Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9666

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
318479 / HA RK 12-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 318479 / HA RK 12-39

beslissing van 20 maart 2012 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

mr. P.F. Mijnlieff, advocaat te Leusden,

verder te noemen mr. Mijnlieff,

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 13 januari 2012 heeft mr. Mijnlieff bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van mr. [X], rechter in de Sector handel en kanton van deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die aldaar is geregistreerd onder rolnummer 731860 AC EXPL 11-185.

1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.

1.3. Op 24 januari 2012 heeft mr. [X] op het verzoek gereageerd.

1.4. De griffier van deze rechtbank heeft mr. Mijnlieff en mr. [X], alsmede mr. M.H. Hogeman, advocaat van de gedaagde partij [A] en [B], aangeduid als [gedaagden c.s.], opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek op 6 maart 2012.

1.5. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 6 maart 2012 plaatsgevonden. Daarbij was mr. Mijnlieff aanwezig. Mr. [X] heeft laten weten dat zij niet bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig kan zijn.

1.6. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. In de hoofdprocedure vordert mr. Mijnlieff de veroordeling van [gedaagden c.s.] om aan hem te voldoen € 3.861,12 inclusief BTW aan honorarium, te vermeerderen met wettelijke rente en € 113,45 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. De comparitie is gehouden op 17 mei 2011, waarna tussenvonnis is gewezen op 30 november 2011. Daarbij is onder meer besloten de zaak te verwijzen naar de rolzitting van 18 januari 2012 teneinde mr. Mijnlieff in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze hij bewijs wil leveren.

2.2. Bij brief van 15 december 2011 heeft mr. Mijnlieff verzocht om herziening van het tussenvonnis dan wel verzocht te bepalen dat van het vonnis tussentijds appel is toegestaan.

3. Het verzoek

3.1. Mr. Mijnlieff betoogt dat mr. [X] niet meer vrij staat ten opzichte van de procedure. Volgens hem is mr. [X] van begin af aan bezig geweest hem in een positie te manoeuvreren waardoor toewijzing van zijn vordering op [gedaagden c.s.] wordt belemmerd dan wel wordt verhinderd. Mr. Mijnlieff wijst daarbij op de gang van zaken ter comparitiezitting van 17 mei 2011, waar mr. [X] onder meer bij het opstellen van het pv heeft geweigerd op te nemen dat afstand is gedaan van een beroep op haar eventuele onbevoegdheid. Zo ook heeft mr. [X] er bewust voor gekozen om niet tot toewijzing van de vordering over te gaan, maar heeft zij aan de gemachtigde van [gedaagden c.s.] een tweede kans gegeven om de stellingen ten aanzien van het primaire verweer nader feitelijk te onderbouwen en eventueel producties over te leggen. Mr. Mijnlieff acht het met elkaar in tegenstrijd dat waar aanvankelijk de door de gemachtigde van [gedaagden c.s.] overgelegde toevoeging als onvoldoende werd beoordeeld en om die reden alsnog een bewijsopdracht was gegeven, uit het tussenvonnis blijkt dat nu juist hij met een bewijsopdracht wordt belast. Gelet op het tussenvonnis meent mr. Mijnlieff dat mr. [X] subjectief blijk heeft gegeven van vooringenomenheid en/of dat de objectief gerechtvaardigde schijn is gewekt dat zij vooringenomen is. In dat verband wijst hij op rechtsoverweging 2.5, waarin reeds op voorhand een conclusie wordt getrokken, en op de bewijsopdracht die hem is opgelegd, waarvan hij ofwel het bewijs heeft geleverd dan wel het bewijs voorzienbaar niet kan leveren.

Voorts wijst mr. Mijnlieff erop dat op zijn schriftelijke verzoek van 15 december 2011 tot dan toe de enige reactie van mr. [X] is dat zij aan de gemachtigde van [gedaagden c.s.] uitsluitend heeft gevraagd zich uit te laten over de gevraagde openstelling voor appel.

3.2. De reactie van de betrokken rechter is als volgt:

Mr. [X] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De wijze waarop zij de zaak heeft behandeld, getuigt niet van een gebrek aan rechterlijke onpartijdigheid. Zij heeft beide partijen de gelegenheid gegeven hun standpunten op het primaire verweer volledig uit te werken en te onderbouwen en pas het tussenvonnis gewezen nadat aan beide zijden de aktes waren genomen. Na het tussenvonnis is het verzoek van mr. Mijnlieff bij de rechtbank binnengekomen om tussentijds hoger beroep open te stellen. Een dergelijk verzoek is toewijsbaar nadat de wederpartij daarop is gehoord. Teneinde de appeltermijn niet in gevaar te brengen heeft zij aan de wederpartij verzocht om op korte termijn te reageren op dat verzoek. Zij acht het niet juist om op de inhoudelijke argumenten in te gaan buiten het tussenvonnis om. In het tussenvonnis heeft zij rekening gehouden met de argumenten over en weer.

4. De beoordeling

4.1. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (artikel 37 Rv).

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. [X] jegens mr. Mijnlieff. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij mr. Mijnlieff dienaangaande bestaande vrees dat mr. [X] jegens mr. Mijnlieff een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

4.4. De feiten en omstandigheden waarop mr. Mijnlieff zich beroept, hebben vooral betrekking op een aantal volgens hem met elkaar samenhangende processtadia, te weten de comparitiezitting van 17 mei 2011 en het tussenvonnis van 30 november 2011. De rechtbank stelt voorop dat gelet op het bepaalde in artikel 37 Rv het wrakingsverzoek dient te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Niet kan worden gezegd dat mr. Mijnlieff het wrakingsverzoek, voor zover gericht op het verloop en de handelwijze van mr. [X] ter comparitiezitting van 17 mei 2011, heeft ingediend, zodra hem de feiten en omstandigheden bekend waren geworden. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop, is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek voor zover het gericht is tegen de gang van zaken op of naar aanleiding van de zitting van 17 mei 2011, niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

4.5. Ter zitting heeft mr. Mijnlieff toegelicht dat zijn opmerkingen over de zitting van 17 mei 2011 en de bewijsopdracht zoals geformuleerd in het vonnis van 30 november 2011 in samenhang moet worden bezien en dat het uitblijven van een reactie op zijn herzieningsverzoek van 15 december 2011 in het licht van de roldatum op 18 januari 2012 waarop hij zich zou moeten uitlaten over zijn bewijslevering, voor hem de zogeheten druppel was om uiteindelijk over te gaan tot het indienen van een wrakingsverzoek. Dat mr. Mijnlieff nog geen inhoudelijke reactie heeft ontvangen op zijn verzoek om herziening en openstelling van appel kan niet als partijdig of als vooringenomen worden gezien, nu de wet en de rechtspraak juist in die situatie uitdrukkelijk hebben voorzien. Evenmin geeft het verzoek aan de gemachtigde van [gedaagden c.s.] om te reageren op laatstgenoemde verzoek daar blijk van, nu eerst op een dergelijke verzoek kan worden beslist nadat de wederpartij zich over dit verzoek heeft uitgelaten.

Voor zover het wrakingsverzoek zou zien op de inhoud van het vonnis van 30 november 2011, overweegt de rechtbank dat het wrakingsmiddel niet bedoeld is om te ageren tegen onjuist geachte rechterlijke uitspraken. Daartegen staat appel open.

4.6. In hetgeen mr. Mijnlieff naar voren heeft gebracht zijn geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan - ook in onderlinge samenhang bezien - kan worden geoordeeld dat mr. [X] blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

4.7. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] af;

5.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan

mr. Mijnlieff, mr. [X], mr. M.H. Hogeman, alsmede aan de voorzitter van de Sector handel en kanton en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. J. Sap en

mr. M.C. Oostendorp, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. M.S.D. de Weerd als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2012.