Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9147

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
16/601113-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens inbraak, verboden wapenbezit, beschadiging van een auto en het niet willen meewerken aan een identiteitscontrole. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank o.a. en ten voordele van verdachte rekening gehouden methet feit dat verdachte de verboden vuurwapens en munitie slechts gedurende zeer korte tijd voor handen heeft gehad.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601113-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Als raadsman van verdachte is aanwezig mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 (16/601113-11): samen met een ander op 12 november 2011 heeft ingebroken in een woning en daarbij goederen uit de woning heeft weggenomen.

Feit 2 (16/601113-11): samen met een ander op 12 november 2012 vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad.

Feit 3 (16/711481-11): op 2 september 2011 een auto heeft beschadigd, dan wel ernield, dan wel onbruikbaar heeft gemaakt.

Feit 4 (16/711481-11): op 15 september 2011 heeft geweigerd mee te werken aan een identiteitscontrole.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen onder 2 aan verdachte ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Verdachte heeft spullen gepakt uit de woning aan het [adres] te [woonplaats]. Deze spullen heeft hij vervolgens over de schutting aan zijn medeverdachte gegeven. De medeverdachte zette hierop de spullen in de auto van verdachte. Onder deze spullen bevond zich kennelijk een tas met daarin de wapens en munitie. De wapens en munitie zijn weliswaar in de auto van verdachte aangetroffen, maar verdachte zat helemaal niet in zijn auto. Daarbij stelt verdachte zich op het standpunt dat hij niet wist dat de wapens en munitie in de tas zaten. Het voorhanden hebben van verdachte van de wapens en munitie behelst technisch gezien enkel het moment van het uit de woning halen van de tas waarin de spullen zaten en het over de schutting doorgeven van deze spullen aan zijn medeverdachte. Gelet op deze feiten en omstandigheden is dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van ‘voorhanden hebben’ te kunnen komen. Verdachte dient vrij te worden gesproken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 heeft de raadsman aangegeven dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze feiten te kunnen komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.3.1 De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 12 november 2011 de woning aan het [adres] te [woonplaats] is binnengegaan, omdat hij een financieel meningsverschil had met [A], bewoner van deze woning. Verdachte was samen met zijn medeverdachte [medeverdachte]. Uit de woning nam verdachte één tas mee. Deze tas voelde zwaar aan en zat dicht. Verdachte gaf deze tas over de schutting aan zijn medeverdachte [medeverdachte]. Medeverdachte [medeverdachte] heeft bevestigd dat verdachte een dichte tas over de schutting gooide, die medeverdachte vervolgens in de kofferbak van de auto legde. De auto was van verdachte.

Op diezelfde avond van 12 november 2011 kwamen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ter plaatse bij het [adres] te [woonplaats]. Aldaar troffen zij een Opel Astra aan met kenteken [kenteken], waarin medeverdachte [medeverdachte] zat. De auto werd in beslag genomen en overgebracht naar het hoofdbureau van politie. In de kofferbak van de auto werd in een tas een semi-automatisch vuurwapen, kaliber 9 millimeter aangetroffen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat dit wapen een pistoolmitrailleur, kaliber 9mm betreft, zijnde een vuurwapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II en onder 2 van de Wet wapens en munitie. Voorts werd in de auto een vuurwapen, merk Beretta, kaliber 9 millimeter aangetroffen, inclusief twee bijbehorende patroonhouders. Het vuurwapen betreft een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie III en onder 1 van de Wet wapens en munitie. Onder de passagiersstoel werden twee hagelpatronen gevonden, waarvan na onderzoek werd vastgesteld dat dit twee scherpe hagelpatronen betroffen, zijnde munitie als bedoeld in artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie. Bij zowel de politie als de rechter-commissaris heeft verdachte in dit verband verklaard dat de wapens uit de woning van [A] kwamen.

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het ‘voorhanden hebben’

Het begrip ‘voorhanden hebben’ veronderstelt een drietal factoren:

1. aanwezigheid wapen of munitie.

2. machtsrelatie tussen dader en wapen of munitie. Er moet een zekere machtsuitoefening mogelijk zijn en een zekere handelingsbevoegdheid.

3. bewustheid dader. Er moet bij de dader in meerdere of mindere mate sprake zijn van bewustheid ten opzichte van het aanwezig hebben van het wapen of de munitie.

Met betrekking tot deze drie factoren overweegt de rechtbank dat verdachte de tas met wapens en munitiehouders uit de woning heeft meegenomen en deze in de kofferbak van de auto van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte had deze aldus aanwezig en kon daarover de macht uitoefenen en is ten aanzien daarvan handelingsbevoegd geweest. Dat dit - tegen zijn wil - slechts een zeer korte tijd zo is geweest, doet daaraan niet af.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij zich niet bewust is geweest van de inhoud van de tas. Gegeven echter het feit dat verdachte in de woning gericht op zoek is gegaan naar goederen die voor hem interessant waren en gelet op de vorm en het gewicht van de wapens, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat verdachte zich er bewust van was dat zich wapens in de tas bevonden.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte samen met zijn mededader [medeverdachte] een tweetal vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad, terwijl het bezit van deze wapens en munitie bij wet verboden is.

4.3.2 De opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 1 maart 2012.

- De aangifte van [aangever] d.d. 13 november 2011.

- De aangifte van [benadeelde] d.d. 3 september 2011.

- De bevindingen van [agent] en [B] d.d. 15 september 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 november 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan het

[adres] heeft weggenomen 24 paar schoenen merk Bottocelli,

toebehorende aan [aangever], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak van een ruit van die woning;

2.

op of omstreeks 12 november 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander

- een wapen van categorie II sub 2, te weten een pistoolmitrailleur, en

- een wapen van categorie III sub 1, te weten een pistool merk Beretta en munitiehouders en

- munitie van categorie III, te weten twee scherpe hagelpatronen kaliber 12,

voorhanden heeft gehad;

3.

Parketnummer 711481-11:

omstreeks 2 september 2011 te De Meern, gemeente Utrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een auto merk Ford Focus, toebehorende aan [benadeelde], heeft beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk op die auto met een sleutelbos, een kras van ongeveer 10 centimeter te maken;

4.

Parketnummer 711481-11:

op 15 september 2011 te Houten, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 27a juncto artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door [agent] agent van de politie Utrecht, die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had gevorderd mee te werken aan een identiteitscontrole, geen gevolg gegeven aan die vordering;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 (16/601113-11): Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2 (16/601113-11): Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III, meermalen gepleegd.

Feit 3 (16/711481-11): Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Feit 4 (16/711481-11): Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten:

* dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet verdachte zich melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet verdachte zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte zich verplicht laat behandelen voor zijn persoonlijke problemen in een ambulante forensisch psychiatrische instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 heeft de raadsman verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met daarbij een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft ingebroken in een woning. Volgens de verklaring van verdachte is hij hiertoe gekomen, omdat hij een financieel geschil had met één van de bewoners van de woning. In afwachting van het geldbedrag dat verdachte van deze persoon tegoed had, heeft hij goederen uit de woning weggenomen. Het was de bedoeling deze goederen onder zich in bewaring te houden, totdat verdachte het door hem uitgeleende geldbedrag terug had ontvangen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld, door de woning te betreden en goederen weg te nemen waarvan verdachte vond dat hij daar recht op had. Dat een dergelijke manier van handelen mogelijk niet als vreemd gezien wordt binnen het milieu waarin verdachte verkeert, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niets af.

Uit de woning heeft verdachte onder andere zeer zware wapens meegenomen. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens levert het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen op. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben hiervan.

Verdachte heeft de auto van één van zijn oud buurtgenoten beschadigd. Verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarbij heeft verdachte met deze handelswijze de benadeelde onnodige op kosten gejaagd, welke gemoeid gaan met de reparatie van de ontstane schade.

Ook heeft verdachte niet meegewerkt aan een aan hem gegeven ambtelijk bevel zijn medewerking te verlenen aan een identiteitscontrole. Een dergelijke identiteitscontrole die de politie pleegt uit te oefenen wanneer personen in verzekering zijn gesteld, is van belang om vast te kunnen stellen dat men te maken heeft met de juiste persoon. Door hieraan zijn medewerking te weigeren, heeft verdachte belet dat de betreffende verbalisanten hun taak naar goed bevinden konden uitoefenen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte de verboden vuurwapens en munitie slechts gedurende zeer korte tijd voor handen heeft gehad.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies d.d. 9 januari 2012, opgemaakt door H. Luites, waarin staat dat verdachte op veel leefgebieden problemen heeft en een integrale aanpak vereist is. Positief acht de Reclassering dat verdachte gemotiveerd is te willen veranderen. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven thans begeleiding via het ACT Team van Altrecht te ontvangen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 26 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, doch nimmer wegens woninginbraak of overtreding van de Wet wapens en munitie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk en beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [benadeelde] toe te wijzen tot een bedrag van € 200,00 betreffende de kostenpost ‘spuiten na herstel achterklep’ vermeld op de schadecalculatie van Exponed Expertise Pool Nederland B.V.. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van benadeelde partij [benadeelde] in zijn geheel niet-ontvankelijk te verklaren, daar uit de schadecalculatie van Exponed Expertise Pool Nederland B.V. niet blijkt dat de schade aan de auto ook daadwerkelijk voor het genoemde bedrag is hersteld.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.603,05 voor feit 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 200,00, betreffende ‘spuiten na herstel achterklep’ een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat bij het toe te wijzen bedrag van € 200,00 rekening dient te worden gehouden met 19% BTW, zodat het totale toe te wijzen bedrag uitkomt op € 238,00.

Voor het overige acht de rechtbank de vordering onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert zodat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij [benadeelde] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de op de beslaglijst opgenomen USB-stick te retourneren aan de rechthebbende en de personenauto met kenteken [kenteken] verbeurd te verklaren.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de personenauto met kenteken [kenteken] te retourneren aan verdachte.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

8.3.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een personenauto met kenteken [kenteken], aan verdachte.

8.3.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp, te weten een USB-stick aan [benadeelde], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 47, 57, 184, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 (16/601113-11): Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2 (16/601113-11): Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III, meermalen gepleegd.

Feit 3 (16/711481-11): Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Feit 4 (16/711481-11): Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet verdachte zich melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet verdachte zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte zich verplicht laat behandelen in een ambulante forensisch psychiatrische instelling.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 238,00, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 238,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de personenauto met kenteken [kenteken];

- gelast de teruggave aan [benadeelde] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de USB-stick, kleur rood, EMTEC, 464685;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt met de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 maart 2012.

Mrs. S. Wijna en M.H.L. Schoenmakers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.