Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8312

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
16/604112-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontucht met stiefdochter. Bekennende verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/604112-10 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 maart 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1950] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. P.J.G. van der Donck, advocaat te Houten.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 februari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 18 maart 2000 tot en met 31 december 2002 ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter [aangeefster].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van aangeefster [aangeefster] en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte is als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen , te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 februari 2012, inhoudende dat hij in Spanje eenmaal en in [woonplaats] meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter [aangeefster]. Verdachte heeft daarbij bekend dat hij de ten laste gelegde seksuele handelingen heeft gepleegd;

- de aangifte door [aangeefster] ;

- een akte van geboorte van aangeefster [aangeefster].

Met betrekking tot de pleegperiode overweegt de rechtbank dat zij bewezen acht dat de ontuchtige handelingen zijn gepleegd in de periode van 18 maart 2000 tot en met 1 mei 2002. De rechtbank neemt 1 mei 2002 als einddatum van de pleegperiode, omdat verdachte en de rest van het gezin op die datum verhuisd zijn naar [woonplaats]. Uit de verklaringen van aangeefster en verdachte blijkt dat er na die verhuizing geen ontuchtige handelingen meer hebben plaatsgevonden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 18 maart 2000 tot en met 1 mei 2002 in Spanje en te [woonplaats] ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige stiefdochter [aangeefster] geboren op [1986], bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, telkens onverhoeds:

in de zomer van 2000 in Spanje

- naast die [aangeefster] is gaan liggen terwijl zij op een bed/bank lag en

- vervolgens gedurende enige tijd heeft gestreeld over de borsten en over de buik en over de bovenbenen en nabij de vagina van die [aangeefster], en

- daarbij meermalen in de borsten heeft geknepen,

en

op tijdstippen te [woonplaats]

één of meermalen:

- naast die [aangeefster] is gaan liggen en heeft gestreeld over en/of onder haar (nacht)kleding, over haar borsten en/of buik en/of bovenbenen en/of (nabij) de vagina van die [aangeefster] en/of

- terwijl die [aangeefster] op de buik lag schrijlings nabij de billen van die [aangeefster] is gaan zitten en/of

- daarbij rijdende bewegingen heeft gemaakt met zijn, verdachtes, bekken en/of penis tegen de onderkant van de billen van die [aangeefster], en/of

- daarbij heeft gemasturbeerd en is klaargekomen op haar rug,

en

- die [aangeefster] heeft gevraagd "wil je zien hoe het gaat bij mannen", althans woorden van gelijke aard of strekking, en

- terwijl die [aangeefster] op haar rug op een bed lag schrijlings op die [aangeefster] is gaan zitten en/of

- vervolgens heeft gemasturbeerd en

- daarbij een hand van die [aangeefster] heeft gepakt en vervolgens die hand naar zijn penis heeft gebracht en daarbij aanwijzingen heeft gegeven hoe zij, [aangeefster], hem moest aftrekken en aldus die [aangeefster] heeft gedwongen hem af te trekken en

- zijn handen heeft bewogen/gestoken onder de BH van die [aangeefster] en vervolgens gedurende enige tijd heeft gekneed en/of geknepen in de borsten van die [aangeefster].

Voorzover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zich gedurende lange tijd meermalen schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van zijn minderjarige stiefkind. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van voornoemde duur is volgens de officier van justitie gezien de ernst van het feit passend en geboden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is eigenaar van een supermarkt en kan geen vervanger voor zijn werkzaamheden vinden. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal leiden tot de ondergang van zijn bedrijf en ten koste gaan van de werkgelegenheid van zijn personeelsleden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter. De seksuele handelingen zijn begonnen op het moment dat zijn stiefdochter veertien jaar oud was. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van zijn stiefdochter. Hij heeft misbruik gemaakt van zijn positie als stiefvader ten gerieve van zijn eigen seksuele behoeften en hij heeft het in hem als stiefvader gestelde vertrouwen geschaad. Geruime tijd kon het slachtoffer zich niet meer veilig voelen in haar eigen huis. De ervaring leert dat de gevolgen van seksuele contacten bij kinderen ernstig en langdurig kunnen zijn. Deze gevolgen hebben zich, blijkens het spreekrecht ter terechtzitting en de schriftelijke slachtofferverklaring, ook werkelijk voorgedaan. Aangeefster heeft last van migraine sinds de ontucht is begonnen, heeft problemen met het afronden van een opleiding, heeft moeite om zich te uiten en haar grenzen aan te geven en heeft geen vertrouwen meer in andere mensen. Zij voelt zich niet in staat tot het aangaan van intieme relaties met mensen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd en noodzakelijk is. De rechtbank zal echter aan verdachte wel een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank weegt daarbij mee dat de feiten die zij bewezen acht betrekking hebben op tijdstippen in de periode van 2000 tot 2002 en dus relatief lang geleden zijn gepleegd. De rechtbank acht het van belang dat verdachte is gestopt met het plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer, nadat zij had aangegeven dat zij het niet wilde. Van belang is voorts dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld en ook na die tijd niet voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte berouw heeft getoond en dat hij zelf hulp voor zijn problematiek heeft gezocht. De rechtbank wil daarnaast voorkomen dat het eigen bedrijf van verdachte door een langdurige detentie grote schade oploopt, mede omdat de rechtbank het van groot belang acht dat verdachte in elk geval de schade zal vergoeden die het slachtoffer heeft geleden voor zover deze in de onderhavige procedure kan worden vastgesteld.

De rechtbank gaat er van uit dat een periode van een maand afwezigheid in het bedrijf voor verdachte te overbruggen moet zijn.

De rechtbank acht alles overwegende een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. De rechtbank legt daarbij aan verdachte als bijzondere voorwaarde op dat hij aan het slachtoffer een schadevergoeding van na te noemen bedrag dient te betalen. De rechtbank acht daarnaast nog oplegging van een werkstraf van de maximale duur, te weten 240 uren, noodzakelijk.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 9.663,32, vermeerderd met de wettelijke rente, voor het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 6.392,59 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 1.392,59 ter zake van materiële schade (€ 949,60 nota [A] en € 442,99 reiskosten) en € 5.000 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gevorderde in een rechtstreeks verband staat met het strafbare feit. Met betrekking tot de materiële schade gaat het daarbij om de gevorderde bedragen voor deelname aan de workshop “Assertief Anders”, de reiskosten voor die workshop en de reiskosten voor bezoeken aan therapeut Glazenburg. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. De rechtbank stelt daarbij, gelet op hetgeen aan verdachte als bijzondere voorwaarde is opgelegd, het aantal dagen vervangende hechtenis op 1 dag.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b ,14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

bijzondere voorwaarde:

dat verdachte binnen 20 maanden na ingang van de proeftijd aan [aangeefster] de somma van € 6.392,59, zijnde de door het bewezen verklaarde feit veroorzaakte schade, zal betalen en dat binnen deze termijn aan de officier van justitie te Utrecht bescheiden worden getoond waaruit kan blijken dat voormeld bedrag aan voornoemde persoon is betaald;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 6.392,59, waarvan € 1.392,59 ter zake van materiële schade en € 5.000,- ter zake van immateriële schade; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] € 6.392,59 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mrs. M.C. Oostendorp en M.J. Veldhuijzen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 maart 2012.