Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9363

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
16/440282-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voordeel trekken uit (langdurige) bijstandsfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440282-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 01 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1937] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsvrouw mr. A.W. Beumer, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 29 november 2000 tot en met 15 februari 2011 opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de inkomsten die [medeverdachte], met wie verdachte duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde, middels bijstandsfraude heeft verkregen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de informatie van de gemeente Utrecht met betrekking tot de uitkering van verdachte, de verklaringen van getuigen, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat haar cliënt betwist dat hij wist dat het ging om geld wat uit misdrijf is verkregen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 oktober 2009 ontving het Team Risk en Handhaving een melding dat [medeverdachte], wonende op de [adres] in Utrecht al 14, 15 jaar samenwoont met een man, [verdachte], die zelf ook een uitkering ontvangt.

Uit dossieronderzoek blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] vanaf 27 november 2000 tot en met 1 maart 2011 een bijstandsuitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande. Het blijkt dat zij op de inkomstenverklaringen die zij vanaf 18 februari 2000 tot en met 28 maart 2007 heeft ingevuld en ondertekend, telkens heeft ingevuld dat zich geen wijziging in haar woonsituatie, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, aantal kostgangers of aantal huurders heeft voorgedaan. Ook zijn de formulieren niet mede ingevuld en ondertekend - zoals verplicht is - door de persoon met wie wordt samengeleefd.

Voorts blijkt dat verdachte [verdachte] in de periode van 28 januari 2000 tot en met februari 2002 een bijstandsuitkering heeft ontvangen voor een dakloze en in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd vanaf 1 maart 2002 een volledige AOW-uitkering voor een alleenstaande. Twee getuigen hebben verklaard dat vanaf het moment dat medeverdachte [medeverdachte] de flat aan de [adres] betrok, verdachte [verdachte] bij haar kwam wonen. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat verdachte kort nadat zij de woning aan de [adres] kreeg, bij haar is gekomen. Zij heeft verklaard dat zij veel steun heeft aan verdachte, dat hij voor het eten zorgt en de was doet en dat hij de papieren voor haar invult. Verdachte woont al tien jaar bij haar. In een rapport d.d. 9 februari 2007 dat is opgemaakt door een medewerker van de sociale dienst, wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van dhr. [verdachte] als vriend van de familie bij gesprekken van de dienst met mw. [medeverdachte] en haar dochter, die tijdelijk bij haar in huis is komen wonen. Dhr. [verdachte] is aanwezig omdat hij veel voor de familie regelt en volledig op de hoogte is van de sociale en financiële omstandigheden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet bij [medeverdachte] ingeschreven wilde staan omdat hij bang was dat hij dan zijn uitkering en daarmee zijn zelfstandigheid zou verliezen. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf het moment dat [medeverdachte] de woning aan de [adres] kreeg zijn intrek daar heeft genomen en dat hij ook weleens in de fietsenbox sliep als haar zoon of dochter kwam, welke situatie zich al twee jaar niet meer heeft voorgedaan. Hij heeft verklaard dat hij weet dat [medeverdachte] een bijstandsuitkering ontvangt, dat zij de vaste lasten betaalt, dat hij voor haar zorgt en hij drie keer per week de boodschappen doet.

De huurovereenkomst van de woning aan de [adres] tussen de verhuurder Bo-ex en de huurster, verdachte [medeverdachte] is op 27 november 2000 ingegaan en door haar op 28 november 2000 getekend.

Aanvullende bewijsoverweging

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft gepleegd. Anders dan door de raadsvrouw is aangevoerd, acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat het om misdrijf verkregen geld ging, omdat hij aanwezig is geweest bij de bespreking van de uitkeringssituatie van medeverdachte [medeverdachte] en omdat het opgeven bij de uitkerende instantie van hem, verdachte, als huisgenoot van [medeverdachte], onmiddellijk gevolgen zou hebben gehad voor de hoogte van het aan hem uit te keren bedrag.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op meerdere tijdstippen in de periode van 29 november 2000 tot en met 15 februari 2011, te Utrecht opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door

misdrijf verkregen geld, te weten geld van (een) door [medeverdachte] genoten uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of en uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand,

met welke [medeverdachte] hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand, en welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eis disproportioneel is. Haar cliënt is bijna 75 jaar en hoort niet meer in een gevangenis. Zij verzoekt haar cliënt een taakstraf op te leggen, waarbij rekening wordt gehouden met zijn situatie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het opzettelijk voordeel trekken uit gelden die door medeverdachte [medeverdachte], met wie hij samenwoonde, door uitkeringsfraude waren verkregen. Daarbij heeft verdachte zich welbewust ten behoeve van die uitkeringsfraude als dakloos laten inschrijven.

Door aldus te profiteren van de aan [medeverdachte] verstrekte uitkering heeft hij met haar misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een bijstandsuitkering bedoeld is om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. Verdachte heeft van dit misbruik geprofiteerd en zich aldus ten koste van de maatschappij verrijkt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Een fraude van dergelijke duur rechtvaardigt een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Gelet op de duur van de periode waarin verdachte fraude heeft gepleegd en het bedrag dat ten onrechte aan de maatschappij is onttrokken, kan niet worden volstaan met een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met zijn leeftijd en het onvoorwaardelijk deel om die reden beperken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. Y.A.T. Kruyer, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 01 maart 2012.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.