen uit het bedrijfsleven, later bleek dit uit de gevangenis te zijn.

Met betrekking tot het moment waarop hij zou hebben ontdekt dat niet het gehele bedrag van € 81.000,-- op zijn rekening stond, heeft aangever een verklaring afgelegd, die niet overeenkomt met die van getuige [getuige 1]. Ter terechtzitting heeft aangever immers aangegeven dat hij dit eerst op 18 november in het bijzijn van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de ING bank ontdekte, terwijl de verklaring van getuige [getuige 1] een ander beeld laat zien. Zij heeft verklaard dat zij al vóór 18 november 2011 met aangever naar de bank was geweest om te gaan kijken of het geld erop stond. Aangever moet op dat moment reeds hebben gezien dat zijn saldo ‘slechts’ € 70.000,-- was. Aangever heeft daarbij tegen getuigen [getuige 1] gezegd dat hij dit geld met zaken heeft verdiend, hetgeen gelet op de verklaringen van aangever zelf niet overeenkomstig de waarheid blijkt te zijn. Dit laat zien dat aangever in ieder geval tegenover deze getuige om hem moverende redenen zaken achterhoudt.

De rechtbank komt gelet op voornoemde omstandigheden, alsmede gelet op het in deze context relevante strafrechtelijk verleden van aangever zelf, tot het oordeel dat de verklaringen van aangever met behoedzaamheid moeten worden bekeken.

De noodzaak tot behoedzaamheid wordt versterkt door verklaringen van aangever zelf over de geuite bedreigingen. Opvallend is allereerst dat aangever expliciet heeft aangegeven dat hij met een angstige stem sprak jegens de getuigen omdat hij hoopte dat hij hen daarmee zou alarmeren. Aangever lijkt te zeggen dat hij de situatie naar de buitenwereld toe heeft overdreven door bewust een onjuist beeld van de gang van zaken te schetsen. In dezelfde lijn is hetgeen aangever tegen getuige [getuige 2] heeft gezegd over de vermoedelijke vuurwapengevaarlijkheid van de verdachten. Ter terechtzitting heeft hij immers verklaard dat er geen reden voor hem was te vermoeden dat er vuurwapens aanwezig waren. Dergelijke vuurwapens zijn bij verdachten dan ook niet aangetroffen noch bij hun arrestatie noch tijdens de daarop volgende huiszoeking.

De rechtbank acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat aangever heeft overdreven over de wijze waarop de verdachten met hem zijn omgegaan. Daarmee ontkracht hij de overtuigingskracht van de bewijsmiddelen die zijn eigen verklaring zouden moeten ondersteunen, waarbij mede van belang is dat die bewijsmiddelen, voor zover deze betreffen de verklaringen van de getuige [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2], zijn terug te voeren op één en dezelfde bron, namelijk aangever zelf.

De rechtbank acht het zeer wel mogelijk dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] boos zijn geweest over de ontstane situatie. Vast staat immers dat aan aangever te wijten is dat het bedrijf waarvoor tijdelijk geld op zijn rekening was gestort, een bedrag ter grootte van circa € 10.000,-- moest missen. Aannemelijk is ook dat op aangever enige druk zal zijn uitgeoefend om met dit verschuldigde geld over de brug te komen. Aangever zal daarom een bepaalde mate van angst kunnen hebben gevoeld. De angst zal zijn versterkt door het feit dat tussen aangever en verdachten geen normale zakelijke relatie bestond - elk van hen was belast met een detentieverleden en de tussen hen bestaande overeenkomst lijkt een geoorloofde oorzaak te ontberen - maar deze angst had hij op voorhand kunnen voorzien. De situatie zal ertoe hebben geleid dat in de auto op weg naar Rotterdam een gespannen sfeer hing. Dat aangever, zoals hij heeft verklaard, zijn telefoon toen heeft moeten afgeven, acht de rechtbank echter niet aannemelijk. De inhoud van de telefoongesprekken en het sms-verkeer tussen aangever en de getuigen wijzen er niet op dat aangever gecontroleerd werd. De verklaring van aangever ter terechtzitting, inhoudende dat zijn telefoon in beheer was bij verdachten en dat hij eerst aan hem werd afgegeven nadat duidelijk was wie belde, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. In dat geval had hij logischerwijs bijvoorbeeld nooit een sms-bericht naar getuige [getuige 1] kunnen sturen, waarin stond dat ze naar de politie moest gaan omdat hij ontvoerd werd. Ook de uitgewerkte tap van het telefoongesprek met de heer [A] toont niet aan dat de telefoon eerst door één van de verdachten werd opgenomen, alvorens het woord mocht worden gevoerd door aangever. De omstandigheid dat aangever vrij was zijn telefoon te gebruiken, laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat geen sprake is geweest van een onvrijwillige situatie. Dat geen sprake was van een onvrijwillige situatie blijkt ten slotte ook uit de omstandigheid dat verdachten steeds op openbare plaatsen zijn geweest met aangever, waarbij aangever meerdere malen de gelegenheid heeft gehad zich aan de verdachten te onttrekken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet buiten gerede twijfel staat dat verdachte -alleen, dan wel tezamen met een ander- de desbetreffende dag bedreigingen jegens aangever heeft geuit, zoals vermeld in de tenlastelegging. Daarmee is onvoldoende aannemelijk geworden dat tijdens de gebeurtenissen op 18 november 2011 strafrechtelijke grenzen zijn overschreden in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. De overtuiging dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan ontbreekt dan ook, zodat hij zal worden vrijgesproken.

5 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 1.060,---.

Verdachte wordt vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 maart 2012.