Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV9048

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
19-03-2012
Zaaknummer
16-601209-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld wegens het in vereniging plegen van openlijk geweld jegens politieambtenaren. De rechtbank acht het van groot belang dat mensen, zeker wanneer zij werkzaam zijn in publieke functies, vrijelijk hun werkzaamheden kunnen verrichte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601209-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. A.J. Kiela, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 maart 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander op 15 december 2011 geweld heeft gebruikt tegen politieagenten.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte direct geweld heeft gebruikt jegens de politieagenten. Er is sprake geweest van een slechte communicatie tussen de agenten en verdachte, waarbij door de agenten een onprofessionele houding is tentoongespreid. Van de zijde van de agenten is als eerste een duw gegeven. Ook heeft verdachte een klap op zijn hoofd gehad.

Voor een bewezenverklaring van openlijk geweld, moet actief geweld zijn gebruikt, in welke gedraging het opzet besloten ligt. Daarbij moet de gedraging gericht zijn op het toebrengen van letsel of pijn. Verdachte heeft met zijn armen gezwaaid, nadat hij een duw kreeg. Verdachte heeft daarentegen nooit het opzet gehad om iemand te slaan en heeft dus ook niet bewust een klap gegeven. Om deze redenen dient verdachte vrij te worden gesproken, aldus de raadsman.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 15 december 2011 samen met zijn broertje, medeverdachte [medeverdachte], naar het politiebureau aan de Marco Pololaan te Utrecht is gegaan. Nadat een agent hen vier of vijf keer vorderde weg te gaan, zijn zij alle twee weggegaan, aldus verdachte. Medeverdachte [medeverdachte] heeft ten overstaan van de politie bevestigd dat hij samen met zijn broer was, toen een agent hem vroeg weg te gaan. Dit vond plaats voor het politiebureau aan de Marco Pololaan in Utrecht.

Verbalisant en tevens hoofdagent van Politie Utrecht [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) heeft in dit verband verklaard dat hij op 15 december 2011, als opsporingsambtenaar, werkzaam was bij de politie Utrecht, op het politiebureau aan de Marco Pololaan te Utrecht. Hij zag dat zijn collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voor de ingang van het politiebureau in gesprek waren met twee Marokkaanse mannen. Hierop is [verbalisant 1] samen met collega’s [verbalisant 6] en [verbalisant 2] naar hen toegegaan. [verbalisant 1] heeft de jongens gevorderd weg te gaan. Bij de derde vordering liepen de jongens weg om vervolgens weer terug in de richting van de verbalisanten te lopen. Verbalisant en tevens hoofdagent van Politie Utrecht [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2]) is toen naar de jongens toegelopen en vorderde hen eveneens zich te verwijderen. [verbalisant 1] liep met [verbalisant 2] mee. [verbalisant 2] hoorde dat één van de jongens iets riep in hun richting, waarop [verbalisant 2] deze jongen, te weten medeverdachte [medeverdachte], een duw gaf. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] probeerden medeverdachte [medeverdachte] aan te houden. Medeverdachte [medeverdachte] begon zich tegen zijn aanhouding te verzetten door om zich heen te slaan. [verbalisant 2] werd door medeverdachte [medeverdachte] met kracht tweemaal in zijn gezicht geslagen. Ook [verbalisant 1] werd tijdens het verzet van medeverdachte [medeverdachte] door hem met de vuist in zijn gezicht geslagen. Verdachte begon zich met de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte] te bemoeien en maakte een slaande beweging in de richting van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. [verbalisant 1] werd door verdachte meerdere malen geraakt op zijn lichaam.

Verbalisant en aspirant van Politie Utrecht, [verbalisant 3] (hierna: [verbalisant 3]) heeft bevestigd dat medeverdachte [medeverdachte] direct in verzet ging en met gebalde vuisten in de richting van [verbalisant 2], [verbalisant 1] en ook [verbalisant 7] begon te slaan. Vervolgens viel verdachte deze collega’s aan in de rug en sloeg daarbij met tot vuisten gebalde handen in de richting van deze collega’s, aldus [verbalisant 3]. Medeverdachte [medeverdachte] rukte zich op enig moment los van de andere collega’s en sloeg met kracht en met zijn tot vuist gebalde hand boven de linker slaap van [verbalisant 3]. Hierop probeerden [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 7] wederom medeverdachte [medeverdachte] onder controle te krijgen. Medeverdachte [medeverdachte] bleef geweld gebruiken in de richting van [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 7] door met tot vuisten gebalde handen naar hen te slaan. Medeverdachte [medeverdachte] kon naar de grond gewerkt worden, wat ontaarde in een worsteling. [verbalisant 3] ging samen met collega van [verbalisant 8] voor verdachte staan om hem op afstand te houden en zodat hij de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte] niet kon belemmerd. Uiteindelijk werden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden.

De rechtbank is, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, van oordeel dat verdachte samen met zijn mededader [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 15 december 2011 te [verbalisant 1], met een ander, op de openbare weg, de Marco Pololaan, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [verbalisant 1] hoofdagent van Politie Utrecht en [verbalisant 3] aspirant van Politie Utrecht en [verbalisant 2] hoofdagent van

Politie Utrecht, welk geweld bestond uit het meermalen, (met kracht) slaan in/tegen het gezicht, althans het lichaam, van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 2].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman, mocht van strafoplegging wel sprake zijn, verzocht daarbij rekening te houden met het strafblad van verdachte en zijn leeftijd en te volstaan met het opleggen van een taakstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen politieambtenaren, nadat verdachte en zijn mededader verschillende malen waren verzocht zich te verwijderen bij het politiebureau vandaan. De politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben daarbij ook letsel opgelopen. In plaats van gehoor te geven aan het aan hen gegeven bevel, hebben verdachte en zijn mededader de confrontatie gezocht met de betreffende politieambtenaren. De rechtbank vindt het onaanvaardbaar dat mensen die noodzakelijke diensten verlenen aan het publiek, zoals politieambtenaren, op een dergelijke wijze behandeld worden. Het is van groot belang dat mensen – zeker wanneer zij werkzaam zijn in publieke functies – vrijelijk hun werkzaamheden kunnen verrichten, zonder dat zij bedacht moeten zijn op verbaal dan wel fysiek geweld. Bij de strafmaat zal de rechtbank hiermee rekening houden in die zin dat een zwaardere straf zal worden opgelegd dan wanneer sprake zou zijn geweest van geweld jegens ‘gewone’ burgers.

Daarnaast roept openlijke geweldpleging bij passanten, en ook in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, nog enige tijd de lichamelijke en psychische gevolgen daarvan moeten dragen. Verdachte en zijn mededaders hebben hieraan bijgedragen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 26 januari 2012, waaruit blijkt dat eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, doch niet eerder wegens geweld is veroordeeld.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het toegepaste geweld tegen politieambtenaren niet kan worden volstaan met een werkstraf al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken, hetgeen tot gevolg heeft dat de op te leggen straf ten gunste van verdachte afwijkt.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd zowel de vordering van de benadeelde partijen [verbalisant 1] als de vordering van benadeelde partij [verbalisant 3] integraal toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gegeven ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 3].

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van benadeelde partij [verbalisant 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 350,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Met betrekking tot de toegekende vordering van deze benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De vordering van benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 350,00, ter zake immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Met betrekking tot de toegekende vordering van deze benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 1] van € 350,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [verbalisant 3] van € 350,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffer de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- de benadeelde partij [verbalisant 1], € 350,00, 7 dagen hechtenis,

- de benadeelde partij [verbalisant 3], € 350,00, 7 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 maart 2012.

Mrs. S. Wijna en M.H.L. Schoenmakers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.