Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8325

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
16/601198-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan verkrachting van zijn dochter en ontucht met zijn kleindochter. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601198-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1945] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 januari 2010 tot 1 september 2010 meermalen ontucht heeft

gepleegd met zijn, destijds 8 jaar oude, kleindochter;

feit 2: omstreeks de periode van 1 januari 1993 tot en met 1 januari 1995 zijn destijds

minderjarige dochter heeft verkracht.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 (met uitzondering van het bestanddeel wrijven tussen de schaamlippen ) en 2 tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 tenlastegelegde, met uitzondering van het bestanddeel wrijven tussen de schaamlippen, waarvoor partiële vrijspraak wordt verzocht.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tussen de schaamlippen van [slachtoffer] heeft gewreven. [slachtoffer] heeft daarover niet uitdrukkelijk verklaard en dit onderdeel van de tenlastelegging is door verdachte weersproken. De rechtbank zal de verdachte dan ook van deze gedraging vrijspreken.

4.3.2 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Vaststaande feiten

[slachtoffer], geboren op [2001], vertelt na een bezoek aan haar grootouders in het pinksterweekend van 2010 , aan haar moeder dat opa, verdachte, met zijn hand in haar onderbroek had gezeten terwijl ze bij hem op schoot zat. Zij vertelde verder dat opa dan hard heen en weer bewoog tegen de ingang waar de baby’s uitkomen. Na een aangifte door een medewerker van het Kinder- en jeugdtraumacentrum, wordt [slachtoffer] in een studio gehoord. Daar verklaart zij dat zij, als zij bij opa thuis kwam, vaak bij opa op schoot een computerspel ging spelen. Opa ging dan vaak met zijn hand in haar onderbroek. Verdachte woonde ten tijde van de ten laste gelegde periode in [woonplaats]. Het pinksterweekend viel in 2010 in het weekend van 22 tot en met 24 mei 2010.

Verdachte heeft erkend dat hij met zijn hand over de schaamlippen van zijn kleindochter [slachtoffer] heeft gewreven. Hij heeft ook erkend dat dit meermalen is gebeurd in de ten laste gelegde periode.

Bewijsoverweging

Op grond van voornoemde verklaring van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.3.3 Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Vaststaande feiten

[slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft verklaard dat haar vader, verdachte, toen zij ongeveer 17 jaar oud was, haar in haar slaapkamer op haar buik insmeerde met olie omdat zij buikpijn had. Tijdens dit insmeren ging hij met zijn hand in haar onderbroek en bracht hij zijn vinger in haar vagina. Zij verklaarde dat dit tegen haar wil gebeurde.

Ten tijde van de ten laste gelegde periode woonde [slachtoffer 2] in [woonplaats]. Zij is geboren op [1977].

Bewijsoverweging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit en zij heeft daartoe de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster betwist.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar.

Haar verklaring is consistent, zeer gedetailleerd en vindt bovendien op essentiële punten steun in de verklaring van getuige [getuige]. Deze getuige, tevens een dochter van verdachte, heeft verklaard dat verdachte ook bij haar soortgelijke handelingen heeft verricht of heeft geprobeerd te verrichten. Tot slot vindt de verklaring van aangeefster op onderdelen steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 2] is gegaan, maar hij heeft eveneens verklaard dat hij aanneemt dat hij het gedaan heeft, dat hij zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen en zich behoorlijk had moeten gedragen en dat hij van haar vagina af had moeten blijven. De rechtbank zal voornoemd verweer dan ook verwerpen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangeefster heeft gedwongen voornoemde handelingen tegen haar wil te ondergaan.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat het niet ongewoon was dat verdachte haar op haar buik insmeerde met olie als zij (pijn)klachten had en dat zij zich hiertegen niet heeft verzet, ook niet toen verdachte haar onderbroek een stukje naar beneden deed.

Uit het uitblijven van dit verzet volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat aangeefster ook instemde met enige seksuele handeling. Verdachte heeft door tijdens het insmeren van haar buik onverhoeds met zijn hand in haar onderbroek te gaan en zijn vinger in haar vagina te brengen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster deze handelingen niet wilde en hierdoor gedwongen werd de handelingen toe te laten. Door dit onverhoedse handelen creëerde hij immers een situatie waarin zij niet in de gelegenheid was hiertegen weerstand te bieden. Verdachte heeft zijn dochter op die manier gedwongen deze handeling te ondergaan. Dat het binnendringen van haar vagina onverhoeds gebeurde, heeft aangeefster niet expliciet verklaard, doch leidt de rechtbank af uit haar verklaring en uit het feit dat een dochter, uiteraard, niet op dergelijke handelingen van haar vader bedacht hoeft te zijn.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde gezien het voorgaande wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 september 2010 te [woonplaats], telkens met [slachtoffer], zijn kleinkind, geboren op [2001], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, telkens bestaande in het wrijven over de schaamlippen van die [slachtoffer];

2.

omstreeks de periode 1 januari 1993 tot en met 1 januari 1995 te [woonplaats] door een feitelijkheid, bestaande uit het onverhoeds handelen, [slachtoffer 2], geboren op [1977], zijnde zijn dochter, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers is hij, verdachte, terwijl hij de buik van [slachtoffer 2] met olie insmeerde, onverhoeds met zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 2] gegaan en heeft hij vervolgens onverhoeds zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht, tegen welke handelingen van verachte [slachtoffer 2] geen weerstand kon bieden.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen, meermalen gepleegd;

feit 2: verkrachting.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan

5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie vordert als bijzondere voorwaarden op te leggen: verplicht reclasseringscontact en een verplichte behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden genoemd en heeft de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn dochter die destijds 17 jaar oud was. Omdat dit feit plaatsvond binnen het gezin, kon zij hierover niet of nauwelijks spreken en heeft zij jarenlang gewacht met het doen van aangifte.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn kleindochter, toen zij 8 jaar oud was.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zijn handelen een ernstige inbreuk heeft gepleegd op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze slachtoffers.

Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door redenen die de rechtbank onduidelijk zijn gebleven en heeft geen rekening gehouden met de gevoelens van zijn slachtoffers. Hiermee heeft verdachte een normale en gezonde ontwikkeling van zijn dochter en kleindochter in een kwetsbare periode van hun leven ernstig in gevaar gebracht. Zij zullen dat wat hen is overkomen hun hele leven met zich meedragen en het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid. Dat dit ook bij zijn dochter het geval is, blijkt ook uit haar slachtofferverklaring die ter zitting is voorgehouden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte neemt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat verdachte, blijkens zijn strafblad van 6 januari 2012, niet eerder is

veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder acht geslagen op het Voorlichtingsrapport d.d. 16 februari 2012, opgemaakt door F. van der Groep, reclasseringsmedewerker. Voornoemde rapporteur schat het recidiverisico op de korte termijn laag in, maar kan hiervan voor de langere termijn geen inschatting maken.

Voornoemde reclasseringsmedewerker heeft geadviseerd om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, alsmede een behandelverplichting. Verdachte heeft zich reeds in een eerder stadium gewend tot de Waag en heeft daar een drietal intakegesprekken gehad. Vanuit de Waag wordt gemeld dat er wel mogelijkheden voor behandeling zijn.

Verdachte heeft aangegeven dat hij bereid aan deze voorwaarden mee te werken.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf nog onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Alles overziende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan de door de officier van justitie gevorderde proeftijd van 3 jaren te koppelen en acht de gebruikelijke proeftijd van 2 jaar passend.

De rechtbank hoopt dat verdachte door het opleggen van voornoemde voorwaardelijke straf ervan wordt weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. Aangezien de rechtbank, met het oog op vermindering van het recidiverisisco, begeleiding door de reclassering en een behandeling van verdachte noodzakelijk acht, zullen aan verdachte naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

7 De benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] wordt een schadevergoeding gevorderd van

€ 5000,00 voor feit 1, bestaande uit immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op tenminste € 2.000,00. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor deze schade en zal de vordering tot voormeld bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 242 en 247 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen, meermalen gepleegd;

feit 2: verkrachting;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich binnen vijf dagen na invrijheidsstelling meldt bij de Reclassering Nederland en dat hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijft melden zo frequent als deze gedurende deze perioden dit nodig acht;

* dat verdachte zich tijdens deze proeftijd laat behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- draagt voornoemde reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

1 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 2.000,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. R.P. den Otter en

mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 maart 2012.