Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8195

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
319780/FT-RK 12.183
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Verzoek schuldsanering afgewezen ogv art. 288 lid 1 sub b Fw. Zakelijke schulden, ondernemer. 'Volgens artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. Ondernemen brengt naar zijn aard mee dat risico’s worden genomen. Het onbetaald blijven van zakelijke schulden vindt soms zijn oorzaak in het feit dat –achteraf bezien- door een ondernemer onaanvaardbaar grote risico’s zijn genomen. In het algemeen geldt dat schulden die zijn ontstaan door het nemen van zodanige risico’s als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt. Omdat de wetgever ervoor heeft gekozen in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen onderscheid te maken tussen zakelijke schulden en privé-schulden, is er geen grond ten aanzien van zakelijke schulden een andere toets ten aanzien van de goede trouwvraag aan te leggen. Ook hier geldt derhalve dat schulden die zijn ontstaan doordat –achteraf bezien- onaanvaardbaar grote risico’s zijn genomen, als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat dit tot gevolg heeft dat zakelijke schulden vaak moeten worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan of onbetaald gelaten, maakt dit niet anders.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

zaaknummer: 319780/FT-RK 12.183

nummer verklaring: BUS9011200012

uitspraakdatum: 7 maart 2012

uitspraak op grond van artikel 288 van de Faillissementswet

(“afwijzing toepassing schuldsanering”)

enkelvoudige kamer

[verzoeker],

wonende [adres], [woonplaats],

hierna: verzoeker.

Verzoeker heeft op 5 februari 2012 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Uit dit verzoekschrift en de bij dit verzoekschrift behorende bijlagen blijkt onder andere het volgende. Verzoeker heeft een onderneming gedreven van 15 maart 2004 tot 1 december 2012. Op de schuldenlijst is een totale schuldenlast aangegeven van

€ 243.560,70, verdeeld over 81 schuldeisers. In meerderheid betreft dit zakelijke schulden. Daarnaast blijkt uit het bij het verzoek gevoegde ‘Adviesrapport Bbz’ van [datum 2] dat er een een achtergestelde lening van [familielid] van verzoeker is ter grootte van

€ 473.892,00 en er diverse leningen zijn bij de Rabobank voor een totaalbedrag van

€ 637.665,00. Deze leningen leveren een jaarlijkse rentelast op van € 53.347,00.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 29 februari 2012 in aanwezigheid van verzoeker.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij het verzoek is een adviesrapport van [datum 1] aan de gemeente [gemeente] gevoegd, dat is uitgebracht naar aanleiding van een aanvraag van een lening ‘Bijzondere Bijstand Zelfstandigen’ (Bbz) door verzoeker. De conclusie uit het rapport luidt dat er geen mogelijkheden zijn voor een dergelijke schuldsanering, ‘gezien de gescoorde bedrijfsresultaten in de afgelopen jaren, de financiële situatie van het bedrijf en de zekerheden van de Rabobank’ (par. 4.4). Als hoofdoorzaak van de verliezen van de onderneming wijst het rapport de te hoge huisvestingslasten in relatie tot de verdiencapaciteit van de onderneming aan. De te hoge huisvestingslasten zijn veroorzaakt door een uit de hand gelopen verbouwing bij de start van de onderneming (waarbij het budgte met ongeveer € 200.000 ,-- werd overschreden) en de hoge aanschafkosten van het onroerend goed. Verzoeker wordt geadviseerd om de bedrijfsactiviteiten te staken en een beroep te doen op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

In weerwil van dit advies heeft verzoeker zijn onderneming voortgezet. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij van mening was dat met enige aanpassingen wel winst zou kunnen worden gemaakt. In de loop van 2011 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag gedaan voor een Bbz-lening. Op [datum 2] is daarop opnieuw een rapport uitgebracht, waarin de conclusies uit het eerste rapport werden herhaald. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde correspondentie van de Rabobank Soest Baarn Eemnes blijkt dat verzoeker eerst in een gesprek met die bank op 27 oktober 2011 heeft aangegeven zijn onderneming te willen staken. De bank heeft daarop bij brief van 1 november 2011 het krediet opgezegd en verzoeker gesommeerd uiterlijk 1 mei 2012 alle openstaande leningen in te lossen. Verzoeker heeft vervolgens per 1 december 2011 zijn onderneming gestaakt.

Volgens artikel 288 lid 1 sub b van de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. Ondernemen brengt naar zijn aard mee dat risico’s worden genomen. Het onbetaald blijven van zakelijke schulden vindt soms zijn oorzaak in het feit dat –achteraf bezien- door een ondernemer onaanvaardbaar grote risico’s zijn genomen. In het algemeen geldt dat schulden die zijn ontstaan door het nemen van zodanige risico’s als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt. Omdat de wetgever ervoor heeft gekozen in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling geen onderscheid te maken tussen zakelijke schulden en privé-schulden, is er geen grond ten aanzien van zakelijke schulden een andere toets ten aanzien van de goede trouwvraag aan te leggen. Ook hier geldt derhalve dat schulden die zijn ontstaan doordat –achteraf bezien- onaanvaardbaar grote risico’s zijn genomen, als niet te goeder trouw moeten worden aangemerkt. De omstandigheid dat dit tot gevolg heeft dat zakelijke schulden vaak moeten worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan of onbetaald gelaten, maakt dit niet anders.

De rechtbank oordeelt dat gezien het bovenstaande de schuldenlast van verzoeker niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Het adviesrapport van [datum 1] liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De verdiencapaciteit van de onderneming was te gering in relatie tot de huisvestingskosten. Uit de Bbz- rapporten blijkt dat in de jaren 2004 tot 2009 de eigen vermogenspositie gemiddeld met € 55.000,00 per jaar is gedaald. In 2010 was de daling ‘slechts’ circa € 21.500,00, maar ontbraken enkele gegevens waardoor de daling niet juist was vast te stellen. De onderneming heeft al die tijd slechts kunnen overleven door uitbreiding van de financiering. Ondanks het tweede BBZ-rapport van [datum 2] en de opzegging van het krediet door de Rabobank op 1 november 2011 heeft verzoeker eerst per 1 december 2011 zijn onderneming gestaakt. Verzoeker heeft door zijn onderneming - tegen beter weten in - voort te zetten zijn schuldenlast onnodig hoog op laten lopen. Hiermee heeft hij onverantwoorde risico’s genomen, die voor zijn rekening dienen te blijven.

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.

Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

7 maart 2012.