Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9359

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
16/440279-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

langdurige bijstandsfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440279-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 01 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1946] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 29 november 2000 tot en met 15 februari 2011 bijstandsfraude heeft gepleegd door telkens opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij een uitkering kreeg te informeren dat zij duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerde met [medeverdachte].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de informatie van de gemeente Utrecht met betrekking tot de uitkering van verdachte, de verklaringen van getuigen, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] tegenover de politie en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen over de gehele ten laste gelegde periode doch slechts voor de periode vanaf februari 2007. De verdediging voert daartoe aan dat in een rapport van de Sociale Dienst van de gemeente Utrecht d.d. 23 januari 2007 wordt gerelateerd dat bij een controle op 5 januari 2007 geen samenwoningsituatie met medeverdachte [medeverdachte] is kunnen worden vastgesteld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 oktober 2009 ontving het Team Risk en Handhaving een melding dat [verdachte], wonende op de [adres] in Utrecht al 14, 15 jaar samenwoont met een man, [medeverdachte], die zelf ook een uitkering ontvangt.

Uit dossieronderzoek blijkt dat verdachte vanaf 27 november 2000 tot en met 1 maart 2011 een bijstandsuitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande. Het blijkt dat verdachte op de inkomstenverklaringen die zij vanaf 18 februari 2000 tot en met 28 maart 2007 heeft ingevuld en ondertekend, telkens heeft ingevuld dat zich geen wijziging in haar woonsituatie, gezinssamenstelling, burgerlijke staat, aantal kostgangers of aantal huurders heeft voorgedaan. Ook zijn de formulieren niet mede ingevuld en ondertekend - zoals verplicht is - door de persoon met wie wordt samengeleefd.

Voorts blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] in de periode van 28 januari 2000 tot en met februari 2002 een bijstandsuitkering heeft ontvangen voor een dakloze en in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd vanaf 1 maart 2002 een volledige AOW-uitkering voor een alleenstaande. Twee getuigen hebben verklaard dat vanaf het moment dat verdachte [verdachte] de flat aan de [adres] betrok, medeverdachte [medeverdachte] bij haar kwam wonen. [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte] bij haar woont vanaf het moment dat zij de flat aan de [adres] betrok. Zij heeft nooit aan de sociale dienst opgegeven dat hij bij haar woonde. Zij was bang dat ze dan problemen met hem zou krijgen. Ze begreep wel dat haar uitkering hoger zou zijn als er geen ander dan zijzelf op haar adres stond ingeschreven. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij veel steun heeft aan [medeverdachte], dat hij voor het eten zorgt en de was doet, dat hij de papieren voor haar invult.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf het moment dat [verdachte] de woning aan de [adres] kreeg zijn intrek daar heeft genomen en dat hij ook weleens in de fietsenbox sliep als haar zoon of dochter kwam, welke situatie zich al twee jaar niet meer heeft voorgedaan. Hij heeft verklaard dat hij weet dat [verdachte] een bijstandsuitkering ontvangt, dat zij de vaste lasten betaalt, dat hij voor haar zorgt en hij drie keer per week de boodschappen doet.

De huurovereenkomst van de woning aan de [adres] tussen de verhuurder Bo-ex en de huurster, verdachte [verdachte] is op 27 november 2000 ingegaan en door haar op 28 november 2000 getekend.

Aanvullende bewijsoverweging

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het haar ten laste gelegde feit heeft gepleegd. In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van mening dat de bewezenverklaring de gehele ten laste gelegde periode bestrijkt. Dat in voormeld door de verdediging aangehaald rapport wordt gerelateerd dat bij een controle op 5 januari 2007 geen samenwoningsituatie met medeverdachte [medeverdachte] is kunnen worden vastgesteld doet daaraan niet af. Dat verdachte destijds niet naar waarheid heeft verklaard en de sociale recherche destijds onvoldoende aanknopingspunten had voor een samenwoning, betekent uiteraard niet dat nimmer tot de vaststelling kan worden gekomen dat verdachte en [medeverdachte] destijds een duurzame gezamenlijke huishouding hadden. Beide verdachten hebben hierover in onderhavige zaak thans anders verklaard en ook de overige bewijsmiddelen ondersteunen de gehele periode.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode van 29 november 2000 tot en met 15 februari 2011 te Utrecht, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene Bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij niet gemeld dat zij in de genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerde met [medeverdachte].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht en uitgaande van een benadelingsbedrag van € 128.000,- gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte er na het onderzoeksrapport van 23 januari 2007 van uit mocht gaan dat zij de periode eraan voorafgaand terecht een uitkering voor een alleenstaande verstrekt heeft gekregen. Het kan niet zo zijn dat zij daarvoor nu alsnog een straf krijgt opgelegd. De periode dient vanaf februari 2007 te beginnen, derhalve is het fraudebedrag lager en is de gevraagde straf disproportioneel. Zij zou dan in aanmerking komen voor een werkstraf maar een reclasseringsrapport ontbreekt. Voorts is verdachte detentieongeschikt. Zij beseft heel goed wat ze fout heeft gedaan, er is geen recidivegevaar. Hij verzoekt haar een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een korte proeftijd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door gedurende een periode van meer dan 10 jaar stelselmatig onjuiste inlichtingen te verstrekken aan de verstrekker van haar bijstandsuitkering. Immers heeft zij telkens welbewust verzwegen dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte [medeverdachte]. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen ondermijnt het sociale stelsel. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank is het niet eens met de stelling van de raadsman dat verdachte ervan uit mocht gaan dat de periode voor februari 2007 achteraf gelegitimeerd is door het rapport en daardoor niet strafwaardig. Een fraude van dergelijke duur en omvang rechtvaardigt een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden. Gelet op de duur van de periode waarin verdachte fraude heeft gepleegd en het bedrag dat ten onrechte aan de maatschappij is onttrokken, kan niet worden volstaan met een werkstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal in het voordeel van verdachte rekening houden met haar leeftijd en haar gezondheidstoestand, en het onvoorwaardelijk deel om die reden beperken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl zij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast: omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. Y.A.T. Kruyer, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 01 maart 2012.

(Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.)