Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9318

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
16/712027-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging en beroving na betrapping op onrechtmatig verblijf in tuinhuisje

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712027-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

gedetineerd PI Utrecht, HvB Nieuwegein,

raadsman mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging, die ter terechtzitting is gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. samen met de medeverdachte op 7 maart 2011 te Breukelen een hoeveelheid goederen, waaronder een pinpas, heeft gestolen, waarbij zij het slachtoffer aan handen en voeten hebben vastgebonden, een pistool op hem hebben gericht, zijn ogen en mond met tape hebben afgeplakt en de deur naar buiten hebben gebarricadeerd

en /of

op dezelfde plaats en tijd samen met de medeverdachte het slachtoffer hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen op hem te richten;

2. samen met de medeverdachte op 7 maart 2011 te Maarssen met de gestolen pinpas een geldbedrag van € 500,- heeft gepind.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften, de resultaten van het DNA-onderzoek en de overige bevindingen in het dossier, en de verklaringen van de verdachten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de schrik dusdanig in een versteende toestand verkeerde dat hij als het ware mechanisch de aanwijzingen van de medeverdachte heeft opgevolgd. Daarom is er geen sprake van nauwe en welbewuste samenwerking. Verdachte heeft de uitvoerende handelingen slechts ondersteund en is daarmee een ‘tweederangsfiguur’ die hooguit als medeplichtige kan worden aangemerkt. Nu deze variant niet ten laste is gelegd, moet verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Verdachte is ook niet degene die het pistool heeft gericht op het slachtoffer, zodat hij ook van de bedreiging moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten:

Wanneer in de hiernavolgende bewijsoverweging wordt verwezen naar een paginanummer, betreft dit (tenzij anders vermeld) een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, onderdeel van proces-verbaal nummer PL0971/2011-052252B (genummerd van 191 tot en met 234), met daarachter als bijlage I een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal nr. PL0971/2011-052252 genummerd van 1 tot en met 81 en als bijlage II een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal nr. PL0971/2011-052252A, genummerd van 82 tot en met 190, en de processen-verbaal nr. PL0971/2011-052252C en nr. PL0971/2011-052252D, doorgenummerd van 235 tot en met 345.

Op 7 maart 2011 kwam [slachtoffer 1], aangever, rond 12.00 uur aan bij zijn recreatie/tuinhuisje aan de [adres] in Breukelen. Aangever riep verschillende keren of er iemand was, omdat hij achter de deur een geluid dacht te horen. Toen er niet gereageerd werd, pakte hij uit voorzorg een riek. Plotseling ging de deur open en stond een man, verdachte [verdachte], in de deuropening. Verdachte heeft de riek vastgepakt, waarna ermee geduwd en getrokken werd. Het slachtoffer pakte met zijn andere hand zijn mobiele telefoon om zo snel mogelijk te bellen, maar is zijn telefoon verloren. Verdachte riep tegen een andere man, [medeverdachte], “doe iets”.

[medeverdachte] heeft toen een (imitatie)pistool uit zijn jaszak gehaald en dat op het slachtoffer gericht.. Het slachtoffer voelde zich op dat moment door [medeverdachte] en door het vuurwapen wat op hem werd gericht, ernstig bedreigd. Hij was bang dat er op hem geschoten zou worden. Hij heeft toen de riek losgelaten.

Het slachtoffer werd een jas over zijn hoofd gedaan en werd door de verdachten het huisje in geleid. [medeverdachte] ging op zoek naar touw en bond met het gevonden touw de handen van het slachtoffer op diens rug vast. Ook werden de voeten van het slachtoffer vastgebonden. Hierna hebben verdachten de zakken van het slachtoffer doorzocht. Uit diens jaszak zijn een sleutelbos en de autosleutel weggenomen. Verdachten namen de mobiele telefoon van het slachtoffer mee. Het slachtoffer hoorde de mannen zeggen dat ze na een uur iemand uit zijn mobiele telefoon gingen bellen om te zeggen waar hij zat. Daarna is de auto van het slachtoffer doorzocht. Daaruit is onder andere de pinpas van het slachtoffer weggenomen. Vervolgens heeft [verdachte] het slachtoffer om de pincode gevraagd.

Daarna zijn de ogen en de mond van het slachtoffer met tape vastgeplakt.

Verdachten fietsten vervolgens samen naar een pinautomaat in Maarssen, gemeente Stichtse Vecht. [medeverdachte] heeft daar tweemaal geld gepind. Om 12.58 uur is er met de bankpas van het slachtoffer met behulp van de pincode € 250,- gepind bij een pinautomaat van de ING bank binnen bij een vestiging van Albert Heijn en om 13.03 uur € 250,- bij de ABN AMRO bank, aan de buitenzijde van deze winkel. De betreffende bankrekening [rekeningnummer] staat op naam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]. Er zijn camerabeelden van laatstgenoemd tijdstip en locatie, waarop beiden verdachten zich herkennen. Ieder van hen heeft een deel van het geld gekregen.

Uit de auto van aangever is zijn tas weggenomen met daarin schrijfgerei, agenda, sleutels van bedrijfsauto en -pand, zijn portemonnee met papiergeld tussen de € 25,- en € 70,-, diverse passen, waaronder voormelde INGbankpas, en rijbewijs.

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd op de wijze zoals hierna onder 4.4. is weergegeven.

Aanvullende bewijsoverwegingen:

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte werd overvallen door de komst van het slachtoffer, die ook nog een riek in zijn hand had. Van de schrik kwam hij dusdanig in een versteende toestand te verkeren dat hij als het ware mechanisch de aanwijzingen van de medeverdachte heeft opgevolgd. Daarom is er geen sprake van een nauwe en welbewuste samenwerking.

De rechtbank overweegt als volgt:

Niet is komen vast te staan dat verdachten van meet af aan het opzet hebben gehad om het slachtoffer te beroven. Zij werden door het slachtoffer betrapt op het onrechtmatig verblijf in het huisje en konden niet onmiddellijk wegkomen toen het slachtoffer in de deuropening stond. Wel is duidelijk geworden dat het slachtoffer toen een pistool op zich gericht kreeg en zich vanaf dat moment ernstig bedreigd voelde.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer is vastgebonden waarna zijn zakken zijn doorzocht en zijn sleutels zijn weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat naar uiterlijke verschijningsvorm vanaf dat moment het opzet op diefstal aanwezig is. Nadat even later de pincode aan het slachtoffer is gevraagd, zijn de mond en de ogen van het slachtoffer afgeplakt.

De rechtbank kan niet vaststellen of verdachte en zijn mededader op het moment van de bedreiging al het oogmerk hadden een diefstal te plegen. Wel is het zo dat het slachtoffer zich voortdurend bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen, hetgeen zal worden meegewogen bij de omstandigheden waaronder de diefstal is gepleegd.

Het is niet aannemelijk geworden dat [verdachte] in een verlaagde bewustzijnstoestand verkeerde en evenmin dat [verdachte] slechts ondersteunend heeft gehandeld. Verdachten schuiven elkaar over en weer de leidinggevende rol toe. Beiden hebben echter een aandeel en hebben elkaar van geen enkele handeling weerhouden. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten,

waardoor ieder verantwoordelijk wordt gehouden voor het geheel van de gebeurtenissen.

Met betrekking tot de bedreiging volgt uit de bewijsmiddelen dat het slachtoffer nadat [verdachte] de hulp van [medeverdachte] had ingeroepen, een pistool op zich gericht kreeg. Het pistool werd weliswaar getrokken en gericht door [medeverdachte], maar uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] zich vanaf het moment dat hij vrij was bij de bedreiging heeft aangesloten. De bedreiging werd immers voortgezet, waarbij het slachtoffer meteen een jas over zijn hoofd getrokken kreeg en daarna door de verdachten het huisje in is geleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht wettig en overtuigend is bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 07 maart 2011 te Breukelen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een tas (met inhoud) en

- een hoeveelheid sleutels en

- een portemonnee (met inhoud, te weten een geldbedrag) en

- een hoeveelheid (bank)pasjes en

- een mobiele telefoon,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander de ogen en de mond van voornoemde [slachtoffer 2] heeft afgeplakt.

en

op 7 maart 2011 te Breukelen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend in de directe nabijheid van voornoemde [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] te richten en/of gericht te houden.

2.

op 07 maart 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 500 euro geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en /

of zijn mededader het weg te nemen goed onder zijn / hun

bereik heeft / hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een

(eerder die dag) gestolen pinpas, behorend bij rekeningnummer [rekeningnummer] op

naam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]));

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat bij de strafmaat ernstig rekening moet worden gehouden met de verlaagde bewustheidstoestand van verdachte en met de positieve persoonlijke omstandigheden zoals die uit het reclasseringsrapport naar voren komen. Er wordt dan ook verzocht de straf te matigen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank neemt daarbij in overweging dat er geen duidelijke aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat de rol van verdachte ondergeschikt is aan die van de medeverdachte, zodanig dat dit tot uitdrukking zou moeten komen in een onderscheid in de op te leggen straf.

Verdachte bevond zich van meet af aan al in een niet geoorloofde situatie door onrechtmatig te verblijven in het tuinhuisje van het slachtoffer. Toen hij door het slachtoffer werd betrapt, had hij wellicht de bedoeling te ontkomen, hetgeen hem niet lukte omdat het slachtoffer met een riek voor hem stond. Hij had ervoor kunnen kiezen om zich gewonnen te geven. In plaats daarvan zijn er steeds stappen genomen die ernstige strafbare feiten hebben opgeleverd en - mede blijkens de slachtofferverklaring – het slachtoffer zeer angstige momenten hebben doen beleven, waarbij de aanwezigheid van het pistool vanaf het begin van de gebeurtenissen een belangrijke rol heeft gespeeld. Het slachtoffer heeft voor zijn leven gevreesd en durfde lange tijd niet naar buiten te gaan. Toen hij dat uiteindelijk aandurfde, bleek de deur gebarricadeerd en moest hij deze met geweld open trappen. Omdat zijn mobiele telefoon was meegenomen, kon hij ook niet direct iemand waarschuwen.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte van onvoldoende gewicht om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.949,49 voor de onder 1. genoemde feiten, waarvan € 949,- materiële en € 2.000,- immateriële schade.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de gehele vordering, hoofdelijk, voor toewijzing vatbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat met betrekking tot toewijzing moet worden gekeken naar de rol van verdachte. De post vervanging van de sloten van de auto kan hem niet worden toegerekend want hij is niet bij de auto geweest. De hoogte van de immateriële schade is met name gebaseerd op de bedreiging met het vuurwapen. De medeverdachte heeft met het vuurwapen gedreigd dus deze schade moet niet of althans niet evenredig aan niet aan deze verdachte worden toegerekend.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door [slachtoffer 1] gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1. bewezen verklaarde feiten en acht verdachte gelijkelijk met de medeverdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 285, 310, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededader de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van

€ 2.949,49, waarvan € 949,49 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 2.949,49 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 39 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. R.P. den Otter en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 01 maart 2012.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.