Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9146

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
22-03-2012
Zaaknummer
317220 / HA ZA 11-2020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidenten. Ontvankelijkheidsvraag in verband met mediationclausule in overeenkomst en bevoegdheidsincident op grond van forumkeuzebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 317220 / HA ZA 11-2020

Vonnis in incidenten van 21 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRATEGIC DEVELOPMENT GROUP BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J.J.F. van de Voort te Utrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd en zaakdoende te [woonplaats]

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats]

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats]

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. A.D. van Dalen te Utrecht.

Partijen zullen hierna SDG en [gedaagden ] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring en tot onbevoegdheid ex artikel 110 Rv;

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Inleiding

2.1. [gedaagden ] c.s. stelt, en SDG betwist niet, dat zij ten aanzien van geschillenbeslechting het volgende zijn overeengekomen:

“Behoudens ten aanzien van het Bindend Advies zullen partijen alle geschillen die voortvloeien uit deze overeenkomst of uit daarop voortbouwende overeenkomsten, in eerste instantie trachten op te lossen met behulp van Mediation conform het reglement van de Stichting Nederlands Mediation Instituut te Rotterdam, zoals dat luidt op de aanvangsdatum van de Mediation. Indien het onmogelijk gebleken is een geschil als hiervoor bedoeld op te lossen met behulp van Mediation, zal dat geschil beslecht worden door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.”

3. De beoordeling in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring

3.1. Toepassing van voormelde bepaling brengt volgens [gedaagden ] c.s. mee dat SDG niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat geen mediation tussen partijen heeft plaatsgevonden.

3.2. SDG voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring. SDG wijst op r.ov. 3.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2006 (NJ 2006, 75, LJN AU3724) waarin is overwogen dat het: “Gelet op de aard van het middel van mediation staat het beide partijen te allen tijde vrij hun medewerking daaraan alsnog te onthouden, dan wel die om hen moverende redenen te beëindigen.”, hetgeen volgens SDG meebrengt dat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.4. Verwijzing door SDG ter onderbouwing van haar ontvankelijkheid naar het arrest van de Hoge Raad van 20 januari 2006 kan haar niet zonder meer baten. Naar het oordeel van de rechtbank verwijst SDG bij verwijzing naar voornoemd arrest ten onrechte niet op een essentieel deel van de overweging die de Hoge Raad aan zijn oordeel ten grondslag legt. De Hoge Raad overweegt dat het in de aan hem voorgelegde zaak ging om geschillen tussen twee particulieren, die in de loop van een geding hebben afgesproken om te pogen een minnelijke regeling langs de weg van mediation te bereiken. Deze situatie is hier niet aan de orde. Immers, partijen zijn in een zakelijke context en voordat sprake was van een geschil tussen hen, overeengekomen dat zij eventuele geschillen zouden trachten op te lossen door middel van mediation. Derhalve leidt verwijzing naar voornoemd arrest niet zonder meer tot het door SDG gewenste oordeel dat zij ontvankelijk is in haar vorderingen omdat [gedaagden ] c.s. niet de weg van mediation hebben bewandeld.

3.5. Anders dan [gedaagden ] c.s. betoogt, vloeit uit de bepaling ten aanzien van geschillenbeslechting niet voort dat met uitsluiting van de burgerlijke rechter geschillen tussen partijen eerst een minnelijk traject dienen te doorlopen in de vorm van mediation. Hiertoe wordt overwogen dat een contractueel beding, waarin – kort gezegd – is vastgelegd dat partijen een oplossing voor eventuele geschillen zullen zoeken door middel van mediation (hierna: mediation-clausule) niet op één lijn te stellen is met een arbitraal beding of een beding waarin partijen zijn overeengekomen een tussen hen gerezen geschil voor te zullen leggen aan een bindend adviseur. Dit betekent dat aan een mediation-clausule ook niet dezelfde consequenties zijn verbonden. Waar arbitrage en bindend advies een wettelijke basis kennen en in welk geval een door partijen aangewezen arbiter of bindend adviseur op voor partijen in beginsel bindende wijze beslist omtrent het geschil, is bij mediation het uitgangspunt dat partijen in beginsel zelf, op basis van vrijwilligheid en wederzijdse bereidheid tot het bereiken van een minnelijke regeling, met behulp van een mediator zoeken naar een minnelijke oplossing voor hun geschil. Daarbij is van belang dat het (komen te) ontbreken van die bereidheid c.q. instemming gewoonlijk rechtvaardigt dat van mediation wordt afgezien of dat een reeds aangevangen mediation wordt beëindigd en (alsnog) voor een gerechtelijke procedure wordt gekozen. Van het beslissen van het geschil door een derde is bij mediation derhalve geen sprake.

3.6. Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat partijen zijn overeengekomen conflicten pas aan de bevoegde rechter voor te leggen nadat is gebleken dat oplossing ervan door middel van mediation niet mogelijk blijkt. SDG is daarom in beginsel gehouden die afspraak na te komen. Echter, de omstandigheid dat SDG niet eerst de weg van mediation heeft bewandeld brengt, anders dan [gedaagden ] c.s. betoogt, niet mee dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om van de vordering van SDG kennis te nemen.

3.7. In het aanbrengen van de hoofdzaak bij deze rechtbank ligt besloten dat SDG de mening is toegedaan dat mediation niet de geëigende manier is om het tussen partijen gerezen geschil te behandelen. Hiermee heeft zij impliciet te kennen gegeven, in haar incidentele conclusie van antwoord spreekt zij immers geen intentie uit om alsnog tot mediation over te gaan zoals door [gedaagden ] c.s. is voorgesteld, dat zij niet vrijwillig aan mediation zal deelnemen en dat zij haar medewerking aan mediation (alsnog) onthoudt. Zoals hiervoor is overwogen rechtvaardigt het ontbreken van de bereidheid om vrijwillig aan mediation deel te nemen het afzien van een mediation-traject. Dit voorgaande brengt mee dat SDG niet van de burgerlijke rechter kan worden afgehouden en dat zij in haar vorderingen kan worden ontvangen.

3.8. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat deze incidentele vordering moet worden afgewezen.

3.9. [gedaagden ] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld.

4. De beoordeling in het incident tot onbevoegdverklaring

4.1. [gedaagden ] c.s. vordert in dit incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagden ] c.s. voert, onder verwijzing naar het hiervoor onder 3.2. geciteerde beding, aan dat de rechtbank ’s-Gravenhage bevoegd is kennis te nemen van de hoofdzaak.

4.2. SDG voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring. Zij betoogt dat het volgen van een mediation-traject een voorwaarde is voor het intreden van het forumkeuzebeding waarin de rechtbank ’s-Gravenhage als bevoegde rechter wordt aangewezen. SDG verwijst naar het vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2010 (LJN BN5032).

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.4. Anders dan SDG betoogt kan zonder nadere toelichting, die niet door haar is gegeven, uit het bepaalde in het forumkeuzebeding niet worden opgemaakt dat sprake is van een voorwaardelijke forumkeuze. Verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2010 maakt dit niet anders. Het in die zaak behandelde incident concentreerde zich op de mediation-clausule. De vraag of het forumkeuzebeding voorwaardelijk was overeengekomen is in die zaak kennelijk niet opgeworpen. Het voorgaande leidt ertoe dat het verweer van SDG in dit incident faalt.

4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. De rechtbank zal de zaak naar de rechtbank ‘s-Gravenhage, sector civiel recht, verwijzen.

4.6. SDG zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit incident worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt [gedaagden ] c.s. in de kosten van dit incident, aan de zijde van SDG tot op heden begroot op € 1.421,00,

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident tot onbevoegdverklaring

5.4. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

5.5. veroordeelt SDG in de kosten van dit incident, aan de zijde van [gedaagden ] c.s. tot op heden begroot op € 1.421,00,

5.6. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

5.7. verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank

’s-Gravenhage, sector civiel recht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.