Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8920

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
15-03-2012
Zaaknummer
16/710816-11 (P) en 21/001662-08 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen in een periode van in ieder geval 7 maanden meermalen in cocaïne gedeald. Bij zijn aanhouding werd voorts een hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/710816-11 (P) en 21/001662-08 (TUL)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman: mr. N. van Nimwegen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 april 2011 tot en met 11 november 2011 samen met anderen in cocaïne en heroïne heeft gehandeld;

feit 2: op 11 november 2011 6.45 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de periode tussen 21 december 2010 en 8 augustus 2011 komt bij de RCIE informatie binnen dat verdachte samen met anderen zou handelen in cocaïne. In de periode tussen 7 januari 2011 en 7 november 2011 komen via Meld Misdaad Anoniem soortgelijke meldingen binnen. Er wordt een onderzoek gestart, waaruit volgt dat er mogelijk vijf telefoonnummers worden gebruikt als zogenaamde “handelslijn”, te weten: [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer].

Door de politie worden voornoemde telefoonnummers die eindigen op [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer] gedurende de periode van 1 april 2011 tot en met 11 november 2011 opgenomen en afgeluisterd.

Op laatstgenoemde datum vindt, met behulp van aanwijzingen die de politie via de telefoontap onderschept, een observatie plaats van een van de auto’s waaruit mogelijk gedeald zou worden, een zwarte Opel Corsa met kenteken [kenteken]. Deze auto staat op naam van verdachte, [verdachte]. Ook vindt observatie plaats van diverse plaatsen die uit het onderzoek naar voren kwamen als locaties waarop drugstransacties plaats zouden vinden.

Die dag wordt het handelsnummer eindigend op [telefoonnummer] diverse malen gebeld waarbij, in versluierd taalgebruik, wordt afgesproken op diverse locaties in Montfoort, Woerden, Kamerik en Mijdrecht. Het observatieteam ziet dat de bestuurder van voornoemde Opel Corsa de via de telefoon afgesproken locaties bezoekt en neemt op deze locaties contact waar tussen deze bestuurder en derden.

Deze derden, de getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 3] (hierna: [getuige 3]), [getuige 4] en [getuige 5] (hierna: [getuige 5]) worden kort na dit contact aangehouden. Bij hen allen treft de politie verschillende hoeveelheden ponypacks aan met daarin een hoeveelheid poeder, dat na onderzoek cocaïne blijkt te zijn.

Diezelfde avond wordt de bestuurder van voornoemde Opel Corsa, verdachte, in deze auto aangehouden. Bij zijn aanhouding wordt in zijn beide achterzakken een contant bedrag van € 1.675,00 aangetroffen. In de binnenzak van de jas die hij draagt, treft de politie een plastic zakje aan met daarin 8 kleine ponypacks en 2 grote ponypacks en een lederen etuitje met daarin 6 ponypacks. Het poeder dat in deze ponypacks zit, blijkt cocaïne zijn.

Op de middenconsole van voornoemde Opel Corsa treft de politie twee mobiele telefoons aan, waaronder een telefoon van het merk Nokia. Onder de zonneklep vindt de politie tot slot een tankpas op naam van [getuige 9].

De hiervoor genoemde getuigen zijn gehoord naar aanleiding van de cocaïne die bij hen is aangetroffen.

[getuige 1] verklaarde dat hij de cocaïne die bij hem is aangetroffen op 11 november 2011 kocht van een jongen die hij [naam] noemt. Hij koopt sinds 1,5 jaar drugs bij deze jongen en er is ook een dikkere jongen geweest waarvan hij kocht.

Uit de opgenomen en afgeluisterde tapgesprekken en uitgelezen sms-berichten volgt dat er die dag tussen 19.59 uur en 21.03 op voornoemd handelstelefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] en het telefoonnummer dat werd opgegeven door De [getuige 1] als zijn telefoonnummer diverse gesprekken plaatsvinden over het kopen en verkopen van MDMA.

In de mobiele telefoon van het merk Nokia, die in voornoemde Opel Corsa werd aangetroffen, staat onder “[naam] het telefoonnummer dat door De [getuige 1] is opgegeven als zijn telefoonnummer.

Getuige [getuige 2] verklaart dat hij de cocaïne die bij hem is aangetroffen op 11 november 2011 kocht van [naam], een jongen van wie hij sinds een jaar, anderhalf jaar drugs koopt. Nadat hij [naam] telefonisch benadert, spreken zij af op een locatie in onder andere Woerden. [naam] rijdt onder meer in een donkerkleurige Opel Corsa, zo verklaarde hij verder. Als hij [naam] belt, komt er soms ook een andere jongen de drugs brengen, een “dikke gozer”. Als aan voornoemde getuige twee foto’s van verdachte worden getoond, herkent hij de persoon op de foto’s als de jongen van wie hij sinds een jaar, anderhalf jaar cocaïne koopt.

In de telefoon van getuige [getuige 2] staat in de lijst met contacten onder [naam] voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer] genoemd, en onder “[naam] nieuw” voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer]. Dit laatste nummer staat als laatst gekozen nummer geregistreerd. In de onder verdachte aangetroffen mobiele telefoon van het merk Nokia staat in de contactlijst het nummer dat [getuige 2] heeft genoemd als zijn telefoonnummer.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij op 11 november 2011 samen met [getuige 2], voornoemd, cocaïne kocht van een jongen in een donkerkleurige Opel. Hij koopt sinds ongeveer 1 jaar cocaïne bij deze jongen, die hij [naam] noemt, maar het is voorgekomen dat een ander de cocaïne kwam brengen.

Als aan voornoemde getuige twee foto’s van verdachte worden getoond, herkent hij de persoon op de foto’s als de jongen van wie hij op 11 november 2011 en het jaar daarvoor cocaïne kocht.

In de telefoon van deze getuige staat onder [naam] voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer], terwijl het telefoonnummer dat deze getuige opgaf als zijn nummer onder [naam] in de lijst met contactpersonen in voornoemde mobiele telefoon van het merk Nokia staat.

Getuige [getuige 4] verklaart dat hij de onder hem aangetroffen cocaïne op 11 november 2011 tussen Woerden en Harmelen cocaïne kocht van [naam] na deze jongen telefonisch te hebben benaderd.

Als aan deze getuige twee foto’s van verdachte worden getoond, herkent hij de persoon op de foto’s als de jongen van wie hij die dag cocaïne kocht.

Uit onderzoek volgt dat de mobiele telefoon van getuige [getuige 4] in de periode van 29 december 2010 tot en met 11 november 2011 meermalen zowel ingaand als uitgaand contact is geweest met voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer].

Het telefoonnummer van [getuige 4] staat onder “[naam]” in de mobiele telefoon van het merk Nokia die in voornoemde Opel Corsa is aangetroffen.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij op 11 november bij de BP in Woerden cocaïne kocht van [naam], een jongen van wie zij sinds juli 2011, augustus 2011 drugs koopt. Na telefonisch contact maakt zij een afspraak, meestal bij voornoemd tankstation.

Als zij door de politie wordt geconfronteerd met het feit dat er op 9 november 2011 omstreeks 23.33 met haar telefoonnummer contact is geweest met voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer] en dat in dit gesprek een vrouw aan een man vraagt of hij een fles cola bij het tankstation mee kan nemen voor haar, waarop de man antwoordt dat hij een cola bij de BP in Woerden gaat halen, bevestigt zij dat zij dit gesprek met [naam] heeft gevoerd.

Als wijkagent [wijkagent], die verdachte ambtshalve kent, de beelden van de BP te Woerden bekijkt van woensdag 9 november 2011 tussen 23.38 uur en 23.42 uur, herkent hij verdachte als de man die daar een fles cola en een blikje cola koopt en vervolgens in een donker gekleurde Opel Corsa met kenteken [kenteken] wegrijdt.

In de mobiele telefoon van [getuige 5] staat onder haar contactpersonen onder “[naam] nieuw” voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer] genoemd en onder [naam] voornoemd handelsnummer eindigend op [telefoonnummer]. Het telefoonnummer dat [getuige 5] opgaf als haar telefoonnummer staat voorts als contactpersoon in de mobiele telefoon die in voornoemde Opel Corsa is aangetroffen.

Uit de historische verkeersgegevens en telecommunicatiegesprekken van de hiervoor genoemde handelsnummers zijn door de politie enkele contactnummers geselecteerd die (met een van) deze nummers veelvuldig contact hebben gehad. Aan hen wordt via een sms-bericht een uitnodiging gestuurd voor verhoor. Getuigen [getuige 6] (hierna: [getuige 6]), [getuige 7] (hierna: [getuige 7]) en [getuige 8] (hierna: [getuige 8]) verschijnen op deze uitnodiging.

Zij bevestigen allen dat zij via contact met een van de hiervoor genoemde handelslijnen cocaïne hebben gekocht.

Getuige [getuige 6] verklaarde dat hij sinds 1 jaar of 2 jaar drugs kocht bij een jonge, tengere Marokkaan en dat er af en toe een dikke Marokkaan mee kwam. De dunne reed onder meer in een zwarte Opel Corsa. Hij kocht zijn drugs onder andere in Harmelen.

Als aan voornoemde getuige twee foto’s van verdachte (met nummer 1) en een foto van medeverdachte [medeverdachte] (met nummer 2) worden getoond, herkent hij de persoon op de foto’s met nummer 1 als de dunne jongen van wie hij drugs kocht en de persoon op de foto met nummer 2 als de dikke jongen van wie hij drugs kocht.

Getuige [getuige 7] verklaarde dat hij de drugs sinds 2 jaar koopt bij twee jongens, een dikke en een dunne. De dunne noemt zichzelf [naam].

Als aan deze getuige twee foto’s van verdachte (met nummer 1) worden getoond, verklaart hij: “Mooie foto, geen idee”. Verbalisant ziet dat de getuige hierbij kleurt en begint te lachen. Als aan [getuige 7] vervolgens een foto van medeverdachte [medeverdachte] wordt getoond, zegt hij: “dat is hem”.

In de mobiele telefoon van het merk Nokia, die in voornoemde Opel Corsa is aangetroffen, staat onder “[naam]” het telefoonnummer dat [getuige 7] opgaf als zijn telefoonnummer.

Getuige [getuige 8] verklaarde dat hij sinds een half jaar, driekwart jaar drugs kocht van een jongen die zichzelf [naam] noemde. Er was ook wel eens een andere, dikke gezette jongen bij.

Als aan [getuige 8] twee foto’s van verdachte (met nummer 1) worden getoond, zegt hij “ja” en knikt. Als daarna aan hem een foto wordt getoond van medeverdachte [medeverdachte], herkent hij deze jongen als de jongen die hij daarvoor omschreef als de dikke, gezette jongen.

In voornoemde aangetroffen mobiele telefoon van het merk Nokia staat het telefoonnummer dat [getuige 8] opgaf als zijn nummer in de contactlijst opgeslagen.

De politie zendt tevens een sms-bericht naar 103 contactnummers die gedurende de periode van 14 november 2010 tot 11 november 2011 minimaal 15 keer contact hebben gehad met (een van) voornoemde handelsnummers, met daarin een waarschuwing dat hun nummer voorkomt in een onderzoek naar een drugshandelaar. Getuigen [getuige 10] (hierna: [getuige 10]) en [getuige 9] (hierna: [getuige 9]) meldden zich vervolgens bij de politie.

Zij bevestigen beiden dat zij cocaïne hebben gekocht na contact met een van de hiervoor genoemde handelslijnen. [getuige 10] verklaarde dat hij dit “al jaren” deed, [getuige 9] verklaarde dat hij dit sinds een jaar deed. [getuige 9] verklaarde voorts dat het nummer eindigend op [telefoonnummer] het telefoonnummer is van zijn vriend [verdachte], die zichzelf ook wel [naam] of [naam] noemt.

Hij verklaarde voorts dat de tankpas op zijn naam, die onder de zonneklep in voornoemde Opel Corsa is aangetroffen, van hem is. [verdachte] had deze tankpas geleend zodat hij daarmee ’s nachts kon tanken om “de zooi, coke”, rond te brengen. Ook verklaarde hij dat [verdachte] hierbij af en toe geholpen wordt geholpen door een andere jongen.

Als aan voornoemde getuige een foto van verdachte wordt getoond, herkent hij de persoon op de foto als zijn vriend [verdachte].

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat getuige [getuige 9] een goede bekende van hem is.

4.3.2. De bewijsverweren

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

De rechtbank merkt allereerst op dat de stemherkenning en de herkenning door het observatieteam op 11 november 2011 niet voor het bewijs zullen worden gebruikt. Daarom komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het verzoek tot uitsluiting van het bewijs dat door middel hiervan is verkregen.

Pleegperiode

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 ten laste gelegde pleegperiode. De rechtbank verwerpt dit verweer. Gezien de verklaringen van voornoemde getuigen, ziet de rechtbank aanwijzingen voor een langere pleegperiode dan ten laste is gelegd, maar acht in ieder geval de in de tenlastelegging genoemde periode wettig en overtuigend bewezen.

Enkelvoudige fotoconfrontatie

De verdediging is van mening de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], niet tot bewijs kunnen dienen, omdat zij tijdens hun verhoor geconfronteerd zijn met slechts een foto, zijnde die van verdachte.

De politie had geen gebruik mogen maken van deze methode van enkelvoudige fotoconfrontatie, omdat verdachte sterk op zijn broer zou lijken. Daarnaast zou de verklaring van deze getuigen, gezien de situatie waarin zij zich bevonden, onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie er niet toe leidt dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. De herkenningen staan niet op zichzelf, maar sluiten aan bij de, eveneens voor het bewijs gebezigde, verklaringen van de getuigen en de koppeling die er gemaakt is tussen de telefoons van deze getuigen en de telefoon die bij verdachte is aangetroffen. Voor de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] geldt bovendien dat zij verklaren over een langere periode dat zij afnemen van verdachte en verdachte derhalve goed kennen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bedoelde fotoconfrontaties betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank verwerpt het verweer.

Dealen van heroïne

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte betrokken is geweest bij het - kort gezegd - dealen van heroïne (diacetylmorfine). De rechtbank zal hem hiervan partieëel vrijspreken.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend is bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

Opzet op het aanwezig hebben

De verdediging heeft betwist dat verdachte de onder hem aangetroffen cocaïne opzettelijk aanwezig zou hebben gehad. De jas waarin de betreffende cocaïne is aangetroffen zou van een derde zijn en verdachte zou niet hebben geweten dat de drugs zich in binnenzak van deze jas bevond, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gezien de bewezenverklaring van het handelen in cocaïne op onder meer de dag dat verdachte is aangehouden, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de onder hem aangetroffen ponypacks met cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht dan ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigen bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 11 november 2011 te Woerden en Wilnis en Harmelen en Mijdrecht en Montfoort, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, telkens een hoeveelheid van een materieaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 11 november 2011 te Harmelen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6.45 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumweg behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, bij veroordeling, een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De verdediging stelt dat, nu de aanhouding van verdachte buiten heterdaad zou hebben plaatsgevonden en voor deze aanhouding geen toestemming door de officier van justitie is gegeven, er sprake is van een onrechtmatige aanhouding. Dit zou tot strafvermindering moeten leiden, aldus de verdediging.

Daarnaast heeft de verdediging een aantal persoonlijke omstandigheden genoemd en verzocht de rechtbank hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zijnde 88 dagen, en een werkstraf ligt naar de mening van de verdediging meer in de rede.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat er wel degelijk sprake was van een heterdaad situatie, waarin toestemming van de officier van justitie voor de aanhouding van verdachte niet vereist was.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen in een periode van in ieder geval 7 maanden meermalen in cocaïne gedeald. Bij zijn aanhouding werd voorts een hoeveelheid cocaïne aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat het verkopen van harddrugs een ernstig feit is. Cocaïne is een stof die schadelijk voor de gezondheid en sterk verslavend is. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs mee dat een zwart geld circuit ontstaat met alle gevolgen van dien. Dat is ook de reden dat op de handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d.

15 november 2011, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het handelen in strijd met de Opiumwet;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 30 januari 2012, opgesteld door M. van der Horst, reclasseringsmedewerker. Voornoemde rapporteur adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf te leggen, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact.

Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen een passende strafrechtelijke sanctie.

Omdat de rechtbank haar twijfels heeft met betrekking tot de motivatie van verdachte om mee te werken aan een begeleiding door de reclassering, zal zij geen voorwaardelijk strafdeel met daaraan als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact opleggen.

7 Het beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het in beslag genomen contante geldbedrag handelsgeld betreft, dat verbeurd dient te worden verklaard, net als de in beslag genomen Opel Corsa met kenteken [kenteken], die is gebruikt bij het begaan van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft de teruggave aan verdachte gevorderd van de onder hem in beslag genomen mobiele telefoons.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de teruggave aan verdachte van voornoemde mobiele telefoons en voornoemde auto bepleit. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het in beslag genomen contante geldbedrag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor genoemde auto, de in beslag genomen mobiele telefoons en het in beslag genomen contante geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en in het kader van het door de rechtbank bewezen geachte feit 1 zijn gebruikt bij het begaan van dat feit, respectievelijk door dat feit zijn verworven.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken, die aan verdachte is opgelegd bij arrest van het Hof Arnhem d.d. 2 maart 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een Opel Corsa met kenteken [kenteken];

- een mobiele telefoon van het merk Nokia 1616-2 en een mobiele telefoon RIM, Blackberry Curve;

- 22 bankbiljetten van € 50,00, 20 bankbiljetten van € 20,00, 15 bankbiljetten van € 10,00 en 5 bankbiljetten van € 5,00;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest d.d. 2 maart 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/001662-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op, met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 februari 2012.