Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9722

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
16/711842-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met afpersing, bedreiging, witwassen en verboden wapenbezit tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711842-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Almere-Binnen te Almere

raadsman mr. Th.U. Hiddema, advocaat te Maastricht, ter vervanging van zijn kantoorgenoot mr. D. Nieuwenhuis

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. in de periode 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort en/of Hilversum en/of Bussum, samen met anderen, personen heeft afgeperst en/of samen met anderen, personen heeft bedreigd;

2. op tijdstippen in de periode 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort en/of Hilversum, samen met anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen;

3. op tijdstippen in de periode 10 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 te Hilversum, samen met anderen, een persoon heeft afgeperst en/of samen met anderen die persoon heeft bedreigd;

4. op 15 maart 2011 te Bussum en/of Hillegom, samen met anderen, een persoon heeft opgelicht;

5. op 5 april 2011 te Bussum een nepvuurwapen voorhanden heeft gehad.

Uitleg van de tenlastelegging

In de tenlastelegging van feit 2 is een opsomming opgenomen van handelingen die zijn verricht, te weten: “immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader, zogenoemde 'geldezels/moneymules' ingeschakeld die pinpassen en/of pincodes ter beschikking hebben gesteld en/of geld op hun (bank)rekeningen hebben ontvangen/of (vervolgens) geld hebben opgenomen en/of vervolgens aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) hebben afgegeven.” De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus dat daar waar staat “ontvangen/of” dient te worden gelezen “ontvangen en/of”.

In de tenlastelegging van feit 3 moet in de 2e alinea (tenlastelegging van art. 285 Wetboek van Strafrecht) na “immers heeft verdachte”worden toegevoegd: “en/of zijn mededader”. De rechtbank merkt het ontbreken van deze woorden aan als kennelijke misslag, omdat het kwalificatieve deel van de eerste alinea en de feitelijke omschrijving daarvan in de eerste alinea medeplegen vermelden (hierna aangeduid met vet-cursief):

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het

aangaan van een schuld, te weten het (meermalen) afsluiten van telefoonabonnementen,

welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) de pinpas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en/of gezegd "als je je pinpas terugwil, dan moet jij telefoonabonnementen afsluiten en de telefoons aan [A] geven" en/of "als je niet gewoon luistert dan krijg je een paar tikken van mij" en/of "we gaan dan naar je ouders, dan breek ik in in je woning en doe ik je ouders wat aan" en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt

en/of vastgehouden bij de keel en/of heup en/of borst en/of (terwijl die [slachtoffer 1] in telefoonwinkels abonnementen afsloot) (dreigend) buiten die winkels blijven staan

en het kwalificatieve deel van de 2e alinea medeplegen vermeldt, terwijl dit medeplegen ontbreekt in de feitelijke omschrijving daarvan, terwijl dit feitelijk gebeuren grotendeels hetzelfde is als het in de eerste alinea verweten handelen:

in of omstreeks de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort en/of te Hilversum en/of te Bussum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (hier ontbreekt: en of zijn mededader) opzettelijk dreigend [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd "als je je pinpas terugwil, dan moet jij telefoonabonnementen afsluiten en de telefoons aan [A] geven" en/of "als je niet gewoon luistert dan krijg je een paar tikken van mij" en/of "we gaan dan naar je ouders, dan breek ik in in je woning en doe ik je ouders wat aan" en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt en/of vastgehouden bij de keel en/of heup en/of borst,

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

In de tenlastelegging terzake feit 5 is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake van een kennelijke schrijffout waar de datum 5 april 2011 genoemd wordt in plaats van de datum 5 oktober 2011 voor het verweten voorhanden hebben van een nepvuurwapen.

Het hele dossier bevat slechts stukken over een eenmalig voorhanden hebben op 5 oktober 2011. Daarmee is de datum 5 april - ook voor de verdachte, die over voorhanden hebben op 5 oktober gehoord is - een evidente, onmiddellijk als zodanig herkenbare, onjuistheid in de formulering.

De rechtbank leest de tenlastelegging op dit onderdeel verbeterd, in die zin dat voor de datum 5 april 2011 de datum 5 oktober 2011 wordt gelezen,

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe - samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Naar de mening van de verdediging is bij feit 1 sprake van een avontuur op een schoolplein, van bereidwillige kameraden en een bereidwillig buurmeisje, van praatjes in een kinderlijke sfeer en het in die sfeer tonen van een wapen. Toen aangevers en aangeefster in de problemen kwamen hebben zij aangifte gedaan en gezegd dat zij werden bedreigd, ten einde zelf uit te problemen te komen. Zowel voor feit 1 als feit 2 is sprake van onvoldoende wettig bewijs, aldus de verdediging.

Ook ten aanzien van feit 3 is sprake van onvoldoende wettig bewijs, aangezien er alleen een aangifte van [slachtoffer 1] ligt. Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman betoogd dat het ook zo kan zijn dat zijn cliënt zijn bankrekening onder druk ter beschikking heeft gesteld en dat voor de betrokkenheid van zijn cliënt bij de oplichting onvoldoende bewijs is.

In de tenlastelegging staat vermeld dat feit 5 heeft plaatsgevonden op of omstreeks 5 april 2011, terwijl uit het dossier blijkt dat eerst om en nabij 6 oktober 2011 een nepwapen is aangetroffen. Naar de mening van de raadsman kan in het onderhavige geval niet gesproken van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging.

De verdediging heeft in het licht van het vorenstaande verzocht om verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Overwegingen met betrekking tot feit 1

De tenlastelegging van feit 1 ziet op de afpersing door verdachte en of zijn mededader(s) van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en/of de bedreiging door verdachte en/of zijn mededader(s) van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

De bewijsmiddelen met betrekking tot afpersing en/of bedreiging

[slachtoffer 2], geboren [1995], heeft op 4 oktober 2011 aangifte gedaan van een afpersing, die heeft plaatsgevonden te Amersfoort in de periode van 25 augustus 2011 tot en met 12 september 2011. Aangever heeft verklaard dat hij in augustus 2011 naar het ROC aan de Leusderweg te Amersfoort is gegaan en dat hij daar [verdachte] ontmoette. Na de introductiedag op 25 augustus 2011, kwam [verdachte] naar aangever toe en vroeg aangever of hij geld wilde verdienen. [verdachte] vertelde aan aangever dat aangever dan zijn pinpas en pincode aan [verdachte] moest geven en dat [verdachte] er dan geld op ging storten. Aangever wilde niet mee doen, maar, aldus aangever, [verdachte] bleef aandringen. Daarbij liet [verdachte] foto’s van vuurwapens zien en zei [verdachte] tegen aangever: “Ik heb vrienden die zelf ook wapens hebben, daarmee verdienen ze geld en laten ze wapens bedrukken. Ze vinden het niet moeilijk om die wapens te gebruiken.” Aangever dacht dat [verdachte] hiermee bedoelde dat ze die wapens snel gebruikten.

Aangever gaf zijn pinpas nog steeds niet af, aldus aangever. [verdachte] bleef aangever echter onder druk zetten. [verdachte] liet aangever onder andere foto’s zien van heel veel geld dat op tafel lag en van pistolen. Enkele dagen later hoorde aangever dat [verdachte] tegen hem zei: “Ik geef niet eens klappen, ik schiet gewoon.” Aangever voelde zich angstig toen hij dit hoorde en voelde zich bedreigd.

[verdachte] bleef druk zetten. Aangever voelde zich steeds banger en voelde zich steeds meer bedreigd. Na twee weken was aangever zo bang dat hij op 5 september 2011 zijn pinpas en pincode aan [verdachte] heeft gegeven. Aangever durfde thuis niet te vertellen wat er gebeurd was. Op 24 september 2011 kreeg aangever een brief van de ING bank . In die brief stond dat er frauduleuze handelingen hadden plaatsgevonden met de bankrekening van aangever. Op het bankafschrift van 23 september 2011 is te lezen dat er op 12 september 2011 via girotel een bijschrijving van € 3.000,- heeft plaatsgevonden, en dat in de periode 12 september 2011 tot en met 14 september 2011 afschrijvingen hebben plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 2.989,88.

Aangever heeft van [verdachte] het volgende signalement gegeven: man, 18 jaar, tussen 185 en 195 cm lang, donkere huidskleur, Antilliaan, beetje dun postuur, gemillimeterd kort zwart haar. [verdachte] draagt vaak een groen petje.

[verdachte] chatte naar aangever dat aangever niets tegen de politie mocht zeggen. Dat had [verdachte], aldus aangever, in eerder genoemde twee weken ook meerdere keren tegen aangever gezegd. Als [verdachte] er achter komt dat aangever aangifte heeft gedaan, zal [verdachte] aangever vast ergens opwachten, aldus aangever. Aangever durft niet naar school te gaan.

In een aanvullende verklaring d.d. 11 oktober 2011 heeft aangever verklaard dat hij die dag voor het eerst weer naar school is gegaan, dat hij de foto’s die [verdachte] hem liet zien van een pistool en van geld op de telefoon van [verdachte] zag staan, en dat hij van [getuige 1], een klasgenoot, had gehoord dat [verdachte] elke dag even op school kwam kijken of aangever en [slachtoffer 3] op school waren, en dat [verdachte] tegen [getuige 1] had gezegd dat hij, [verdachte], aangever en [slachtoffer 3] zou liquideren.

[slachtoffer 3] heeft op 6 oktober 2011 verklaard dat hij op 28 september 2011 aangifte had gedaan van diefstal van zijn pinpas, maar dat hij thans wil verklaren wat er werkelijk heeft plaatsgevonden. Aangever volgt lessen aan het ROC op de Leusderweg te Amersfoort. In zijn klas zit ook [verdachte]. Ongeveer anderhalve maand geleden is aangever benaderd door [verdachte] die aan aangever vertelde dat als aangever zijn pinpas en pincode aan [verdachte] zou geven, [verdachte] er geld op zou zetten en dat aangever dan geld zou verdienen. Aangever vertelde aan [verdachte] dat hij dit niet zou doen en hoorde [verdachte] zeggen dat hij, [verdachte], wel op zoek ging naar iemand anders.

In de week van 19 september 2011 is aangever opnieuw benaderd door [verdachte], op het moment dat aangever op weg was naar zijn school in Amersfoort. Aangever hoorde [verdachte] tegen hem zeggen: “Geef mij nu je pinpas, en als je dat niet doet dan neem ik morgen een pistool mee naar school” of woorden van gelijke strekking. Aangever voelde zich op dat moment erg bedreigd en was bang dat [verdachte] daadwerkelijk de volgende dag een pistool zou gaan meenemen en aangever iets zou gaan aandoen. Aangever heeft vervolgens direct zijn pinpas en pincode aan [verdachte] gegeven.

Na ongeveer anderhalve week zagen mijn ouders, aldus aangever, dat er geld van zijn rekening was afgehaald. Aangever heeft aanvankelijk tegen zijn ouders gezegd dat zijn pinpas vermoedelijk was gestolen. Toen zijn ouders enkele dagen later werden benaderd door de politie met de mededeling dat aangever vermoedelijk onder bedreiging zijn pinpas en pincode had afgegeven, heeft aangever vervolgens aan zijn ouders verteld hoe het werkelijk was gegaan.

Aangever heeft verklaard dat hij weet dat [verdachte] in Bussum woont en heeft van [verdachte] het volgende signalement verstrekt: 18 à 19 jaar oud, ongeveer 1.80 meter lang, donkere huidskleur, normaal postuur. [verdachte] draagt meestal een baseballcap.

In een aanvullende verklaring d.d. 11 oktober 2011 heeft aangever verklaard dat hij van [slachtoffer 2] had gehoord dat [verdachte] aan [slachtoffer 2] op de gsm van [verdachte] foto’s had laten zien van een pistool. Aangever dacht daarom dat [verdachte] wel een pistool kon hebben. Door de houding van [verdachte] en zijn zelfverzekerdheid dacht aangever dat [verdachte] hem wel iets aan zou kunnen doen.

Aangever heeft van klasgenoot [getuige 1] gehoord dat die van [verdachte] een ping had gekregen waarin [verdachte] hem vroeg zijn bankpas af te geven om geld te maken. [getuige 1] had aangever nog een ander bericht van [verdachte] voorgelezen, namelijk dat [verdachte] zowel [slachtoffer 2] als aangever zou liquideren omdat zij naar de politie waren gegaan.

Getuige [getuige 1], klasgenoot van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en verdachte, heeft verklaard dat [verdachte] als zijn pingnaam [naam] gebruikt en dat zijn PIN-nummer [nummer] is. Van het ping-gesprek tussen [getuige 1] en [verdachte] heeft [getuige 1] een uitdraai gemaakt. De pingberichten van [verdachte] aan getuige zijn: “Is [slachtoffer 3] op school? …..En die andere?.....Die 2 loopen te kloote……Weet je, zoek ff uit voor me, wat ze tegen popo geset hebben oke?...... Zeg ze, jullie hebbe onzin gelut by popo, Ik liquedeer jullie.”

Volgens [getuige 1] heeft [verdachte] een donkere huidskleur, kort haar. [getuige 1] gokt dat [verdachte] Antilliaan is. [verdachte] draagt altijd een baseballcap met een grote klep.

De moeder van verdachte heeft verklaard dat het PIN-nummer van haar zoon [verdachte] is: [nummer] en dat zijn naam is: [naam].

Bewijsoverweging

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft afgeperst. Anders dan door de raadsman is betoogd, was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een avontuurtje op het schoolplein tussen bereidwillige kameraden. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat aangever [slachtoffer 2] bijna 3 jaar jonger was dan de toen 18-jarige verdachte zodat een kameraadschap niet erg aannemelijk is, en dat de afpersing van [slachtoffer 3] niet op het schoolplein heeft plaatsgevonden. Dat niet louter sprake was van een kameraadschappelijke sfeer kan ook afgeleid worden uit het specifieke, zich steeds herhalende, gedragspatroon van de verdachte ten overstaan van verschillende aangevers, die verklaren dat verdachte dwingend en intimiderend kon overkomen en dat het moeilijk was om nee tegen hem te zeggen.

Verdachte heeft zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht en heeft derhalve geen aannemelijke en verifieerbare verklaring gegeven voor de ping-berichten van verdachte aan getuige [getuige 1].

De ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] acht de rechtbank op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen.

Deelvrijspraken wat betreft feit 1

Ter zake van de ten laste gelegde afpersing van aangeefster [slachtoffer 4] overweegt de rechtbank dat er onvoldoende bewijs is voor delictsbestanddeel ‘geweld of bedreiging met geweld’. Voor een bedreiging van aangeefster [slachtoffer 4] met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, biedt de aangifte van aangeefster geen aanknopingspunt. Aangeefster heeft zich weliswaar gedwongen gevoeld, omdat sprake was van een intimiderende toon, maar dat is niet op één lijn te stellen met bedreiging met geweld. Voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de ten laste gelegde afpersing van aangever [slachtoffer 5] overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het pistool dat aangever in de VW Golf tussen de voorstoelen zag liggen aan aangever is getoond terwijl verdachte aangever om zijn pinpas vroeg. De toevoeging van de woorden “Je weet zelf, ik schiet je” heeft volgens aangever eerst plaatsgevonden nadat hij in opdracht van verdachte geld had gepind en is overigens niet in de tenlastelegging opgenomen.

Voor de ten aanzien van [slachtoffer 5] ten laste gelegde afpersing ontbreekt derhalve wettig bewijs. Ook voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende bewijs voor de opvatting dat verdachte de afpersing en de bedreiging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in vereniging heeft gepleegd, zodat verdachte voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

4.3.2 Overwegingen met betrekking tot feit 2

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij een vriend had, genaamd [verdachte] en dat hij in februari 2011 aan [verdachte] zijn bankpas en pincode had gegeven. [verdachte] had aan [getuige 2] verteld dat hij problemen had met de storting van zijn studie-financiering en had aan [getuige 2] gevraagd of hij, [verdachte], de rekening van getuige kon gebruiken.

Toen [getuige 2] op enig moment zijn bankpas terugvroeg, hoorde hij [verdachte] zeggen dat het nog niet kon omdat het nog niet gelukt was. [getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] met steeds meer smoezen kwam, waardoor hij argwaan kreeg. Uiteindelijk vertelde [verdachte] aan [getuige 2] dat het om witwassen ging, om money-maken. [getuige 2] heeft op zijn bankafschriften gezien dat er iets van € 2.200,- op zijn rekening is gestort en dat er € 2.000,- is afgehaald. [getuige 2] moet die € 2.000,- aan de bank terugbetalen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [verdachte] er heel open over sprak en dat iedereen in de klas wist dat [verdachte] bezig was met het verzamelen van bankpasjes.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [getuige 3] en [getuige 4] blijkt van soortgelijke toedracht. Allen verklaren dat zij aan [verdachte], zijnde verdachte, al dan niet na aandringen door [verdachte], hun bankpasje en pincode hebben afgegeven, dat kort daarna van een hen onbekende rekening een geldbedrag op hun rekening is gestort, welk bedrag dezelfde dag of kort nadien door een ander, zonder hun toestemming en buiten hun medeweten, weer van hun rekening is afgehaald middels contante opnames en/of betalingen.

[slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij op 13 april 2011 te Hilversum onder meer met [verdachte] of [naam] in een zwarte VW Golf, model 1, zat.

Op een gegeven moment vroeg [verdachte] aan aangever: “Heb jij je pinpas bij je?” Aangever zei toen: “Ja, maar waarom?”. Aangever hoorde toe [verdachte] zeggen dat hij zwart geld had en dat hij dat geld op de rekening van aangever wilde storten. Vervolgens heeft aangever zijn rekeningnummer aan [verdachte] gegeven. Op een gegeven moment zag aangever [verdachte] uit de VW stappen en met iemand gaan bellen. Na dat gesprek kwam [verdachte] weer in de VW zitten. Na ongeveer drie kwartier zei [verdachte] tegen aangever dat aangever bij een pinautomaat € 1.000,- moest pinnen. Aangever heeft toen tegen [verdachte] gezegd dat hij geen geld op zijn bankrekening had. Aangever hoorde toen [verdachte] zeggen: “Maak je niet druk. Pin gewoon

€ 1.000,-.” Aangever heeft vervolgens € 1.000,- gepind. Aangever voelde zich geïntimideerd.

Nadat aangever die € 1.000,- had gepind, moest hij het geld aan [verdachte] geven. Vervolgens hoorde aangever dat [verdachte] tegen hem zei: “Ga naar het postkantoor en vraag daar om

€ 3.000,- te pinnen.”

Een door [B] namens [bedrijf] opgesteld geschrift d.d. 19 april 2011 houdt onder meer in:

ING wordt sinds 2009 met het volgend geconfronteerd:

Phishingmail wordt breed verspreid. Klanten worden geleid naar een Phishingsite die lijkt op de aanlogsite van Mijn ING. Op deze site wordt gevraagd om gebruikersnaam, wachtwoord en soms telefoonnummer.

De fraudeur schaft zich bij de provider, veelal onder het mom van vermissing van zijn telefoon een nieuwe simkaart aan met betrekking tot het nummer van de klant. Hierdoor kan de fraudeur via zijn eigen mobiele telefoon de SMS-TANcode ontvangen, die ingevoerd moet worden om een transactie te kunnen doen..Dit is het moment waarop frauduleus geld kan worden overgeboekt. De fraudeur doet vervolgens een aantal frauduleuze transacties.

Op 13 april 2011 werd in totaal € 54.000,05 overgeboekt naar verschillende INGrekeningen.

Rekeninghouder verklaarde deze overboekingen niet zelf te hebben uitgevoerd.

Mevrouw [benadeelde 1] verklaarde dat op 12 april 2011 een phishing email was binnengekomen. Een bedrag van € 4.000,-- is overgeboekt naar [slachtoffer 5].

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3.3 Overwegingen met betrekking tot feit 3

De tenlastelegging van feit 3 ziet op de afpersing door verdachte en/of zijn mededader(s) van [slachtoffer 1] en/of de bedreiging door verdachte en/of zijn mededader(s) van [slachtoffer 1].

Afpersing en/of bedreiging

[slachtoffer 1] heeft op 28 augustus 2011 aangifte gedaan van afpersing, gepleegd tussen 10 augustus 2011 en 26 augustus 2011 te Hilversum. Aangeefster heeft verklaard dat zij op 10 augustus 2011 op het station Hilversum CS een oude schoolvriend tegen kwam, genaamd [verdachte], zijnde verdachte. Aangeefster en [verdachte] raakten aan de praat, aldus aangeefster. Tijdens het gesprek stond aangeefster met haar pinpas in de hand omdat zij op weg was naar de bank. Op enig moment pakte [verdachte] uit het niets de pinpas van aangeefster uit haar hand en stopte deze in zijn broekzak. Aangeefster kreeg de pinpas, ondanks aandringen, niet terug van [verdachte]. Aangeefster kreeg enkele uren later een MSN-bericht van [verdachte] met de volgende boodschap: “Als je je pinpas terug wil, moet je donderdag 11 augustus 2011 om 12:00 uur naar het station Hilversum-Sportpark komen.”

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 11 augustus 2011 naar het station Hilversum-Sportpark is gegaan en dat zij daar niet alleen verdachte trof, maar ook [A] en [C]. Zij vertelden aan aangeefster het volgende: “Als je je pinpas terug wil, dan moet jij mobiele telefoon abonnementen afsluiten en de telefoons aan [A] geven.” Toen aangeefster zei dat zij gewoon haar pinpas terug wilde, begon verdachte bedreigingen te uiten: “Als je niet gewoon luistert dan krijg je een paar tikken van mij” en “we gaan naar je ouders, dan breek ik in in de woning en doe je ouders wat aan.” [A] kwam op dat moment er bij staan, aldus aangeefster, en pakte aangeefster met zijn linker hand zacht bij de keel. Vervolgens gleed [A] met diezelfde hand naar beneden even over de rechterborst van aangeefster en naar haar heup. Aangeefster duwde de hand van haar lichaam. Aangeefster voelde zich heel erg vernederd.

Vervolgens heeft verdachte tegen aangeefster gezegd: “Ga niet je pinpas blokkeren anders weten we je te vinden en je zusje ook, want we weten waar zij op school zit. Kom vrijdag 12 augustus 2011, omstreeks 12:00 uur naar het centrum van Hilversum.”

Op 12 augustus 2011 trof aangeefster zowel verdachte als [A] in het centrum van Hilversum. Ze zijn met zijn drieën naar een T-Mobile winkel gegaan. Voordat aangeefster de winkel binnen ging kreeg zij haar pinpas terug. In de winkel heeft aangeefster een blackberry gepakt en een abonnement afgesloten. Nadat aangeefster de winkel was uitgelopen heeft zij de telefoon afgegeven. Verdachte zei tegen aangeefster dat zij haar pinpas weer aan hem moest geven. Aangeefster schrok daarvan en heeft de pinpas aan verdachte gegeven. Verdachte zei toen “Ga maar naar huis en ik zie je morgen 12:00 uur bij de Coffeeshop De Leeuw”. Op 13 augustus 2011 heeft aangeefster haar pinpas weer teruggekregen en heeft vervolgens bij de Belcompany te Hilversum twee blackberry’s gekocht en twee abonnementen afgesloten. Aangeefster heeft toen, aldus aangeefster, de telefoons aan [A] gegeven en haar pinpas aan verdachte moeten afstaan. Aangeefster was zo bang voor de bedreigingen dat zij haar in elkaar zouden slaan of haar ouders en zusje wat aan zouden doen, dat zij haar pinpas telkens weer teruggaf. Ook was aangeefster bang dat verdachte en zijn medeverdachte verder zouden gaan met het betasten van haar lichaam en dat het niet alleen bij betasten zou blijven. In de periode van 14 augustus 2011 tot en met 16 augustus 2011 heeft aangeefster nog een aantal abonnementen afgesloten en nadien steeds weer de mobiele telefoons en haar pinpas afgegeven.

Van de hiervoor beschreven aankopen is een overzicht gemaakt waaruit blijkt dat er 5 Blackberries en 2 Samsungstelefoons zijn gekocht.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij van aangeefster heeft gehoord dat zij door [A] en [verdachte] was overgehaald om meerdere telefoon-abonnementen af te sluiten, en dat hij van [A] heeft gehoord dat hij, [A], dit moest doen van [verdachte].

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte, samen met een ander, [slachtoffer 1] heeft afgeperst en bedreigd.

4.3.4 Overwegingen met betrekking tot vrijspraak van feit 4

In de tenlastelegging van feit 4 is de volgende passage opgenomen:

“…….hebbende verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of

listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- die [benadeelde 2] een e-mailbericht gestuurd en/of

- daarbij de indruk gewekt dat dat bericht afkomst was van de ING-bank en/of

- die [benadeelde 2] verzocht haar ING-account te verifieren door het aanklikken van

een in dat bericht gevoegde link

waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.”

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het dossier geen wettig bewijs voorhanden dat de verdachte deze, tenlastegelegde, handelingen (het sturen van een e-mailbericht aan aangever [benadeelde 2] en/of het de indruk wekken dat het e-mailbericht afkomstig was van de ING-bank en/of het verzoeken de ING-account te verifiëren door het aanklikken van een aan dat e-mailbericht gevoegde link) zelf heeft verricht, .

Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

4.3.5 Overwegingen met betrekking tot feit 5

Op 6 oktober 2011 hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een onderzoek ingesteld op het adres [adres] te [woonplaats], omdat de moeder van verdachte een vuurwapen had aangetroffen in de slaapkamer van verdachte. De verbalisanten werden in de woning door de moeder van verdachte meegenomen naar de slaapkamer van verdachte. De moeder van verdachte trok een lade onder het bed van verdachte open en zei tegen de verbalisanten dat zij het wapen in deze lade had aangetroffen.

De moeder van verdachte, getuige [naam], heeft verklaard dat zij op 5 oktober 2011 de slaapkamer van haar zoon [verdachte] doorzocht. In de rechterlade onder zijn bed trof zij een vuurwapen aan. Getuige schrok hier heel erg van en heeft het wapen gepakt en in haar eigen slaapkamer neergelegd.

Het in de slaapkamer van verdachte aangetroffen vuurwapen is in beslag genomen . Het betreft een veerdrukpistool en vertoont voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk CZ, model 75 D compact, kaliber 9 mm Luger. Er is derhalve sprake van een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, Categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp dat voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen staat voor de rechtbank vast dat verdachte op 5 oktober 2011 een nabootsing van een bestaand vuurwapen voorhanden had.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en een (bijbehorende) pincode, toebehorende aan die [slachtoffer 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd:

-"ik heb vrienden die zelf ook wapens hebben, daarmee verdienen ze geld en

laten ze wapens bedrukken. Ze vinden het niet moeilijk om die wapens te

gebruiken" en daarbij foto's van wapens getoond en

-"ik geef niet eens klappen, ik schiet gewoon" en

- "dat hij niets tegen de politie mocht zeggen"

en

in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer 2] de woorden toegevoegd

-"ik heb vrienden die zelf ook wapens hebben, daarmee verdienen ze geld en laten ze wapens bedrukken. Ze vinden het niet moeilijk om die wapens te gebruiken" en daarbij foto's van wapens getoond en

- "ik geef niet eens klappen, ik schiet gewoon" en

- "dat hij niets tegen de politie mocht zeggen" en

- (tegen een medescholier) heeft gezegd "dat hij die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zou liquideren",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en

in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot

de afgifte van een pinpas en een (bijbehorende) pincode, toebehorende aan die [slachtoffer 3],

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij die [slachtoffer 3] heeft gezegd:

- "geef me nu je pas, en als je dat niet doet, dan neem ik morgen een pistool

mee naar school" en

en

in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Amersfoort,

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [slachtoffer 3] de woorden toegevoegd

- "geef me nu je pas, en als je dat niet doet, dan neem ik morgen een pistool mee naar school" en

- (tegen een medescholier) heeft gezegd "dat hij die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zou liquideren",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2011 tot en met 15 november 2011 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen van een voorwerp, te weten geldbedragen, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats,

de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten die geldbedragen, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten die geldbedragen, voorhanden had, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf, immers heeft hij, verdachte, zogenoemde 'geldezels/moneymules' ingeschakeld die pinpassen en/of pincodes ter beschikking hebben gesteld en/of geld op hun (bank)rekeningen hebben ontvangen en/of (vervolgens) geld hebben opgenomen en/of vervolgens aan hem, verdachte, hebben afgegeven;

3.

op tijdstippen in de periode van 10 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het

aangaan van een schuld, te weten het meermalen afsluiten van telefoonabonnementen,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij en/of zijn mededaders de pinpas van die [slachtoffer 1] heeft afgepakt en/of gezegd "als je je pinpas terugwil, dan moet jij telefoonabonnementen afsluiten en de telefoons aan [A] geven" en/of "als je niet gewoon luistert dan krijg je een paar tikken van mij" en/of "we gaan dan naar je ouders, dan breek ik in in je woning en doe ik je ouders wat aan" en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt

en/of vastgehouden bij de keel en/of heup en/of borst en/of (terwijl die [slachtoffer 1] in telefoonwinkels abonnementen afsloot) (dreigend) buiten die winkels blijven staan

en

in de periode van 10 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededaders opzettelijk dreigend [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd "als je niet gewoon luistert dan krijg je een paar tikken van mij" en/of "we gaan dan naar je ouders, dan breek ik in in je woning en doe ik je ouders wat aan" en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt en/of vastgehouden bij de keel en/of heup en/of borst,

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

op 5 oktober 2011 te Bussum een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een pistool, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoond met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk CZ, model 75D compact, kaliber 9mm Luger, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Eendaadse samenloop

Van eendaadse samenloop is sprake als een feit in meer dan één strafbepaling valt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake bij hetgeen onder 1 cumulatief en onder 3 cumulatief is bewezen verklaard, voor zover de bedreiging die als afpersingsmiddel is bewezen verklaard ook als zelfstandig delict is bewezen verklaard.

De onder 1 bewezenverklaarde mededeling van verdachte tegen de medescholier [getuige 1] dat hij, verdachte, die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zou liquideren, althans woorden van die strekking is geen afpersingsmiddel, want geuit na de afpersing, toen pinpas en/of code al waren afgegeven. Dit levert dus wel een zelfstandige bedreiging op.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

Eendaadse samenloop van afpersing en bedreiging, meermalen gepleegd

en

bedreiging, meermalen gepleegd

Feit 2:

(Medeplegen van) witwassen, meermalen gepleegd

Feit 3:

Eendaadse samenloop van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en bedreiging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van de duur van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd vordert de officier van justitie reclasseringstoezicht door Reclassering Nederland en een contactverbod met alle aangevers.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige misdrijven, in een enkel geval in vereniging met anderen. Met name de brutale afpersing en bedreiging van [slachtoffer 1], die licht verstandelijk beperkt is, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer grote angst aangejaagd door de bedreigingen, ook ten aanzien van haar ouders en zusje, en het betasten van haar lichaam. Verdachte en zijn medeverdachten hebben met deze gevolgen in het geheel geen rekening gehouden. Daarnaast brengen dergelijke geweldsmisdrijven bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft door het ronselen van pasjes en pincodes een wezenlijke rol gespeeld bij witwaspraktijken. Het ging daarbij om substantiële bedragen. Hoewel hij mogelijk zelf is begonnen als “geldezel” is zijn rol bij de onderhavige delicten er een van mededader.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op de volgende stukken:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 januari 2012, waaruit volgt dat verdachte al eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 20 januari 2012, opgesteld door M. Vogelpoel, reclasseringswerker, waarin wordt geadviseerd om, indien verdachte wordt veroordeeld, als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa+) op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 4 maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. Met deze voorwaardelijke straf wordt ook beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voor het door de officier van justitie gevorderde contactverbod met aangevers en aangeefsters, ziet de rechtbank geen aanleiding.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 374,02 voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, voor zover dat ten laste gelegde feit ziet op aangeefster [slachtoffer 4].

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 55, 57, 285, 312, 317, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 13, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1:

Feit 1:

Eendaadse samenloop van afpersing en bedreiging, meermalen gepleegd

en

bedreiging, meermalen gepleegd

Feit 2:

(Medeplegen van) witwassen, meermalen gepleegd

Feit 3:

Eendaadse samenloop van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, en bedreiging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 5:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een CoVa+ training;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 4] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2012.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.