Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9144

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
16-03-2012
Zaaknummer
16-600770-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft winkeldiefstal met geweld na betrapping op heterdaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600770-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Flevoland – HvB Almere Binnen te Almere

raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

op 8 november 2011 te Nieuwegein bij de Hornbach twee schroevendraaiers heeft gestolen, waarbij hij geweld heeft gebruikt tegen medewerkers van de Hornbach teneinde te kunnen vluchten.

Subdsidiair is dit ten laste gelegd als een poging daartoe.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is tot kennisname van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte, de terzake gemaakte videobeelden en de verklaring van verdachte. De officier van justitie acht de ten laste gelegde stekende beweging niet wettig en overtuigend bewezen en vordert van dat deel van de tenlastelegging vrijspraak.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van diefstal, gevolgd van geweld teneinde de vlucht mogelijk te maken. De verdediging is echter van mening dat het geweld door verdachte beperkt is gebleven tot duw- en trekwerk en het maken van een kopstootbeweging. De verdediging acht het maken van een stekende beweging met een schroevendraaier door verdachte niet wettig en overtuigend bewezen, nu uit de videobeelden daarvan niet is gebleken en is van mening dat verdachte voor dat deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Ook het slaan en schoppen door verdachte acht de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen. Zij wijst daartoe op de in haar ogen tegenstrijdige verklaringen van de betrokken medewerkers van de Hornbach en de ontkennende verklaring van verdachte. Ook voor dit deel van de tenlastelegging dient vrijspraak te volgen, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 8 november 2011 heeft [slachtoffer 1] namens bouwmarkt Hornbach, gevestigd aan de Veldwade 3 te Nieuwegein, aangifte gedaan van winkeldiefstal van twee schroevendraaiers door verdachte.

Nadat verdachte door [slachtoffer 1] en zijn collega [slachtoffer 2] was aangesproken, werd hij door hen begeleid naar de ophoudruimte in de bouwmarkt.

Nog in het winkelgedeelte heeft verdachte getracht aan zijn begeleiders te ontvluchten, waarbij hij door hen werd vastgepakt en een korte worsteling ontstond. Verdachte is vervolgens door de twee medewerkers van de bouwmarkt naar de ophoudruimte gebracht. Onderweg daar naartoe verzette verdachte door te duwen en te trekken in een richting tegengesteld als waarin hij werd geleid.

In de ophoudruimte heeft verdachte diverse malen getracht weg te komen, waarbij hij [slachtoffer 1] tegen de borst heeft geduwd. Een keer lukte het verdachte uit de ophoudruimte te komen en werd hij in een halletje opnieuw vastgepakt. Daarbij ontstond een worsteling, waarbij verdachte [slachtoffer 1] en diens collega [slachtoffer 3] heeft geslagen en [slachtoffer 2] heeft geschopt. Terug in de ophoudruimte heeft verdachte een kopstootbeweging gemaakt in de richting van [slachtoffer 2]

[slachtoffer 3] heeft het verhaal van [slachtoffer 1] bevestigd. Hij zag op camerabeelden dat verdachte in de ophoudruimte een aantal malen trachtte weg te komen door [slachtoffer 1] weg te duwen. Nadat het hem lukte uit de ophoudruimte te komen, is [slachtoffer 3] naar het halletje gegaan. Hij zag dat verdachte trapte en slaande bewegingen maakte om vrij te komen. Hij zag dat verdachte een slaande beweging met zijn vuist maakte in zijn richting, waarbij [slachtoffer 3] werd geraakt op zijn schouder. Ook zag [slachtoffer 3] dat verdachte trapte naar zijn collega [slachtoffer 2].

Verder zag [slachtoffer 3] dat verdachte een kopstootbeweging maakte naar [slachtoffer 2].

Ook de getuige [slachtoffer 2] bevestigt en ondersteunt de verklaring van aangever [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat buiten de ophoudruimte in het halletje een worsteling ontstond met verdachte waarbij hij werd geduwd. Nadat verdachte weer terug in de ophoudruimte was gebracht, zag [slachtoffer 2] dat verdachte van dichtbij een kopstootbeweging maakte in zijn richting.

Ter zitting heeft verdachte bekend dat hij die dag twee schroevendraaiers heeft weggenomen in de bouwmarkt Hornbach. Ook heeft hij bekend dat hij, teneinde weg te kunnen komen, heeft geduwd en getrokken tegen en aan een of meer medewerkers van de Hornbach.

Ter zitting heeft de rechtbank de camerabeelden van de bewuste dag van de Hornbach bekeken. De rechtbank heeft daarop onder meer ter zitting waargenomen dat verdachte in de ophoudruimte van dichtbij een kopstootbeweging in de richting van een Hornbachmedewerker heeft gemaakt, die daarop terugdeinst. Mede gezien de hiervoor weergeven verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] omtrent een door verdachte in de richting van [slachtoffer 2] gegeven kopstoot acht de rechtbank dit deel van de tenlastelegging dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Uit de camerabeelden is de rechtbank niet gebleken dat verdachte met een schroevendraaier een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer 2]. De rechtbank acht dit feitelijk ook niet zeer waarschijnlijk, nu uit die beelden valt op te maken dat verdachte de weggenomen schroevendraaiers met de punt in de richting van zijn ellebogen in de mouwen van zijn jas had verstopt, hetgeen betekent dat, wanneer hij de schroevendraaiers uit zijn mouw liet glijden, het handvat het eerst naar buiten komt. Dit betekent dat de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair:

Op 8 november 2011te Nieuwegein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een bouwmarkt, gevestigd aan de Veldwade nr. 3, heeft weggenomen twee schroevendraaiers, toebehorende aan bouwmarkt Hornbach, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte (nadat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] hem, verdachte, hadden vastgepakt)

- meermalen met kracht heeft getrokken en geduwd teneinde zich los te rukken uit de greep van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft geslagen of gestompt of geschopt, althans slaande en schoppende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] heeft geslagen en

- een kopstootbeweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde van een verplicht reclasseringscontact.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijk straf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, waarbij eventueel een groter deel voorwaardelijk strafdeel als gevorderd kan worden opgelegd als zogeheten stok achter de deur.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal bij de bouwmarkt Hornbach. Hij heeft daar twee schroevendraaiers gestolen, welke hij in de mouwen van zijn jas heeft verstopt. Nadat hij na de kassa door medewerkers van de bouwmarkt werd aangesproken is hij in eerste instantie rustig met hen meegelopen richting de zogeheten ophoudruimte in de bouwmarkt.

Onderweg daar naartoe probeerde verdachte te vluchten, maar werd hij door de twee medewerkers van de Hornbach die hem begeleidden vastgepakt. Daarbij kwamen zij alle drie ten val en ontstond een korte worsteling. Nadat verdachte in de ophoudruimte was geplaatst, heeft verdachte diverse malen getracht te ontvluchten, daarbij ontstond telkens een stevige worsteling waarbij verdachte heeft getrokken en geduwd en ook heeft geslagen en geschopt. Voorts heeft verdachte naar één van de medewerkers een kopstootbeweging gemaakt.

Feiten als bewezen veroorzaken veel overlast voor de betrokken ondernemers. Ook voor de betrokken werknemers zorgen dit soort feiten gevoelens van onveiligheid, zeker wanneer zij worden geconfronteerd met geweld.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers, wanneer zij worden geconfronteerd met geweld nog lang daarna de psychische gevolgen van kunnen ondervinden.

Verdachte heeft zich daar geen rekenschap van gegeven. Hij had enkel oog voor zijn eigen hachje en probeerde aan zijn aanhouding te ontkomen. Daarmee heeft verdachte aangetoond geen enkele verantwoordelijkheid te willen nemen voor zijn daden.

De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 9 december 2011. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld ter zake van voornamelijk vermogensdelicten, maar ook ter zake van geweld. De laatste veroordeling van verdachte betreft een uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Utrecht van 14 juni 2010 ter zake diefstal, inbraak danwel pogingen daartoe. Verdachte is toen onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfentwintig weken.

Voorts heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 14 december 2011. Daaruit komt naar voren dat verdachte financiële problemen heeft, dat hij geen structurele dagbesteding heeft in de vorm van werk of opleiding en dat hij geen inkomsten heeft. Verdachte leeft bij de dag en mogelijk is nog sprake van een (deels) negatief sociaal netwerk.

Positief is dat verdachte sinds een jaar een huurwoning heeft. Hij is bang dat hij deze woning kwijt zal raken door zijn financiële problemen of door een nieuwe detentie.

Verdachte heeft tot nu toe weinig hulpverlening gehad, omdat hij daar niet open voor stond. Thans lijkt verdachte meer open te staan voor begeleiding en hulpverlening om zijn leven op orde te krijgen en/of te houden en is hij bereid tot reclasseringstoezicht.

De rechtbank is van oordeel dat met een straf als door de officier van justitie gevorderd niet kan worden volstaan. Met name het relatief korte voorwaardelijke strafdeel van één maand is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op alle omstandigheden, niet passend.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de zorgen die geschetst zijn in het reclasseringsadvies, in combinatie met het strafblad van verdachte, een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf dient worden opgelegd met een groter voorwaardelijk deel dan door de officier van justitie is gevorderd, teneinde verdachte er van te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte partieel vrij van het onder primair tenlastegelegde deel van de tenlastelegging: “- met een schroevendraaier een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van de [slachtoffer 2]”

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van VIJF MAANDEN, waarvan TWEE MAANDEN voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland en bepaalt daartoe dat verdachte zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en daarna net zo vaak als door of namens deze instelling wenselijk en/of noodzakelijk wordt geacht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

* dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 februari 2012.